ESSAYS

Omtrent het lelijke

Bart Verschaffel

Marcel Broodthaers, 1970

'Le but de l'art est commercial. Mon but est également commercial. Le but (la fin) de la critique est tout aussi commercial.'

Koen Brams

Robert Filliou in Antwerpen

'The secret of permanent creation'

Tineke Reijnders

Het Louvre en de kunstfilm als museumkritiek

Birgit Cleppe, Steven Jacobs

BESPREKINGEN


beeldende kunst


Decor

Maarten Liefooghe

Alice Neel

Dominic van den Boogerd

René Magritte. La trahison des images

Christophe Van Gerrewey

Cy Twombly

Christophe Van Gerrewey

Tino Sehgal

Christophe Van Gerrewey

publicaties


Nieuwe publicaties

Marc Goethals

DIGITAAL +

digitaal plus test artikel

ondertitel van dit artikel

Home
De Witte Raaf

nr. 185
Editie januari-februari 2017



'Dit is mooi.' 'Dat vind ik lelijk.' Bijna dagelijks spreken we dergelijke smaakoordelen uit, niet alleen over kunst, maar over alle dingen in onze omgeving: van kleren en huizen tot servies en meubilair – én onze medemens. Daarbij gaan we ervan uit dat 'lelijk' en 'mooi' tegengestelde uitingen zijn van dezelfde 'esthetische blik' op de dingen, de negatieve en positieve versie van één schoonheidsoordeel. Niets is minder waar, zo toont Bart Verschaffel aan in de openingstekst van dit nummer. De schoonheidservaring wordt traditioneel gekenmerkt door een 'belangeloos welbehagen' – waarbij het voorwerp van esthetische contemplatie van elk onmiddellijk nut of belang wordt ontdaan. De 'lelijkheidservaring' vertrekt daarentegen van een pre-esthetische betrokkenheid, en is minder zuiver, ambiguer. 'De dreiging van het monsterlijke en de besmetting door het vormloze' kunnen in de kunst geïntegreerd en dus geësthetiseerd worden, maar zijn zélf totaal niet van een esthetische orde. Het brengt Verschaffel tot de volgende, puntige formulering van de 'functie' van kunst: 'We hebben de kunst nodig om een glimp op te vangen van alles wat we niet in de ogen kunnen of durven kijken.'

Koen Brams bespreekt de openingstentoonstelling van de Galerie MTL, die in de jaren zeventig vooral de 'conceptuele kunst' in België binnenbracht: een expositie van Marcel Broodthaers (13 maart – 10 april 1970). Brams analyseert haarfijn de strategieën – zoals het gebruik van herhaling en het inzoomen op de 'materialiteit van de betekenaar' – die Broodthaers toepast om de betekenis van het kunstwerk uit te hollen en toont aan dat de kunstenaar die interesse in betekenisloosheid deelt met MTL-galerist Fernand Spillemaeckers. Nog een stuk verrassender is de relatie die Brams legt tussen Broodthaers' eerste MTL-tentoonstelling en zijn mythisch debuut als beeldend kunstenaar in de Brusselse galerie Saint-Laurent in 1964. De MTL-expo blijkt niets minder dan een 'versie 2.0' van die debuuttentoonstelling te zijn. Broodthaers houdt er ten tweeden male zijn beslissing om kunstenaar te worden tegen het licht en neemt het kunstbedrijf op de hak.

Fieke Konijn bespreekt de retrospectieve tentoonstelling Jean Tinguely – Machinespektakel in het Stedelijk Museum Amsterdam. Zij stelt vast dat de makers interessante 'performatieve strategieën' hebben bedacht om de onvermijdelijke 'sterilisering' van Tinguely's kinetische kunstwerken te counteren. Anderzijds loert ook de 'eenzame cultus van het genie' om de hoek in deze monografische expositie én wordt de rol van het eigen instituut in de carrière van de Zwitserse kunstenaar al te zeer benadrukt. Tineke Reijnders bezocht een overzicht van Robert Filliou in het M HKA te Antwerpen en constateert dat het onmogelijke gewaagd werd – 'de kwikzilveren geest van Filliou in materiële kunstwerken vangen' – en dat het museum een waardevolle uitgave op de markt bracht: Robert Filliou. The Secret of Permanent Creation, zowat de 'nieuwe bijbel voor de Filliou-adept'.

Birgit Cleppe en Steven Jacobs bespreken een achttal documentaires en filmessays waarin het Parijse Louvre de hoofdrol speelt. Zij laten zien hoe deze films samenhangen met twee belangrijke transformaties die het museum onderging, respectievelijk van de jaren dertig tot de jaren vijftig, en vanaf de late jaren tachtig. De oudere films (van René Huyghe, Maurice Cloche…) reflecteren het pedagogische, maar ook 'sacraliserende' project achter de reorganisatie van de collectiepresentatie. De recentere films (van Nicolas Philibert, Straub & Huillet…) kunnen als een kritische beschouwing op het 'postmoderne Louvre' worden gezien. Tot slot belicht Wolfgang Ullrich een nieuwe manier waarop kunstenaars hun auteursrecht inzetten: zij gebruiken het steeds vaker om de beeldvorming omtrent hun oeuvre te controleren en maken daarmee het onafhankelijke werk van anderen – critici en onderzoekers – onmogelijk.