nr185
januari-februari 2017

'Dit is mooi.' 'Dat vind ik lelijk.' Bijna dagelijks spreken we dergelijke smaakoordelen uit, niet alleen over kunst, maar over alle dingen in onze omgeving: van kleren en huizen tot servies en meubilair – én onze medemens. Daarbij gaan we ervan uit dat 'lelijk' en 'mooi' tegengestelde uitingen zijn van dezelfde 'esthetische blik' op de dingen, de negatieve en positieve versie van één schoonheidsoordeel. Niets is minder waar, zo toont Bart Verschaffel aan in de openingstekst van dit nummer. De schoonheidservaring wordt traditioneel gekenmerkt door een 'belangeloos welbehagen' – waarbij het voorwerp van esthetische contemplatie van elk onmiddellijk nut of belang wordt ontdaan. De 'lelijkheidservaring' vertrekt daarentegen van een pre-esthetische betrokkenheid, en is minder zuiver, ambiguer. 'De dreiging van het monsterlijke en de besmetting door het vormloze' kunnen in de kunst geïntegreerd en dus geësthetiseerd worden, maar zijn zélf totaal niet van een esthetische orde. Het brengt Verschaffel tot de volgende, puntige formulering van de 'functie' van kunst: 'We hebben de kunst nodig om een glimp op te vangen van alles wat we niet in de ogen kunnen of durven kijken.'

Koen Brams bespreekt de openingstentoonstelling van de Galerie MTL, die in de jaren zeventig vooral de 'conceptuele kunst' in België binnenbracht: een expositie van Marcel Broodthaers (13 maart – 10 april 1970). Brams analyseert haarfijn de strategieën – zoals het gebruik van herhaling en het inzoomen op de 'materialiteit van de betekenaar' – die Broodthaers toepast om de betekenis van het kunstwerk uit te hollen en toont aan dat de kunstenaar die interesse in betekenisloosheid deelt met MTL-galerist Fernand Spillemaeckers. Nog een stuk verrassender is de relatie die Brams legt tussen Broodthaers' eerste MTL-tentoonstelling en zijn mythisch debuut als beeldend kunstenaar in de Brusselse galerie Saint-Laurent in 1964. De MTL-expo blijkt niets minder dan een 'versie 2.0' van die debuuttentoonstelling te zijn. Broodthaers houdt er ten tweeden male zijn beslissing om kunstenaar te worden tegen het licht en neemt het kunstbedrijf op de hak.

Fieke Konijn bespreekt de retrospectieve tentoonstelling Jean Tinguely – Machinespektakel in het Stedelijk Museum Amsterdam. Zij stelt vast dat de makers interessante 'performatieve strategieën' hebben bedacht om de onvermijdelijke 'sterilisering' van Tinguely's kinetische kunstwerken te counteren. Anderzijds loert ook de 'eenzame cultus van het genie' om de hoek in deze monografische expositie én wordt de rol van het eigen instituut in de carrière van de Zwitserse kunstenaar al te zeer benadrukt. Tineke Reijnders bezocht een overzicht van Robert Filliou in het M HKA te Antwerpen en constateert dat het onmogelijke gewaagd werd – 'de kwikzilveren geest van Filliou in materiële kunstwerken vangen' – en dat het museum een waardevolle uitgave op de markt bracht: Robert Filliou. The Secret of Permanent Creation, zowat de 'nieuwe bijbel voor de Filliou-adept'.

Birgit Cleppe en Steven Jacobs bespreken een achttal documentaires en filmessays waarin het Parijse Louvre de hoofdrol speelt. Zij laten zien hoe deze films samenhangen met twee belangrijke transformaties die het museum onderging, respectievelijk van de jaren dertig tot de jaren vijftig, en vanaf de late jaren tachtig. De oudere films (van René Huyghe, Maurice Cloche…) reflecteren het pedagogische, maar ook 'sacraliserende' project achter de reorganisatie van de collectiepresentatie. De recentere films (van Nicolas Philibert, Straub & Huillet…) kunnen als een kritische beschouwing op het 'postmoderne Louvre' worden gezien. Tot slot belicht Wolfgang Ullrich een nieuwe manier waarop kunstenaars hun auteursrecht inzetten: zij gebruiken het steeds vaker om de beeldvorming omtrent hun oeuvre te controleren en maken daarmee het onafhankelijke werk van anderen – critici en onderzoekers – onmogelijk.

ESSAYS

Omtrent het lelijke

Bart Verschaffel

Marcel Broodthaers, 1970

'Le but de l'art est commercial. Mon but est également commercial. Le but (la fin) de la critique est tout aussi commercial.'

Koen Brams

Robert Filliou in Antwerpen

'The secret of permanent creation'

Tineke Reijnders

Het Louvre en de kunstfilm als museumkritiek

Birgit Cleppe, Steven Jacobs

BESPREKINGEN


beeldende kunst


Decor

Maarten Liefooghe

Alice Neel

Dominic van den Boogerd

René Magritte. La trahison des images

Christophe Van Gerrewey

Cy Twombly

Christophe Van Gerrewey

Tino Sehgal

Christophe Van Gerrewey

publicaties


Nieuwe publicaties

Marc Goethals

ENGLISH SUMMARY


→ read more

Bart Verschaffel – On the Ugly

Beauty and ugliness are usually seen as positive and negative versions of the 'aesthetic judgment'. But in this text Bart Verschaffel argues that 'the ugly' and 'the beautiful' should not be seen as extreme poles of the same continuum and that although 'the ugly' can be integrated in an experience of beauty – as happens in much modern art – the experience of ugliness is fundamentally different from that of beauty, entailing a digestion of primary emotions and reactions that precede the aesthetic and are connected to (the experience of) the threat of the monstrous and the infection of the formless. Verschaffel illustrates the pre-aesthetic origins of 'the ugly' with two childhood memories recounted by Paul Valéry in his Inspirations méditerranéennes. He argues that Valéry teaches us what (especially modern) art 'does': transforming the disgusting and the formless into a digestible spectacle, in which horror/disgust and beauty/fascination are inextricably mixed.

Beauty – Aesthetics – Ugliness – Paul Valéry

 

Koen Brams – Marcel Broodthaers, 1970. 'Le but de l'art est commercial. Mon but est également commercial. Le but (la fin) de la critique est tout aussi commercial.'

This text discusses the first exhibition organized by Galerie MTL (a key Belgian gallery that promoted 'conceptual art'), a show by Marcel Broodthaers that ran from 13 March to 10 April 1970. Brams analyses Broodthaers' use of repetition in this show and the interest it demonstrates in the erosion of meaning. He argues that the artist shared this interest with the gallery owner, Fernand Spillemaeckers. He goes on to show that Broodthaers' first MTL show can be seen as a revised version of his debut as a visual artist in Galerie Saint Laurent six years earlier (Brussels, 1964): in both shows 'old' materials of Broodthaers (such as the poems he used to write before 1964) are processed; both shows critique the art market and comment on the gallerist who invited the artist.

Marcel Broodthaers – conceptual art – Galerie MTL (Brussels, 1970-1979) – Fernand Spillemaeckers

 

Fieke Konijn – Tinguely in the Stedelijk Museum, installation as interpretation 

This text analyses the exhibition Jean Tinguely – Machine Spectacle, which is now running at the Stedelijk Museum, Amsterdam. Konijn praises the exhibition for its 'performative strategies' developed in order to compensate for the fact that these kinetic works are not allowed to 'work' (i.e. move). At the same time she criticizes the show for overemphasizing Tinguely's historic relation with the Stedelijk Museum and downplaying his important connections with other curators and institutions.

kinetic art – modern art – Stedelijk Museum Amsterdam – Jean Tinguely

 

Tineke Reijnders – Robert Filliou in Antwerp. 'The secret of permanent creation'

This text discusses a recent overview of the work of French artist Robert Filliou at the Museum of Contemporary Art of Antwerp (M HKA). A subtext running through Reijnders' discussion is the impossibility of capturing Filliou's mercurial ideas through his material art works. The author praises the museum for publishing the book Robert Filliou – The Secret of Permanent Creation, which contains the artist’s unedited conversations with critic/editor Irmeline Lebeer in August 1976 in Flayosc (France).

Robert Filliou (1926-1987) – Museum of Contemporary Art, Antwerp (M HKA)

 

Birgit Cleppe & Steven Jacobs – The Louvre and the art film as museum critique

This text discusses eight films – documentaries and experimental films – on the Louvre in Paris. The authors explain how these films deal with two transformations the museum underwent, one from the 1930s to the 1950s, the other from the late 1980s onwards. Cleppe and Jacobs argue that the films made during the first period – Rubens et son temps (René Huyghe, 1938), Les Pierres vives (Fernand Marzelle, 1951)… – can be read as representations of an ideal museum visit. On the other hand, more recent essayistic films (or artists’ films) – La Ville Louvre (Nicolas Philibert, 1990), Visite au Louvre (Jean-Marie Straub & Danièle Huillet, 2003)… – critically reflect on the 'postmodern Louvre'. The authors conclude with a comment on Francofonia (Alexander Sokurov, 2015), a film which synthesizes the two key periods in the history (of transformations) of the Louvre.

Art documentary – institutional critique – Louvre

 

Wolfgang Ullrich – How the work of art critics and art historians is made impossible

This texts recounts how artists in recent times have used their copyright in a new manner – to control the public image of their oeuvre. Ullrich argues that much critical work and art historical research tends to be undermined or even made impossible by these new practices. At the same time, he argues that these attempts are rendered senseless and devoid of meaning as a result of the anarchistic way in which reproductions of art works are used on the internet.

authorship – contemporary art – copyright

← back