Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 185 januari-februari 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Cy Twombly

Over het werk van Cy Twombly (1928-2011) kan je desgewenst kort zijn, zoals zijn collega Donald Judd dat was in een recensie van een galerietentoonstelling uit 1964 in New York: ‘Twombly heeft al een tijdje niet meer geëxposeerd, en dat draagt bij tot dit fiasco. Op elk van deze schilderijen staan een paar draaikolken van rode verf, gemengd met een beetje geel en wit, en hoog geplaatst op een zachtgrijs oppervlak. Verder een paar druppeltjes en vlekken, af en toe een potloodlijn. Er is echt niets aan deze schilderijen. De poster voor de tentoonstelling is een voorbeeld van Twombly’s vroegere werk en het is met gemak het beste wat er te zien is. Twombly krabbelt meestal op een witte achtergrond, en hij gebruikt zelden kleur. Ik heb dat nooit meer dan zwakjes interessant gevonden, maar ik dacht wel dat de schilderijen goed werkten en dat Twombly iets in gedachten had.’ Einde bespreking. Judd had het over een reeks van negen schilderijen, elk haast anderhalve meter op twee meter, getiteld Nine Discourses on Commodus, en gemaakt in 1963. Deze reeks wordt getoond – en dat gebeurt nog maar voor de derde keer sinds de conceptie ervan – in een grote retrospectieve in het Centre Pompidou, het meest volledige overzicht van het oeuvre van Twombly sinds de dood van de kunstenaar in 2011. In de catalogus verklaart kunsthistoricus Nicholas Cullinan de eenzijdige afwijzing door Judd vooral vanuit het artistieke klimaat in de VS aan het begin van de jaren zestig, toen afwisselend pop art en minimalisme de toon aangaven. Twombly, die in 1957 naar Rome verhuisde, was in die scene een outcast; hij haalde de klassieke en Europese referenties aan en ondernam een idiosyncratische poging om de schilderkunstige traditie van het abstracte expressionisme te vernieuwen – die combinatie werd als verraad beschouwd.

Toch is die kunsthistorische context niet helemaal nodig om Judds afkeer te begrijpen. Er is iets onuitstaanbaar tijdloos aan Twombly’s werk, wat te maken heeft met het feit dat het zowel ‘makkelijk’ oogt (iedereen lijkt op die manier verf bij elkaar te kunnen kliederen) als heel moeilijk (wil de schilder hier iets mee zeggen, wie is die Commodus uit de titel, en welk ‘discours’ wordt er over hem gevoerd?). Het is een verdienste van de eenvoudig chronologisch opgebouwde retrospectieve in het Centre Pompidou om – vandaag – het belangrijkste of het meest onweerlegbare argument pro Twombly aan te reiken: deze man heeft aan een oeuvre gewerkt, bijna zestig jaar lang. Hij heeft zich nooit langer dan twee of drie jaar herhaald, maar van echte breuken is er geen sprake; overgangen en verschillen tussen periodes zijn makkelijk aan te duiden; om het even welke werken je naast elkaar zet, ze hebben altijd iets gemeenschappelijks – en de werken moeten haast naast elkaar staan om geapprecieerd te kunnen worden, omdat ze enkel zo aan vrijblijvende raadselachtigheid ontsnappen.

De belangrijkste beslissing aan de basis van zijn oeuvre is dat Twombly figuratief noch abstract heeft willen schilderen. De werkelijkheid wordt in zijn schilderijen niet realistisch nagebootst, maar toch is er altijd wel iets dat Twombly ‘uitbeeldt’. De eerder vermelde reeks Nine Discourses on Commodus uit 1963 is een goed voorbeeld. Op het eerste zicht gaat het om negen doeken zonder band tussen de verf en de buitenwereld, of tussen het doek en de realiteit. Er lijkt niet iets dat naast de schilderijen gezet kan worden om ze mee te vergelijken, en al is het werk het gevolg van een intensieve performance van de schilder, dan nog blijft enkel het schilderij over als resultaat van die action painting. Toch ligt het complexer, en de reden daarvoor is taal: de titels die Twombly aan zijn schilderijen geeft, al dan niet gecombineerd met de woorden, de tekstflarden of de onleesbare ‘schrijfsels’ die onderdeel uitmaken van de schilderijen zelf. Met die taal legt Twombly (meestal) een verband met de klassieke traditie: Commodus was een Romeinse keizer van 182 tot 190, en daarnaast een gewelddadige gladiator. Hij werd vergiftigd, maar hij braakte het gif uit, en niet veel later werd hij in zijn badkuip gewurgd. In de zaalteksten van de retrospectieve wordt het verband gelegd met John F. Kennedy, die werd vermoord toen Twombly werkte aan Nine Discourses on Commodus. Of het lot van een Romeinse keizer en van een Amerikaanse president bijna tweeduizend jaar later iets met elkaar te maken hebben, blijft onduidelijk, en dat is de bedoeling. Het laat een appreciatie toe voorbij de ergernis van Donald Judd: Twombly schildert om de wazigheid van referenties en vergelijkingen, en de instabiliteit van het contact met de geschiedenis te benadrukken, wat het verlangen naar kennis van het verleden niet minder groot maakt. In zijn recente essaybundel La ruse du tableau: la peinture ou ce qu’il en reste, schrijft Hubert Damisch hoe er in het werk van Twombly sprake is van ‘een driftmatige archeologie, als dusdanig verwant aan de grotendeels libidineuze echo die op het scherm van de schilderkunst kan worden opgewekt door enkele titels en motieven op te roepen waarmee de klassieke cultuur tot onze herinneringen doordringt. Het is alsof er geen andere toegang bestaat tot de erfenis die in het geheugen rondspookt, dan in het ontsnappen aan en in het uitwissen van die erfenis’. Dat blijft van toepassing op het felle en kleurige werk, vol wild druipende spiralen, dat Twombly aan het eind van zijn leven maakte, zoals de reeks Camino Real uit 2010, met een titel die verwijst naar een toneelstuk van Tennessee Williams waarin meer dan veertig personages uit de geschiedenis van de wereldliteratuur opdraven.

Toch zit er één breuk in de tentoonstelling in het Centre Pompidou: in een uithoek van het gebouw, enkele zalen voor het slot van de retrospectieve, wordt een twintigtal beeldhouwwerken van Twombly tentoongesteld, gemaakt sinds de jaren tachtig. Het resultaat is fabelachtig, omdat deze meestal witte, gammele en eerder kleine sculpturen deel gaan uitmaken van de skyline van Parijs, met in de verte bijvoorbeeld de Sacré-Coeur, en om de hoek de Eiffeltoren. Zo wordt het mogelijk om in deze beeldhouwwerken – meestal titelloze voorstudies van fictieve torens, of schaalmodellen van anonieme monumenten – een voorzichtige, weifelende en voorlopige poging tot verticaliteit terug te vinden, alsof ook de sculpturen van Twombly tegen beter weten in iets toevoegen aan de bijna verpletterende historische werkelijkheid.

 

Cy Twombly, tot 24 april in het Centre Pompidou, Place Georges Pompidou, 75004 Parijs (01/44.78.12.33; centrepompidou.fr).