Alied Ottevanger

DE WITTE RAAF

Editie 185 januari-februari 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jules Schmalzigaug en het kookboek van het futurisme

Jules Schmalzigaug (1882-1917), die in Antwerpen werd geboren uit een gegoede, uit Duitsland afkomstige familie, en in 1917 zelfmoord pleegde, wordt beschouwd als de enige echte Belgische futurist. Aan hem is in het Mu.ZEE in Oostende nu een uitgebreid overzicht gewijd. Zijn stralende, in kleurige pointillistische toetsen geschilderde doeken uit de jaren 1913-1915 – die beweging van dans en licht uitdrukken – vormen de kern én het hoogtepunt van de tentoonstelling. Deze werken, alle langer dan een eeuw geleden geschilderd, de meeste in Italië waar hij toen tussen de futuristen verbleef, verbluffen nog steeds en hebben niets aan kracht ingeboet. Dat Schmalzigaug enorm gestimuleerd werd door de Italianen wordt op deze expositie overtuigend aangetoond door naast zijn werken ook kunst van deze futuristen te presenteren. Dat die uitwisseling wederzijds was, wordt vooral in de begeleidende publicatie duidelijk gemaakt. Voorafgaand aan deze kernwerken worden in Mu.ZEE studies en schilderijen uit Schmalzigaugs beginjaren getoond, voornamelijk landschappen. Naar het einde toe worden daaraan portretten en stillevens toegevoegd, en schetsen van figuren, stadsgezichten en het Scheveningse strand. Het zijn werken uit zijn laatste jaren in Den Haag, de stad waar hij in de herfst van 1914 vanuit Antwerpen met zijn familie naartoe gevlucht was en waar hij stierf.

Schmalzigaugs werk bleef lang relatief onbekend. Pas een kleine halve eeuw na zijn dood, in 1963, organiseerde Maurits Bilcke een tentoonstelling van zijn werk. Vervolgens was het weer wachten tot de jaren tachtig, met de monografie die Phil Mertens in 1984 aan hem wijdde en de daaraan gekoppelde tentoonstelling in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (Brussel) – opmaten voor deze kennismaking vormden de exposities die Galerie Ronny van de Velde al vanaf 1981 over zijn kunst maakte. In Nederland werd Schmalzigaugs werk rond dezelfde tijd, in 1982, onder de aandacht gebracht door de nu vergeten Galerie Hendriksen, in Amsterdam, met een tentoonstelling die goed en uitgebreid besproken werd. Aansluitend op het grote overzicht in 1985 in Brussel, reisde er in 1985-1986 ook nog een monografische expositie langs Delft, Bergen op Zoom en Nijmegen. Nadien werd het weer even stil, tot 2013, toen het belang van zijn werk voor de moderne kunst in België onderstreept werd in de grote expositie Modernisme. Belgische abstracte kunst en Europa in het Museum voor Schone Kunsten in Gent. Schmalzigaug werd er vooral neergezet als een van de belangrijkste Belgische modernen. Hij werd getypeerd als een kunstenaar die destijds weliswaar nauwelijks in België had geëxposeerd, maar met zijn kunst en internationale contacten toch een wezenlijke bijdrage aan het plaatselijke kunstleven had geleverd.

Schmalzigaug volgde een opleiding aan de kunstacademie in Karlsruhe, om in 1900 terug te keren naar België. Daar bezocht hij de academies in Antwerpen en Brussel. In 1905 reisde hij met een vriend naar Italië. Teruggekeerd naar België was hij vanaf 1906 actief in kunstenaarskringen. Eind 1910 ging hij voor twee jaar naar Parijs waar hij in 1911 onder de indruk raakte van de Salons des Indépendants. Het kunstleven in Parijs inspireerde hem, en zijn pogingen om in het milieu van vooruitstrevende kunstenaars ingeburgerd te raken, leidden in 1914 tot zijn deelname aan de Salon des Indépendants.

In de tentoonstelling in Oostende en de daarbij uitgebrachte publicatie is het kunstleven in Parijs echter ondergeschikt aan Schmalzigaugs omgang met de Italiaanse futuristen. Parijs is hier vooral de stad waar hij in februari 1912 herhaaldelijk de geruchtmakende tentoonstelling Les Peintres Futuristes Italiens bezocht en bij Galerie Bernheim-Jeune een lezing van Filippo Tomasso Marinetti bijwoonde. Nog in hetzelfde jaar 1912 vertrok hij naar Venetië. Daar legde hij zijn eerste persoonlijke contacten met kunstenaars die in de kringen van de futuristen verkeerden en maakte hij uiteindelijk kennis met de kern van die club, in het bijzonder met Umberto Boccioni, Carlo Carrà en Giacomo Balla.

Schmalzigaugs kennismaking in Venetië met het futurisme kwam tot stand via zijn vrienden Arturo Martini en Gino Rossi, van wie helaas nauwelijks werk op de expositie wordt gepresenteerd en in het boek alleen afbeeldingen in postzegelformaat zijn afgedrukt. Zijn contacten met Balla in Rome krijgen gelukkig ruimer aandacht. Schmalzigaug schreef hem kleurige brieven volgens de richtlijnen die Marinetti had neergelegd in zijn Parole in Libertà. In de expositie getuigen vooral diverse werken van Balla van hun vriendschap. In de publicatie toont Fabio Benzi aan dat Schmalzigaug niet alleen beïnvloed werd door Balla’s opvattingen over de simultaniteit van kleur en licht, maar op zijn beurt ook Balla – én jongere kunstenaars uit diens kring – beïnvloedde met eigen ideeën over het aanspreken van alle zintuigen met behulp van muziek, lichtmachines, kleurige gassen en explosieven. Benzi illustreert die stelling aan de hand van Balla’s toneelontwerpen uit 1916 voor Stravinsky’s Feu d’artifice, gerealiseerd voor de Ballets Russes. Maria Elena Versari onderzoekt in haar essay de ideeënuitwisseling tussen Schmalzigaug en de Italianen Boccioni en Carrà.

De omvang van de tentoonstelling voedt de indruk dat hier meer werken dan ooit uit Schmalzigaugs oeuvre bijeengebracht zijn. Zeer bijzonder is de hereniging van de zes schilderijen waarmee hij in april-mei 1914 deelnam aan de Esposizione Libera Futurista Internazionale in de Galleria Futurista van Giuseppe Sprovieri, waarvoor hij door Balla, Carrà, Severini en Boccioni was uitgenodigd. Het is fantastisch om die zes werken samen te kunnen bekijken, al zou je van die fameuze tentoonstelling nog wel wat meer willen zien. Meer bijdragen van de Italiaanse deelnemers en uitgebreider informatie over de ontvangst van de expositie hadden deze presentatie nog kunnen versterken. Verrassingen zijn er echter ook, zoals Marinetti’s beschilderde en beplakte panelen, resultaten van zijn samenwerking met Francesco Cangiullo en Balla. Dat zijn dan wel geen meesterwerken, maar de durf van deze Italiaanse futuristen en hun totale lak aan traditie en conventies spat van de werken af.

Bij het uitbreken van de oorlog, in de zomer van 1914, keerde Schmalzigaug naar Antwerpen terug. Valerie Verhack behandelt de kleurenleer die hij intussen had ontwikkeld, mede gestimuleerd door Balla, uitgebreid in het boek. Schmalzigaug zette die omstreeks 1916 in Den Haag op papier. In de tentoonstelling wordt zijn belangstelling voor de contrastwerking tussen stralende en absorberende kleuren vooral in verband gebracht met het kleuronderzoek van Balla, van wie diverse schitterende studies voor zijn ‘iriserende interpenetraties’ worden getoond. Of Schmalzigaug die kleurenleer in Den Haag verder heeft willen ontwikkelen, in zijn lichte portretten (zoals het onvoltooide Madame Nelly Hurrelbrinck (1916-1917) uit de Brusselse Koninklijke Musea voor Schone Kunsten dat op de tentoonstelling ontbrak) en in zijn donkere stillevens, wordt noch in de tentoonstelling, noch in de publicatie helemaal duidelijk. Wat hij met die werken nastreefde en hoe geslaagd hij ze zelf vond, zijn kwesties die om nader onderzoek vragen.

Vrijwel alle auteurs – ook in eerdere publicaties – wijzen erop dat Schmalzigaug zich ondanks zijn contacten met de Italiaanse futuristen als kunstenaar uitgesloten bleef voelen. De vlucht naar Nederland en het uitblijven van erkenning heeft dat gevoel zeker versterkt. En hoewel zijn lichamelijke ongemak (hij had een vergroeide ruggengraat) en zijn mentale klachten op zich als verklaringen kunnen gelden, wordt in de publicatie ook gesuggereerd dat het gemis aan erkenning heeft bijgedragen aan zijn plotse zelfmoord. Vooral het uitblijven van waardering voor zijn werk op de expositie Belgische Kunst, die van 16 december 1916 tot 6 januari 1917 in het Stedelijk Museum in Amsterdam liep, en vervolgens in afgeslankte vorm doorreisde naar Nijmegen en Rotterdam, moet hem zwaar gevallen zijn. Op dit ambitieuze overzicht werd werk van 85 inzenders getoond, maar van de modernen werd meestal slechts Rik Wouters genoemd, een enkele maal Gustave de Smet en Jules Vermeiren. Schmalzigaugs naam zoekt men tevergeefs. Het is zelfs mogelijk dat zijn bijdrage – twee schilderijen en een groep tekeningen – op de Rotterdamse locatie ontbraken, omdat de expositie daar vanwege ruimtegebrek moest inkrimpen.

Dat Schmalzigaug moeizaam erkenning vond, blijkt ook uit een In Memoriam van Jan Greshoff, de kunstredacteur van De Telegraaf die Schmalzigaug meer dan waarschijnlijk persoonlijk gekend heeft. Greshoff blikt in dat artikel, verschenen in De Telegraaf op 24 juli 1917, terug op de werken van Schmalzigaug in de tentoonstelling Belgische kunst in het Stedelijk Museum. Hij heeft het onder meer over ‘twee schilderijen naar de opvattingen der futuristen. Zij schenen ons verward en gezocht toe, maar niettemin gevoelden wij dadelijk, dat een diep besef van de schoonheid en een hooge begeerte hier hun verwerkelijking zochten.’ Greshoff schreef weliswaar ook dat hij Schmalzigaugs tekeningen bewonderde – daarin herkende hij ‘een fijn trillen van licht en leven, een innerlijke bewogenheid’ – maar het is toch opvallend hoe hij in een In Memoriam zijn onbegrip voor een bevriend kunstenaar laat doorschemeren. Die kritische reserve moet Schmalzigaug bij leven ongetwijfeld als pijnlijk hebben aangevoeld.

 

Jules Schmalzigaug en het kookboek van het futurisme, tot 5 maart in Mu.ZEE, Romestraat 11, 8400 Oostende (059/50.81.18; muzee.be).

• Adriaan Gonnissen (red.), Jules Schmalzigaug Futurist, Oostende, Mu.ZEE, 2016. 978-90-7469-425-4. (muzee.be/de/permeke/u47/jules-schmalzigaug-futurist)