Eveline Vanfrausen

DE WITTE RAAF

Editie 163 mei-juni 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Een verslag van 'Luca?', een debat over academisering en de integratie van de Sint-Lucas Gent in de KU Leuven, 13 februari 2013

Studenten van Sint-Lucas Beeldende Kunst Gent organiseerden op woensdagavond 13 februari een debat over de academisering en integratie van Sint-Lucas Gent in de KU Leuven. Ze zochten naar antwoorden op vragen als ‘Is de integratie in de KU Leuven ongrondwettelijk?’, ‘Wie beslist over onze toekomst?’, ‘Hebben praktijkdocenten echt een doctoraat nodig?’ en ‘Wordt schrijven over kunst belangrijker dan het maken ervan?’ Als sprekers kozen ze voor André Oosterlinck, voorzitter van de Associatie KU Leuven; Dag Boutsen, departementshoofd van Sint-Lukas Architectuur (Brussel) en toekomstig decaan van de Faculteit Architectuur; Ann Laenen, decaan van de LUCA School of Arts; Wouter Soudan, als docent typografie en grafisch design verbonden aan MAD Faculty (Genk), tevens vertegenwoordiger van het personeel van deze instelling; en tot slot Jeroen Laureyns, docent aan Sint-Lucas Beeldende Kunst Gent en kunstcriticus. Koen Brams trad op als moderator.

 

De voorzitter van de Associatie

Voor André Oosterlinck zijn er slechts twee mogelijkheden voor de kunsthogescholen: ofwel treden zij toe tot het ‘academisch hoger onderwijs’, ofwel tot ‘het professioneel onderwijs’. Wat hem betreft horen de kunsthogescholen thuis in het academisch hoger onderwijs, en dat betekent, aldus Oosterlinck, dat zij automatisch deel worden van de universiteit. Ook LUCA School of Arts — de bundeling van het Lemmensinstituut (Leuven), Narafi (Brussel), Sint-Lucasarchitectuur (Gent, Brussel), Sint-Lucas Beeldende Kunst (Gent) en Sint-Lukas Brussel (Brussel) — die nu nog een faculteit met ‘een bijzonder statuut’ is, wil de Associatie in de toekomst ‘integreren’, net zoals ze dat al besliste voor de Faculteit Architectuur (waarvan Sint-Lucasarchitectuur (Gent, Brussel) vanaf het najaar 2013 deel zal uitmaken).

Waarom wil Oosterlinck dat zo graag? Omdat ‘de topuniversiteiten in de Verenigde Staten’ ook elk hun school of art, school of architecture… hebben. Hij wil hen navolgen: ‘Wij spiegelen ons aan topuniversiteiten.’ Hij noemt ze zijn ‘voorbeeld’; hij heeft het over ‘buitenlandse modellen’. Die uitmuntende, prestigieuze voorbeelden leren hem dat ‘de aanwezigheid van die kunstenaars’ voor ‘een enorme verrijking’ zorgen. Voorts heeft hij het over ‘een meerwaarde’ en ‘een win-winsituatie’. De kunstopleidingen zouden de multidisciplinariteit bevorderen: ‘interactie’ komt er ‘automatisch’ tot stand. Maar die samenwerking is niet het uiteindelijke doel van de integratie. De integratie moet er vooral voor zorgen dat zowel de Associatie als de verschillende vakgebieden die zij omvat een koppositie veroveren; zij moet van de KU Leuven een topuniversiteit maken.

André Oosterlinck beklemtoont terzelfdertijd de onafhankelijkheid van LUCA binnen wat hij het multicampusmodel noemt — een universiteit met campi in verschillende steden. Hij garandeert de geïntegreerde kunstenfaculteit ‘voldoende zelfstandigheid’. Die autonomie betreft dan wel niet ‘de economie en de boekhouding in de ondersteunende diensten’, maar wel de ‘inhoud’. Tegelijkertijd merkt hij op dat het onderzoek tot de verantwoordelijkheid van de universiteit hoort. Zij heeft immers ‘de grootste ervaring in wat onderzoek is’, in ‘onderzoek tout court’, in ‘onderzoeksmethodologieën’; en zij wordt ten slotte internationaal erkend als onderzoeksinstelling. Hijzelf typeert onderzoek als ‘het verleggen van de grens van de kennis’. De uitbreiding van kennis is voor hem niet noodzakelijk een doel op zich. Hij pleit ervoor om wetenschappelijk onderzoek ten dienste te stellen van de economie: het kan Europese bedrijven immers helpen om te innoveren en zo hun competitiviteit te verhogen in een geglobaliseerde wereld.

Wat de aan de kunstenfaculteit toegekende vrijheid betreft, merkt Oosterlinck op dat zij kan kiezen uit de vele modellen die in de universiteit gebruikt worden. Zo stelt hij met betrekking tot het aantal doctoraten dat een faculteit moet voortbrengen: ‘u kan het model uitkiezen dat u het best past’, en hij voegt er nog aan toe: ‘…of zelfs dat model aanpassen’. Oosterlinck presenteert zichzelf voortdurend als handelend subject: ‘Dat als we jullie integreren later in de universiteit […]’, en: ‘We gaan dat bekijken’, of nog: ‘Wij geven u die vrijheid.’ Tegelijk roept hij de kunsthogescholen op om zelf initiatief te nemen: ‘Neem de vrijheid!’, ‘Doe voorstellen!’ en: ‘Maar jullie moeten ze zelf wel invullen.’ De kritiek van zijn ‘harde tegenstanders’ noemt hij ‘leerrijk’: ‘Een applaus voor de twee heren.’ [1]

 

De decanen

De decanen benadrukken hun band met de universiteit. Dag Boutsen heeft er ‘partners’, Ann Laenen heeft het over ‘de collega’s in Leuven’, ‘de collega’s-decanen’. Boutsen stoort zich aan de ‘wij-zijdiscussie’ of het ‘wij-zijverhaal’ van de docenten. Ann Laenen beklemtoont de ‘openheid’ van haar gesprekspartners, die ze ‘nieuwsgierig’ noemt. Ze heeft het ook over ‘samen denken en oplossingen zoeken’, over ‘samenwerken’, ‘er samen ons werk van maken’. Volgens haar is er geen sprake van enig verschil in hiërarchie: ze staat ‘op gelijke voet’ met haar Leuvense gesprekspartners.

Boutsen en Laenen praten met de KU Leuven. Onderwerp van gesprek is ‘de eigenheid’ van LUCA School of Arts en de Faculteit Architectuur. Die eigenheid is blijkbaar iets waarover met de universiteit moet worden onderhandeld. Nu eens zouden de gesprekken met de Leuvense universiteit gevoerd worden om de eigenheid ‘te bewaren’, dan weer om ze ‘te bewerkstelligen’. Dag Boutsen verbindt die ‘eigenheid’ met ‘mooie beelden waarin ons onderzoek zich zou kunnen profileren’, of nog, met een ‘universiteit die ziet dat er inderdaad competenties zijn die minder ontwikkeld zijn bij hen’. Tegenover de ‘technical rationality’ van de universiteit plaatst Boutsen de excellentie van zijn eigen faculteit: ‘explorative imagination’.

Ann Laenen van haar kant, beschouwt de positie van LUCA als bijzondere faculteit slechts als een overgangsfase. Die periode vormt voor haar de ideale kans om de integratie goed voor te bereiden. De komende jaren bieden volgens haar ‘de mogelijkheid om […] een sterker hoger kunstonderwijs neer te zetten waarin we die eigenheid, die accenten kunnen leggen’. Ze heeft het onder meer over accenten op het gebied van onderzoek. Daarbij hanteert ze een klassieke opvatting over onderzoek. Artistiek onderzoek komt voor haar neer op het ‘toepassen’ van ‘het wetenschappelijk apparaat’ op de kunstpraktijk. De wetenschappelijke methodieken zouden de ‘eigen praktijk een stuk verder brengen en dus ook de discipline waar je in werkt’. De artistieke praktijk zelf lijkt voor haar niets met onderzoek te maken te hebben. Dat blijkt onder meer uit haar voorstel om in haar faculteit naast ‘het traject van het doctoraat’ ‘een evenwaardig traject’ te introduceren, namelijk dat ‘van de excellente kunstenaar’. Ze heeft het over ‘twee sporen die naast elkaar lopen’. Wat een excellente kunstenaar zou zijn, licht ze niet toe. Over de ideale kunstopleiding doet ze wél een uitspraak: ‘Als student zou je zelf een mandje moeten kunnen samenstellen met vakken die je vormen tot de kunstenaar die je wil zijn.’

 

De docenten

De docenten stellen dat met de academisering de kunstopleidingen hun zelfbeschikkingsrecht is ontnomen. Jeroen Laureyns betreurt de ondergeschikte positie waartoe de kunsthogescholen door de overheid werden veroordeeld. Die wees hun immers de universiteit als helper toe; de universiteit moet de kunsthogescholen ondersteunen bij het wegwerken van een ‘tekort’, namelijk het gebrek aan reflectie. Hij heeft het over ‘een zeer paternalistische visie’. De universiteit, een gezaghebber; de kunsthogescholen kinderen of pupillen, ‘hulpeloze slachtoffers’. Later drukt hij het nog sterker uit: de universiteit, ‘de meester’; de kunstopleiding, ‘de slaaf’. Kortom, universiteit en kunsthogeschool staan in een ‘ongelijke hiërarchische verhouding tot elkaar’.

Volgens Wouter Soudan is het echter niet de politiek die de relatie tussen kunsthogeschool en universiteit bepaalt, maar de vroegere rector van de KU Leuven en huidige voorzitter van de Associatie, André Oosterlinck zelf. Wordt hij immers niet voortdurend in het Vlaamse Parlement uitgenodigd om zijn mening te geven? ‘U bent in 2002-2003 gehoord en nu bent u weer gehoord.’ De universiteit zou eenvoudigweg de macht gegrepen hebben. Zij treedt daarenboven niet alleen eigenmachtig op, ze werpt zich ook op als voogd van de kunsthogescholen, omdat ze er zelf baat bij zou hebben. Niet zozeer de transformatie van de kunsthogescholen wordt beoogd, dan wel die van de KU Leuven zelf. De academisering moet tot ‘schaalvergroting’ leiden: grotere universiteit, meer studenten, meer geld… Wouter Soudan: ‘ge zijt ons aan het rollen, ge zijt ons aan het annexeren’, of nog: ‘Leuven gaat in expansie’. De KU Leuven zou zich ontwikkeld hebben tot een ‘multinational’, want dat zou het ‘gedistribueerde campusmodel’ van André Oosterlinck in wezen zijn: een groot bedrijf met een ‘centralistische structuur’, een bedrijf met vele ‘vestigingsplaatsen’, maar met ‘één hoofdzetel’. Hiertegenover pleit de docent voor ‘lean startups die efficiënt kunnen inspelen op ontwikkelingen, die grote molochs omverwerpen’.

Beide docenten stellen dat de incorporatie van hun hogeschool in de Associatie KU Leuven de opleidingen in hun hart raakt, de artistieke praktijk. Jeroen Laureyns: ‘We zien dus dat de academische praktijk in de plaats komt van de artistieke praktijk.’ Volgens Wouter Soudan is het doctoraat ‘dodelijk’ voor de kunstpraktijk. Deze kan binnen de universiteit enkel nog voortbestaan onder een valse gedaante: zo zien architecten zich verplicht om ‘het bouwen van huizen’ te ‘vermommen als een soort onderzoek’ en ‘strategieën’ te bedenken opdat die praktijk ‘overeind zou kunnen blijven’.

In tegenstelling tot de decanen, die vooral ‘gelijkenissen’ zoeken, leggen Laureyns en Soudan de nadruk op de verschillen. Laureyns herinnert eraan dat de kunstopleidingen ‘een heel andere traditie’ hebben en een ‘ander pedagogisch model’ hanteren: zij hebben altijd voor ‘kleinschaligheid’ gekozen. Ook Soudan plaatst tegenover de ‘schaalvergroting’ of het massaonderwijs van de universiteit ‘kwaliteitsonderwijs’ dat vraagt om ‘kleine groepen’ en ‘docenten die in het praktijkatelier met studenten kunnen bezig zijn’. Daarnaast zijn beiden ervan overtuigd dat de kunsten anders dienen te worden geëvalueerd. Laureyns stelt dat er ‘geen meetlat voor de kunsten’ bestaat en hij verwijst naar Marcel Duchamps 3 stoppages étalon. Tegenover het belang van de ‘consensus’ voor de wetenschap plaatst hij de noodzaak van de ‘dissidentie’ voor de kunst. Laureyns en Soudan wijzen tot slot op de fundamentele verschillen binnen de universiteit: tussen de positieve en de humane wetenschappen, tussen het toegepaste en het fundamentele onderzoek. Zij zien met lede ogen aan hoe de denk-, voorstellings-, benaderings- en werkwijzen van de ene pool die van de andere dreigen te overheersen.

 

Het (studenten)publiek

Vanuit de zaal komen niet minder dan acht interventies. Iemand maakt zich zorgen over de idee van de ‘meetbaarheid van de kunsten’ die het kunstonderwijs ‘blijft achtervolgen’. Zal er in de toekomst ruimte zijn voor kunstonderwijs ‘zonder outputmeting’? De veranderingsmoeheid slaat in het hoger kunstonderwijs toe, merkt een andere vraagsteller op. Een student schilderkunst betwijfelt of het wel klopt – zoals André Oosterlinck en Ann Laenen bij hoog en laag beweren – dat het hoger kunstonderwijs als gelijkwaardig met de universiteiten zal worden behandeld. Immers, ‘waarom moet ons curriculum dan zo grondig worden aangepast?’ Zijn ervaring is dat ‘wij minder kunnen produceren en minder vooruitgang boeken door de vele vakken die tussen onze praktijkperiodes vallen’. Een student – tevens een van de medeorganisatoren van het debat – stelt vragen over de naam van de kunstenfaculteit. Tijdens de introductie van Ann Laenen als decaan van LUCA School of Arts werd ‘hardnekkig ontkend’ dat LUCA een ‘afkorting’ zou zijn. Nochtans heeft een zoekopdracht op het internet hem geleerd dat LUCA staat voor Leuven University College of Arts. ‘Ik vraag mij af waarom studenten betutteld worden of misschien zelfs voorgelogen. Is het nu Leuven University College of Arts?’ ‘Voor ons is LUCA een roepnaam’, aldus Ann Laenen. En nog: ‘Je kan daar een afkorting van maken maar wij gaan voor LUCA, school of Arts. We gaan dat niet Leuven University College of Arts noemen, neen, het is LUCA, school of Arts.’ Tevens wil de student weten hoe de decaan tegen de integratie van LUCA in de universiteit aankijkt. Ann Laenen antwoordt: ‘We integreren nog niet. Wanneer we integreren, dat is politiek bepaald’. Het antwoord laat deze vraagsteller alvast op zijn honger: ‘Die aanstelling van u als decaan, of die discussie die wij hier nu voeren is toch met dat idee [het integreren] in het achterhoofd.‘ Nauwelijks later stelt Laenen: ‘We zijn een faculteit kunsten, we zijn een academische opleiding en we gaan zoveel mogelijk volgens het model… werken naar de integratie. Zodat op het moment dat die integratie er is, dat je er staat, dat er niet nog eens een hele verandering moet gebeuren.’

 

Noot

1 Op 25 maart deed Oosterlinck evenwel volgende uitspraak in Veto: ‘Die twee [Wouter Soudan en Jeroen Laureyns] lopen niet alleen naast hun schoenen, maar zweven erboven. Ze beschouwen zichzelf als de grootste creatievelingen en vinden het een schande dat de universiteit hen moet academiseren. Ik zie ze al binnenwandelen bij onze toponderzoekers, die zij beweren te kunnen helpen meer creatief te zijn.’