Rixt Woudstra

DE WITTE RAAF

Editie 186 maart-april 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De privatisering van het publieke interieur

Over The Public Interior as Idea and Project van Mark Pimlott

Zowel het ‘private’ als het ‘publieke’ zijn essentieel voor het bestaan van de mens, betoogde Hannah Arendt meer dan zestig jaar geleden in The Human Condition (1958). Arendt plaatste de privésfeer – het familieleven, het huishouden en de opvoeding – tegenover het publieke domein, het politieke leven. Een van de meest intrigerende aspecten van haar enigszins idealistische en abstracte analyse is dat deze noties een ruimtelijke dimensie bezitten. Zonder er uitgebreid op in te gaan, relateert ze het privédomein aan het huis, de oikos, en het publieke domein aan het plein, de agora. Het huis is niet alleen de plek waar de mens zich kan terugtrekken, maar ook bepaalde zaken verborgen kan houden voor het publiek, schreef ze. De muren van het huis verhullen én bieden bescherming. Ook het bestaan van het publieke domein vereist een concrete ruimte: politieke activiteiten en democratisch debat kunnen alleen plaatsvinden waar mensen elkaar in levende lijve kunnen ontmoeten.

Het nieuwe boek van Mark Pimlott, kunstenaar, architect en universitair docent architectuur aan de TU Delft, gaat over deze verstrengeling tussen het publieke domein en de gebouwde omgeving, maar benadert deze discussie vanuit een architectuurhistorisch perspectief. In The Public Interior as Idea and Project nuanceert Pimlott het door Arendt gemaakte onderscheid tussen de privésfeer als overdekte, beschermde ruimte en het publieke domein als ruimte in de openlucht door de notie van het ‘publieke interieur’ voor te stellen, oftewel de publieke ruimte die ‘binnen’ is. Terwijl zijn vorige boek, Without and Within: Essays on Territory and the Interior (2007), over het interieur in algemenere zin ging, concentreert Pimlott zich nu op het publieke interieur als specifieke categorie. In plaats van ‘publiek’ te definiëren als 'openbaar toegankelijk' of 'openbaar bezit', beschrijft Pimlott in zes thematische hoofdstukken de geschiedenis van interieurs die als publiek ervaren worden: publieke interieurs zijn ‘those spaces taken to be public, even though they may be privately owned and operated’. In de inleiding geeft Pimlott het winkelcentrum als voorbeeld: een interieur dat niet publiek is in de traditionele zin van het woord, maar wel als dusdanig wordt beleefd. Het ‘publieke’ in The Public Interior as Idea and Project vertoont dan ook weinig overeenkomsten met Arendts definitie van het publieke domein. Publieke interieurs zijn ruimtes ‘within which we consider ourselves to be free individuals, and where we see ourselves among others’, schrijft Pimlott. Een publiek interieur is met andere woorden een collectieve ruimte, een ruimte waar sociale interactie kan plaatsvinden tussen mensen die vreemden voor elkaar zijn.

In elk hoofdstuk bespreekt Pimlott een reeks publieke interieurs aan de hand van een thema, zoals ‘de tuin’, ‘het paleis’, ‘de schuur’ en ‘de machine’. Na een korte omschrijving van dat thema beargumenteert hij telkens hoe deze gebouwtypes (de hut) of abstracte ideeën (de machine) publieke interieurs hebben beïnvloed. In het hoofdstuk over het paleis licht Pimlott bijvoorbeeld toe hoe het idee van het paleis vanaf de negentiende eeuw doorwerkte in ontwerpen voor publieke interieurs zoals warenhuizen (paleizen van consumptie), wijkcentra (paleizen voor het volk), musea (paleizen voor cultuur) en parlementsgebouwen (paleizen van de republiek). Hoewel de hoofdstukken niet chronologisch zijn opgebouwd, eindigt Pimlott bijna altijd met een recent voorbeeld. Het boek, prachtig vormgegeven en geïllustreerd, is duidelijk gebaseerd op een collegereeks voor Pimlotts architectuurstudenten aan de TU Delft. Elk hoofdstuk is een hoorcollege. The Public Interior… is dan ook in de eerste plaats geschreven voor architecten en ontwerpers, en minder voor academici. Dit uit zich onder andere in de manier waarop Pimlott zich vrijelijk door de geschiedenis van de architectuur beweegt: hij springt van het ene gebouw naar het andere, zonder veel aandacht te schenken aan de specifieke politieke, sociale en culturele context waarin deze ontwerpen tot stand kwamen.

Pimlotts uitgangspunt is dat het publieke interieur een intrinsiek onderdeel is van de moderne wereld en ontwikkeld werd in relatie tot de burgerlijke maatschappij vanaf de achttiende eeuw. De plek waar dit fenomeen ontstond is de moderne metropool, schrijf Pimlott in de inleiding. Dit idee is niet geheel nieuw: de socioloog Jürgen Habermas betoogde in De Structurele Verandering van de Openbare Sfeer op analoge wijze dat de publieke sfeer ontstond in West-Europa ten tijde van de Renaissance en tot bloei kwam in de achttiende eeuw. Voor Habermas, net als voor Arendt, wordt de publieke sfeer gekarakteriseerd door een vrije uitwisseling van ideeën. De socioloog Richard Sennett benadrukte in The Fall of Public Man de rol van de publieke sfeer in de ontwikkeling van de publieke ruimte, en beschreef hoe steden als Londen en Parijs in de achttiende eeuw vorm gaven aan een publiek milieu. Pimlott illustreert zijn stelling in het eerste hoofdstuk met wat allicht als het beroemdste publieke interieur uit de geschiedenis van de architectuur kan worden beschouwd: Joseph Paxtons Crystal Palace, gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1851 in Londen. Het enorme glazen gewelf, mogelijk gemaakt door een gietijzeren constructie, was kenmerkend voor de ambities van de moderne metropool, schrijft Pimlott, en zou beeldbepalend worden voor het publieke interieur. Les Halles, de markthallen van Parijs ontworpen door Victor Baltard, en het iets later gerealiseerde Pennsylvania Station in New York van McKim, Mead and White, zijn hier andere voorbeelden van. Een meer specifieke uitleg over hoe het publieke interieur gerelateerd is aan de moderne staat blijft echter achterwege. Het publieke interieur was een antwoord op de moderne staat ‘with its specialised organisation of functions’, verklaart Pimlott, maar welke functies hiermee bedoeld worden, is niet duidelijk. Tentoonstellingshallen, musea, stations, en later winkelcentra en vliegvelden, zijn voorbeelden van publieke interieurs in de moderne wereld, maar er zijn – zoals Pimlott zelf ook aangeeft in de inleiding – genoeg voorbeelden te bedenken die veel ouder zijn.

Het meest geslaagd zijn de hoofdstukken gewijd aan een gebouwtype. In het hoofdstuk over ‘de schuur’ bespreekt Pimlott onder meer Les Halles, Pennsylvania Station, het Javits Center in New York (een groot congrescentrum) en een aantal ontwerpen voor tentoonstellingsruimtes, waaronder FRAC Nord-Pas de Calais, het centrum voor hedendaagse kunst in Duinkerke ontworpen door Lacaton en Vassal. De tentoonstellings- en congrescentra zijn ruimtes – hallen – die geen vastomlijnd programma hebben. ‘It was their status as sheds that communicated their simple message: anything and everything could occur under their shelter’, schrijft Pimlott. Lacaton en Vassal transformeerden een voormalig boothuis in de haven tot een kunstcentrum door er een nieuwe glazen hal van hetzelfde formaat naast te zetten. De typologie van de hal, of ‘de schuur’, geeft aan dat het interieur een open ruimte is, suggereert Pimlott. Een van de vele andere voorbeelden van industrieel erfgoed omgevormd tot expositieruimte voor moderne kunst is de Turbine Hall van de Tate Modern in Londen, ontworpen door Herzog & de Meuron. Hoewel deze publieke interieurs minder ‘vrij’ en ‘open’ zijn dan Pimlott voorhoudt – er worden immers programma's in gerealiseerd die geld moeten opleveren – weet hij het ontwerp van het interieur hier aan het ‘publieke’ te verbinden.

In de delen opgehangen aan een abstracter thema is het verband tussen de ontwerpen en de notie van het publieke interieur minder duidelijk. Een hoofdstuk gewijd aan ‘de ruïne’ groepeert bijvoorbeeld de Bank of England (1788-1833) van John Soane, de bibliotheek van Stockholm ontworpen door Erik Gunnar Asplund (jaren twintig) en de Exeter Library (1971) van Louis Kahn in New Hampshire. Soane was geobsedeerd door de klassieke oudheid, Asplund incorporeerde Egyptische motieven in zijn ontwerp, en Kahn bracht tijd door in Rome en Athene – maar zegt dat iets over het fenomeen van het publieke interieur? Soanes eigen huis in Londen was bijvoorbeeld evengoed beïnvloed door de klassieke oudheid. In deze hoofdstukken leest The Public Interior te veel als een overzichtsboek: het is een aaneenschakeling van voorbeelden die elkaar in rap tempo opvolgen, maar stuk voor stuk niet echt uit de verf komen. Tegelijkertijd duidt de verscheidenheid van Pimlotts voorbeelden aan dat ‘invloed’ een problematisch uitgangspunt is als het gekozen thema te abstract blijft. Een weinig specifiek thema als ‘de ruïne’ kan gerelateerd worden aan tal van publieke interieurs uit verschillende periodes, maar dergelijke vergelijkingen leveren nauwelijks nieuwe inzichten op. De selectie van voorbeelden maakt tevens duidelijk dat Pimlott een wel erg brede definitie hanteert van interieurs die als publiek ervaren kunnen worden: kan een negentiende-eeuwse sociëteit voor heren, de Reform Club in Londen – een ruimte die de helft van de bevolking uitsluit – daadwerkelijk als ‘publiek paleis’ worden betiteld?

Het publieke interieur is in toenemende mate een plek voor consumentisme geworden, stelt Pimlott in een korte reflectie op de status van het hedendaagse publieke interieur in het laatste hoofdstuk over ‘het netwerk’. De relatie tussen publiek interieur en consumptie loopt als een rode draad door het hele boek. Niet toevallig keert Crystal Palace meerdere malen terug, het beeld waarmee ook Peter Sloterdijk zijn boek Het Kristalpaleis: Een filosofie van de globalisering opent. In dat boek interpreteert Sloterdijk het Crystal Palace als een allegorie voor de moderne wereld, een paleis van consumptie en koopkracht, de ‘binnenruimte’ van het kapitalisme. Een ander publiek interieur genoemd door Pimlott, de passages van Parijs, overdekte winkelstraten die gebouwd werden omstreeks dezelfde tijd, werden door Walter Benjamin als de ‘centra van de handel in luxeartikelen’ en ‘fantasmagorieën van de markt’ bestempeld. Pimlott interpreteert dit idee vrij letterlijk door te beschrijven hoe consumeren een activiteit is geworden die binnen plaatsvindt. De shoppingmall, die ontstond in de jaren vijftig, is een later voorbeeld van hetzelfde fenomeen ­– Pimlott noemt het ontwerp van het eerste Amerikaanse winkelcentrum in 1956 in Southdale, Minnesota, van de Oostenrijkse architect Victor Gruen: vanbuiten een grote box, vanbinnen een glimmende wereld van roltrappen, tropische planten en airconditioning. De shoppingmall ging nog een stap verder dan de Parijse passages. Waar de passages geroemd werden om hun transparantie, was bij Southdale Center van buitenaf niets te zien. Gruen zelf noemde zijn ontwerp ‘introverted’; de winkels in het gebouw waren naar binnen gekeerd.

Uiteindelijk komt Pimlott tot dezelfde conclusie als Michael Sorkin, Rem Koolhaas en Mike Davis twintig jaar geleden: de oprukkende privatisering vormt een bedreiging voor het publieke domein. De privatisering van het publieke interieur heeft gevolgen voor het gedrag in deze ruimtes, maar vermindert vooral de capaciteit van het publieke interieur ‘to accommodate and represent all’. Dit is een opvallende conclusie. Aangezien veel van de publieke interieurs die besproken worden in The Public Interior slechts toegankelijk waren voor een deel van de bevolking, is het opmerkelijk dat Pimlott zich zorgen lijkt te maken over de toenemende privatisering. Het idee dat het publieke interieur, zoals Pimlott dat beschrijft, ooit een correcte afspiegeling was van de samenleving, is een illusie.

 

Mark Pimlott, The Public Interior as Idea and Project, in 2016 verschenen bij Jap Sam Books, Hoge Heijningsedijk 5, 4794 AA Heijningen (087/875.55.79; 0168/769.014; nl.japsambooks.nl).