Dominic van den Boogerd

DE WITTE RAAF

Editie 185 januari-februari 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Alice Neel

De overzichtstentoonstelling van de Amerikaanse kunstenaar Alice Neel in het Gemeentemuseum Den Haag opent met een van haar allerlaatste werken, Self-Portrait uit 1980. Toen Neel het schilderde, was zij tachtig jaar. Naakt zit ze in een fauteuil, penseel en poetslap in de hand, de bril scheef op haar neus. Haar oude lijf is uitgezakt, de borsten hangen er moedeloos bij, maar de helderblauwe ogen staan op scherp. Neel observeert zichzelf nauwkeurig. Ze aanvaardt de onttakeling van de ouderdom zonder schaamte en toont het vrouwelijk naakt zoals het is, niet zoals men het bij voorkeur wil zien. Het is een onbarmhartig portret in lumineuze kleuren, waarin alle kwaliteiten van haar schilderkunst samenkomen.

Alice Neel (1900-1984) schilderde portretten in een tijd waarin het genre dood en begraven leek. Abstract expressionisme, colorfieldpainting en pop art domineerden. Dat Neel haar leven lang tegen de stroom in roeide, illustreert haar lef en volharding. Nu, meer dan dertig jaar na haar dood, groeit haar reputatie als een van de prominente figuratieve schilders van de twintigste eeuw. Deze retrospectieve, zorgvuldig samengesteld door kenner Jeremy Lewison, zet die herwaardering kracht bij.

De kwaliteit wisselt. De eerste zalen tonen vroege werken uit de jaren twintig en dertig. Sommige schilderijen hellen gevaarlijk over naar de kitsch (Mother and Child, 1936), andere dreigen te verdrinken in sentimentaliteit (José, 1936) of neigen naar het karikaturale (Degenerate Madonna, 1930). Ze weerspiegelen allemaal wel iets van Neels tumultueuze kunstenaarsbestaan. Met haar eerste echtgenoot, een Cubaan, vertrok ze naar Havana. Hun eerste dochter overleed nog voor zij één jaar oud was, wat leidde tot een scheiding en Neels terugkeer naar Philadelphia. Geestelijk ingestort belandde de kunstenaar in een psychiatrische kliniek. In 1932 verhuisde ze naar New York, eerst naar Greenwich Village, later naar Spanish Harlem, waar zij thuis raakte in kringen van journalisten en dichters die tijdens de Grote Depressie begeesterd werden door het communisme. Ze schilderde de Puerto-Ricaanse immigranten uit de buurt en kreeg twee zonen (van twee verschillende minnaars) die ze merendeels als alleenstaande moeder opvoedde.

Twee portretten springen eruit. Het ene is een staand portret ten voeten uit van Neels tweede dochter, Isabetta (1934). Ze is nog geen vijf jaar en staat fier met de handen in haar zij, zich schijnbaar onbewust van het confronterende effect van haar onbedekte vagina. Neel breekt hier radicaal met de onschuldige, idyllische manier waarop meisjes gewoonlijk werden afgebeeld. Misschien herkende zij in Isabetta iets van haar eigen vrijgevochten, onafhankelijke karakter. Dat is tenslotte de magie van portretkunst: ze vertelt evenveel over de geportretteerde als over de portrettist. Het andere opvallende schilderij is Elenka (1936), een robuust portret van een onbekende vrouw. De combinatie van snelle penseelstreken, getekende lijnen en onbeschilderd linnen is een voorafschaduwing van de eigen stijl van schilderen die Neel later zou ontwikkelen.

In de volgende zalen met werken uit de jaren vijftig en zestig valt de zichtbare worsteling van de schilder op. Ze zoekt en probeert, poetst en corrigeert. De beeltenis van de communistische activist Art Shields (1951) herinnert aan het geploeter van Van Gogh. Dat onbeholpene, dat gebrek aan virtuositeit, maakt de schilderijen sympathiek en levendig. Sam (1958) verraadt hoe de kunstenaar uit alle macht heeft geprobeerd om met roze, mosgroen, oker en wit het gepijnigde gezicht van haar voormalige geliefde vorm en volume te geven.

Hoe ze haar best ook doet, nooit is het resultaat perfect. Nu eens is een arm te kort, dan weer een handje te slap. Neel komt ermee weg door haar vurige wil om een persoon van vlees en bloed af te beelden, alsof die pal voor je neus zit. Daar slaagt ze in met Laatste ziekte (1953), een portret van haar bejaarde moeder in kamerjas, onderuitgezakt in haar leunstoel. Vanachter haar brilletje staart ze je recht in de ogen.

Neel stond ambivalent tegenover het feminisme, maar het feminisme niet tegenover Neel. Zij werd op het schild gehesen als een ondergewaardeerde kunstenaar, wier naakten een feminiene draai gaven aan een door mannen gekoloniseerd genre. Een voorbeeld is het Munch-achtige Ruth Nude (1964), dat evengoed ‘rude nude’ had kunnen heten. Het model spreidt haar benen en biedt een niets verhullend zicht op haar met bruin schaamhaar getooide vagina. Elke vorm van idealisering ontbreekt. Elke gevoel voor erotiek trouwens ook. Alles wat verleidelijk of prikkelend zou kunnen zijn, is van een verpletterende gewoonheid.

De late portretten tonen Neel op haar best. Dat van Carmen bijvoorbeeld, de Haïtiaanse schoonmaakster (Carmen and Judy, 1972), of dat van haar schoondochter Nancy in verwachting (Pregnant Woman, 1971). Neel komt de eer toe dat ze zwangerschap tot onderwerp van de schilderkunst heeft gemaakt (de onbevlekt ontvangen maagden buiten beschouwing gelaten). Elk van de portretten is een optelsom van min of meer sprekende details – de aderen op een hand, een rij vergeelde voortanden, de lus van een teenslipper. Alleen de figuur en de partijen direct eromheen zijn uitgewerkt; de achtergrond blijft deels onbeschilderd, op wat summiere indicaties van een interieur na. Veel van de modellen zijn habitués uit de kunstwereld die Neel thuis uitnodigde om voor haar te poseren: critici als John Gruen en Meyer Shapiro, kunstenaar Robert Smithson (geteisterd door acne), galeriehouder Ellie Poindexter (een boosaardige trol) en de invloedrijke museumconservatoren Frank O’Hara en Henry Geldzahler. Helaas ontbreekt Neels meesterwerk: haar legendarische portret van een frêle, half ontblote Andy Warhol, bezaaid met littekens (het werd door het Whitney Museum niet uitgeleend). Wel aanwezig is het portret van Warhols assistent, Gerard Malanga (1969). Een eerdere poging om zijn rechterarm weer te geven is zichtbaar gebleven, waardoor hij lijkt op een veelarmige, grijnzende demon.

Jackie Curtis en Ritta Redd (1970) is het hoogtepunt van de dubbelportretten waarin Neel excelleerde. Rechts zit Curtis (bekend van Warhols films en door Lou Reed bezongen in Take a Walk on the Wild Side), links zijn partner Redd. Hij ziet er in zijn jeans en streepjestrui gewoontjes uit, terwijl Curtis als travestiet zich opvallend heeft opgemaakt, een doorschijnend bloesje draagt en poseert als een diva op het puntje van de sofa. Door Neels alerte weergave van uiterlijk, houding en kleding komt niet alleen iets bloot te liggen van hun persoonlijkheid, maar ook iets van de tijd waarin het schilderij is gemaakt, een periode van sociale verandering en emancipatie, van game changing moments als Stonewall en Woodstock.

Vrouwen, homoseksuelen, kunstenaars, immigranten, transgenders – Alice Neel portretteerde hen met open blik. Wat de meeste indruk maakt is echter niet haar sociale betrokkenheid, maar de grote gedrevenheid waarmee zij schilderde.

 

Alice Neel: schilder van de ziel, tot 12 februari 2017 in het Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, 2517 HV Den Haag (070/338.11.11; gemeentemuseum.nl). De tentoonstelling reist nog naar de Fondation Vincent van Gogh (Arles) en Deichtorhallen (Hamburg).