Wouter Davidts

DE WITTE RAAF

Editie 186 maart-april 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Donald Judd. Writings

Voor de Amerikaanse kunstenaar Donald Judd kwamen het schrijven van teksten en het maken van kunst voort uit eenzelfde drijfveer. Judd hield ervan te schrijven, en voelde zich ongemakkelijk als hij er een tijdlang niet aan toe kwam. Judd schreef, zo valt op te maken uit een ongepubliceerde notitie van 7 december 1986, om iets te lezen te hebben, zoals Barnett Newman ooit beweerde te schilderen om iets te zien te hebben. Verderop in diezelfde notitie geeft Judd ook aan dat hij schrijft om zijn eigen geschiedenis juist op te tekenen. Om te vermijden dat jouw leven en werk door anderen vertekend wordt weergegeven, zo stelt de kunstenaar, pen je de feiten best zelf neer.

Deze nieuwe verzameling geschriften van Judd maakt duidelijk dat de kunstenaar naar dit credo geleefd en gewerkt heeft. Het prachtig vormgegeven volume brengt voor het eerst een volledig overzicht van zijn leven als schrijver in de kunstwereld. Het opent met drie voorheen ongepubliceerde teksten uit Judds tijd aan Columbia University, waar hij filosofie en kunstgeschiedenis studeerde, alvorens zijn eerste stappen in de kunst te zetten. De laatste tekst dateert uit het jaar voor zijn dood in 1994.

Aan Columbia volgde Judd onder meer het vak Moderne Schilderkunst bij de befaamde kunsthistoricus Meyer Schapiro, voor wie hij een paper schreef over het olieverfschilderij Ainlee (1957) van James Brooks. In deze tekst liet hij zich al opmerken door een exhaustieve beschrijving van het kunstwerk – hij analyseerde trouwens Brooks' schilderij in een voorbereidende tekening met verf, pen en papier – en door een ongezouten oordeel. Beide aspecten zullen zijn teksten blijven kenmerken. Na zijn afstuderen in 1959 klust Judd bij als recensent voor toonaangevende kunsttijdschriften als Arts (later Arts Magazine) en Art International. Hij schrijft gemiddeld een vijftiental recensies per maand. Op korte tijd ontpopt hij zich tot een gevreesde stem in het rijke en vaak bitse debat over de nieuwste ontwikkelingen in de beeldende kunst dat zich in de vroege jaren zestig in New York op de pagina’s van kranten en tijdschriften ontplooit. Zo bondig en genadeloos als Judd is voor de kunst die hij minderwaardig acht, zo genereus is hij in zijn aandacht voor collega’s die hij bewondert. Zijn lectuur van het werk van uiteenlopende figuren als Lee Bontecou, Jackson Pollock, Newman, John Chamberlain of Claes Oldenburg behoort nog steeds tot het beste dat over deze kunstenaars is geschreven. In 1961 kruipt Judd zelfs in zijn pen om een aanbevelingsbrief te schrijven ter ondersteuning van de aanvraag van de bevriende kunstenares Yayoi Kusama bij de Amerikaanse dienst voor immigratie en naturalisatie (INS). Na een lange en bevlogen beschrijving van Kusama’s werk en aanpak, en een vergelijking met het werk van de belangrijkste Amerikaanse kunstenaars van dat moment, besluit Judd met de woorden van Pollock dat 'de basisproblemen van de hedendaagse schilderkunst losstaan van een land'. Kusama mag dan wel een Japanse zijn, en onrechtstreeks beïnvloed zijn door Still, Rothko en Newman, haar werk is noch speciaal Amerikaans noch uitdrukkelijk Japans: 'Ze is enkel nog internationaal en overstijgt alle verdachte en overbodige tradities.' Waar zijn de tijden dat er nog geloofd werd dat een dergelijk betoog een meerwaarde kan betekenen in een dossier voor de dienst vreemdelingenzaken?

Tot op heden zijn er drie volumes met geschriften van Judd gepubliceerd. Het eerste volume van The Press of the Novia Scotia College of Art and Design (1959-1975) werd in 2015 opnieuw uitgegeven, de andere twee volumes zijn intussen verzamelobjecten. Het tweede deel (1975-1986) stond onder redactie van Rudi Fuchs, een goede vriend en vertrouweling van de kunstenaar, en werd in 1987 gepubliceerd door het Van Abbemuseum. Een derde volume met Judds teksten over architectuur werd in 1989 uitgegeven door de Westfälischer Kunstverein in Münster onder leiding van Marianne Stockebrand, de laatste levensgezellin van de kunstenaar en huidig directeur van de Chinati Foundation. Een grote verdienste van het nieuwe boek is dat het ook materiaal uit de twee voorgaande boeken bevat. Uit het eerste volume werd erg selectief gekozen, met als gevolg dat de vele korte recensies uit de boot zijn gevallen. Die afwezigheid wordt echter ruimschoots gecompenseerd door een groot aantal voorheen onuitgegeven ‘notities’. Judd hield geen dagboek bij, maar maakte korte, steevast met urgentie geschreven notities op losse bladen papier. Onder leiding van Judds zoon Flavin en de archivaris Caitlin Murray is een selectie van deze aantekeningen uit het omvangrijke archief van de Judd Foundation getranscribeerd en geannoteerd. Ze verfijnen het beeld van de brede intellectuele horizon van Judd, maar geven ook een inkijk in zijn dagelijkse besognes. Op sommige dagen filosofeert de kunstenaar over het particuliere en het algemene aan de hand van filosofen als Giambattista Vico, Lucretius en Plato, op andere foetert hij tegen de kunstwereld en de stompzinnigheid van de bureaucraten die erin actief zijn. Soms briljant, dan weer venijnig, de gedachten van Judd vervelen nooit. De boeiendste fragmenten zijn echter die waarin de kunstenaar het werk van andere kunstenaars beschrijft of ‘leest’. Dat was al niet anders in de vroege recensies, waarin Judd zijn eigen begrip van kunst zorgvuldig bijvijlde door naar het werk en de beslissingen van anderen te kijken. Zijn 'deeltijdse job' als recensent liet hem toe om te bepalen hoe hij zichzelf als kunstenaar zou positioneren.

In de korte, haast aforistische bespiegelingen kom je uiteindelijk het meeste te weten over de kunstenaar Donald Judd, over wat hem artistiek dreef. Zo noteert hij in oktober 1984 in twee bedrieglijk eenvoudige zinnen dat 'Pollock en Chamberlain direct omgaan met chaos, geluk, willekeur, en toeval'. Dat Judd beide kunstenaars uitermate bewondert, betekent echter niet dat hij hun aanpak deelt: 'Ik spreek hun idee van de wereld niet tegen, maar kijk er op een andere manier tegenaan.' Net als Pollock en Chamberlain wil Judd niet langer de wereld representeren, maar een verhouding tot die wereld materialiseren. Alleen zijn aanpak verschilt.

 

Donald Judd Writings (red. Flavin Judd & Caitlin Murray), Marfa/New York, Judd Foundation/David Zwirner Books, 2016 (davidzwirnerbooks.com; juddfoundation.org).