nr120
maart-april 2006

Extreem-rechts over de (taal)grens

Extreem-rechts, het is niet alleen een Vlaams fenomeen. In onze reeks over het Vlaams Blok/Vlaams Belang gaan we om deze reden ook buiten Vlaanderen kijken - naar Wallonië en Nederland om precies te zijn. Het levert meteen een uiterst gevarieerd beeld op. In Vlaanderen kent het VB sinds het begin van de jaren ’90 een gestage groei, en bekoort de partij inmiddels een kwart van de kiezers. In Nederland leek er lang geen vuiltje aan de lucht, tot Oranje in 2002 plots ontwaakte in een “poel van onbehagen”. En in Wallonië haalde extreem-rechts bij de recente verkiezingen her en der stevige percentages, maar de groeimarge blijft er – zo betoogt Guido Fonteyn in dit nummer – beperkt.

In de openingstekst vertrekt Hans Blokland van de hysterie die uitbrak na de moord op Pim Fortuyn, en vooral van het onvermogen van de Nederlandse bewindslieden om hiermee om te gaan. De politici waren met verstomming geslagen. Ze hadden het helemaal niet zien aankomen. Hoe valt die blindheid te verklaren? En hoe kan het ongedifferentieerde onbehagen politiek worden gearticuleerd? Een antwoord op deze vraag wordt gegeven in een algemenere tekst over democratie en extreem-rechts in dit nummer: Patrick De Vos’ introductie van het werk van de Belgische politieke theoretica Chantal Mouffe.

In zijn analyse van de Waalse situatie legt Guido Fonteyn uit waarom Wallonië, hoezeer de sociaal-economische toestand zich er ook toe leent, toch geen voedingsbodem biedt voor extreem-rechts. Eén factor draagt zijn bijzondere aandacht weg: het “piramidale systeem” dat de oppermachtige Parti Socialiste sinds generaties heeft uitgebouwd in Wallonië. Veel Vlamingen, zo vermoedt Fonteyn, zien extreem-rechts maar al te graag vooruitgaan in Wallonië, want dat verlicht hun schuldcomplex over het VB-succes in eigen streek. Maar is het succes van het Waalse Front National wel zo weinig verontrustend als Fonteyn stelt? Stof genoeg om Fonteyns analyse te laten volgen door een gesprek met de auteur, waarin Koen Brams en Dirk Pültau de ‘bescheiden’ successen van het VB in het begin van de jaren ’90 in herinnering brengen.

Verder bevat dit nummer nog bijdragen over de tentoonstellingsmaker Jean Clair in het algemeen en zijn melancholietentoonstelling in het bijzonder (Bart Verschaffel); over Hitchcocks omgang met musea en monumenten (Steven Jacobs); en over de recente film Chats perchés van Chris Marker (Sven Lütticken).

ESSAYS

De bedreiging komt van binnen

PS-piramide versus uiterst-rechts

Guido Fonteyn

De tentoonstelling als kennisvorm

Over Mélancolie, Génie et folie en Occident van Jean Clair

Bart Verschaffel

The Tourist Who Knew Too Much

Monumenten en musea in het werk van Alfred Hitchcock

Steven Jacobs

L'Image-chat

Over Chris Markers Chats perchés

Sven Lütticken

BESPREKINGEN


beeldende kunst


Franky D.C.

Dirk Pültau

Shirin Neshat

Kees Keijer

Satellite of Love

Gijs van Oenen

Angela Bulloch

Wouter Van Acker

Ed Ruscha Photographe

Steven Jacobs

Recollecting Landscapes

Steven Humblet

architectuur



publicaties


Kunst im Sehverlust

Jeroen Peeters
← back