nr128
juli-augustus 2007

De formattering van het museum

De musea, vooral die van actuele kunst, serveren vandaag steeds vaker een even eclectisch als copieus menu. De kwantiteit is overdonderend, het aanbod divers, de formats steeds weer anders. Er lopen vier, vijf monografische tentoonstellingen tegelijk, en de collectie wordt in stukjes en brokjes gehakt en met zogenaamde ‘interventies’ doorspekt die zelden boven een anekdotische gimmick uitstijgen. Van een discursieve link tussen de onderdelen is amper sprake, en de – gesuggereerde – dynamiek is op geen enkele artistieke visie gestoeld. Camiel van Winkel argumenteert in dit nummer dat de idee van het ‘einde van de kunstgeschiedenis’ een vrijbrief lijkt om het museumaanbod te verruimen en te diversifiëren: de teloorgang van een dwingend kunsthistorisch verhaal zet de deur open voor een eindeloze combineerkunst. Het effect van deze op het eerste zicht veelgelaagde, meerzinnige, alleszins overdadige programmatie is desoriëntatie, het gevoel er als toeschouwer voor spek en bonen bij te lopen. Niet zelden – zo geeft Gijs van Oenen aan – zijn het ook juist interactieve kunstwerken die ons met dat sentiment opzadelen.

Vaak lijkt het evenwel om een vorm van klantenbinding te gaan. Zo voert Fieke Konijn aan dat de presentatie in het Boijmans vooral keurig kunsthistorisch is en dat de ‘interventies’ al even braafjes ogen, maar de nummering van beide onderdelen (De collectie één; Interventie #1, #2…) wekt de indruk dat de bezoeker een vervolg mag verwachten. De klant wordt vriendelijk verzocht tevreden terug te keren, om een slogan van een Belgische supermarkt te parafraseren.

Shoppen dus: niet voor niets lijken de musea steeds vaker op winkelcentra, zelfs in hun architectuur, zo blijkt onder meer uit Wouter Davidts’ analyse van het nieuwe Stedelijk door Benthem Crouwel Architecten. Wim Cuyvers betoogt dat deze tendens ten koste gaat van het publieke karakter waar musea juist de mond vol van hebben: volgens hem zijn de musea juist nooit privater geweest. Ook Marjolijn Dijkman stelt vast dat musea steeds minder op… musea lijken. Dijkman illustreert dat aan de hand van een dubbele beeldtekst, met op de linkerpagina beelden van musea, en daartegenover beelden van plekken die aan de musea van vandaag doen denken. Julie Peeters gaf vorm aan deze beeldtekst die zoals elke tekst van links naar rechts en van boven naar onder kan worden gelezen.

Beginnen doen we echter met een stimulerend perspectief: in Genève bevindt zich het Mamco waar verandering eveneens de regel is, met dat verschil dat ze geen doel op zich is, maar deel uitmaakt van een reflexieve methode. Het Mamco ‘verzamelt tentoonstellingen’; het werkt met een serie ensembles, vooral monografische, maar ook zeer heterogene, die tot wisselende configuraties herschikt en permanent heropgevoerd kunnen worden. Veranderen staat hier dus gelijk met nadenken – in zekere zin is het geheugen van die discursieve praktijk zelfs het meest waardevolle bezit van het museum.

Tot slot bevat dit nummer een tekst van Dirk Lauwaert over de actrice Asta Nielsen.