Populisme,
democratie en politiek systeem
Rudi Laermans
Mein
Ausgangspunkt ist: wir kennen diese Gesellschaft
nicht. Wir haben noch keine zureichende Beschreibung geleistet.
Niklas
Luhmann
1.
In 1988
publiceerde Stuart Hall, ouderdomsdeken van de culturele
studies, een nog altijd lezenswaardig opstel over
“populaire democratie versus autoritair populisme”. [1] Hall
beroept zich
daarin op het werk van Antonio Gramsci, en deels ook dat van Ernesto
Laclau, om
het politieke succes van Margaret Thatcher en de electorale neergang
van de
Britse sociaal-democratie te verklaren. Vandaag komt deze associatie
tussen
politiek populisme en een consequent neoliberale politiek van
deregulering en
‘ontstaatsing’ enigszins vreemd over. Althans in West-Europa wordt de
term
‘populisme’ nu al een tijdje gereserveerd voor meestal extreem-rechtse
partijen
en bewegingen die zich nadrukkelijk op ‘(de wil van) het volk’
beroepen. Tot op
zekere hoogte deed Thatcher dat ook al, maar dan zonder de paradoxale
combinatie van ultrademocratische retoriek en ‘antipolitiek’ die het
West-Europese populisme sinds de jaren ‘90 kenmerkt. Het nieuwe
populisme
hamert inderdaad voortdurend op ‘de kloof’ tussen het volk en zijn
vertegenwoordigers of, algemener, tussen de geregeerden en hun
regeerders (of
in een andere, Vlaams-socialistische versie: tussen ‘de dorpsstraat en
de
Wetstraat’). Dat ligt overigens in de lijn van de reeds genoemde
Laclau.
Populisme, zo betoogde Laclau al in de jaren ‘70 in zijn analyses van
de
Latijns-Amerikaanse varianten, is de politieke en discursieve
articulatie van
“een populair blok” tegenover een als corrupt voorgestelde elite, en
dit met
het oog op politieke hegemonie. [2] Specifiek voor de recente golf
van
populisme in West-Europa lijkt echter de systematische koppeling aan
– zo
men wil: usurpatie van – de gangbare zelfbeschrijving van de
(representatieve) democratie. [3] Deze zelfbeschrijving stelt
democratie
gelijk met volkssoevereiniteit: ‘het volk’ of ‘de volkswil’ is de enige
bron
van legitiem machtsgebruik. Precies op de ‘demos’ van de democratie
beroepen
populistische politici zich vandaag de dag gedurig.
Over de term ‘populisme’ wordt
steevast gezegd dat het om een vage, veelzinnige, contextgebonden…
uitdrukking
gaat. Tegelijkertijd bestaat er ook in de relevante literatuur van
langsom meer
consensus over dat het politieke
populisme in de huidige West-Europese context
vooral de idee van volkssoevereiniteit bespeelt. [4] Daarom kan
het niet
zomaar op één lijn worden gesteld met bijvoorbeeld de toenemende
neiging tot
populisme in de massamedia, ook binnen openbare omroepen of bepaalde
kwaliteitskranten. Uiteraard zijn er dwarsverbindingen, want de
populistisch
georiënteerde media gebruiken eveneens graag het schema ‘volk versus
elite’ om
een meer populair geachte taal en programmering te legitimeren. De
verschillen
tussen het massamediamieke en het politieke populisme, vooral op
retorisch of
discursief vlak, zijn echter niet minder belangrijk. Daarnaast moet men
steeds
oog blijven hebben voor de actuele West-Europese context waarbinnen
populistische partijen en bewegingen ageren. De algemene contouren
daarvan zijn
voldoende bekend. Enerzijds zorgt de economische globalisering voor een
relatieve desindustrialisatie die zowel de sociale integratie van
ongeschoolde
werkkrachten, en daardoor ook van een grote groep allochtonen, als de
financiering van de verzorgingsstaat onder druk zet. Anderzijds zijn de
meeste
West-Europese overheden zich in snel tempo gaan herdefiniëren, deels
onder druk
van het succes van populistische partijen, in de richting van bestraffende veiligheidsstaten. De
nationale soevereiniteit brokkelt af, zeker in EU-verband. Wil men de
natiestaat en haar basistaken herprofileren, dan lijkt het dus evident
om de
klemtoon te leggen op het met harde hand bewaken van de interne
veiligheid
binnen de territoriale grenzen – wat per definitie ook een scherpe
supervisie van de binnenkomers impliceert. [5]
Bij dit algemene plaatje hoort een
meer specifieke ‘crisis in/van de politieke representatie’
– ‘representatie’
in de brede zin van zowel ‘afbeelding’ of ‘voorstelling’ als
‘delegatie’ of
‘vertegenwoordiging’. Deze crisis is minstens viervoudig. Eén,
nationale én transnationale politieke actoren hebben het
steeds moeilijker om hun turbulente omgevingen te interpreteren en
politiek te
(her)articuleren. Debet hieraan is onder meer een sterk verkokerde en
overwegend op administratie gerichte bestuurspraktijk die slechts
moeizaam
nieuwe, vaak contradictoire omgevingsinformatie absorbeert. Twee,
mét de welvaartsstaat kwam ook de
naoorlogse neocorporatistische belangenbemiddeling onder druk te staan.
Het
georganiseerde overleg en de buitenparlementaire belangenrepresentatie
in
sectoren als arbeid of gezondheidszorg bemoeilijken immers een
reorganisatie
van de verzorgingsstaat. Het resultaat zijn kwakkelende
onderhandelingen en,
algemener, een groeiend onvermogen van bijvoorbeeld vakbonden om de
specifieke
eisen van welbepaalde electorale groepen, zoals ongeschoolden of
werklozen,
adequaat te representeren. Drie, in de
externe representatie van politieke beslissingen en de publieke
meningsvorming
hebben de massamedia het voortouw genomen. In Vlaanderen was deze
evolutie
synoniem met de (relatieve) ontzuiling van massamedia en openbare
omroep. Maar
ook in andere regio’s of landen verbrokkelden de formele en informele
netwerken
tussen partijen, sociale en culturele organisaties, “organische
intellectuelen”
(Gramsci), publieke fora… binnen het zogenaamde middenveld. Daarom
richten
partijen zich thans zoveel mogelijk rechtstreeks via de media tot hun
potentiële kiezers, wat enkel kan voorzover zij zich voegen naar de
wetmatigheden van de massamediamieke communicatie. Het gevolg is hoe
dan ook
een verlies aan openbaarheid, het opgeven van een belangrijk deel van
de
‘civiele maatschappij’ waarbinnen actief aan politieke meningsvorming
wordt
gedaan. Vier, politieke partijen
kunnen steeds minder op vertrouwde sociale identiteiten terugvallen,
zoals die
van katholiek gelovige of werknemer. Zo fungeert die laatste sociale
positie thans
veel minder als een persoonlijk identificatiepunt, zeker in
vergelijking met de
consumentenrol (zie de veralgemening van de lifestyleretoriek). Het
individualiseringsproces zit daar voor veel tussen, maar cruciaal is
ook het
opschuiven van de West-Europese sociaal-democratie richting brede
middenklasse
en het navenante inleveren op ideologisch profiel (dat heette nog niet
zo lang
geleden the third way beyond left and
right…).
Meteen is duidelijk dat het recente
electorale succes van populistische partijen en bewegingen, van het
Vlaams
Blok/Belang over het ‘Fortuynisme’, het Front National of Haiders FPÖ
tot de
Progressieve Partijen in Scandinavië, niet losstaat van de meer
omvattende
‘crisis in/van de politieke representatie’. Niet dat die groepen zich
druk
maken over de ontoereikende sensibiliteit van het politieke systeem
voor het
kluwen van actuele ontwikkelingen. Integendeel, populistische politici
houden
het zoals bekend graag simpel. Daarentegen hanteren ze gewoonlijk wél
een
discours dat een sterke collectieve identiteit affirmeert, vaak met een
etnisch-culturele inslag. Dat slaat aan, in de eerste plaats binnen de
brede
groep van ongeschoolden die zich niet langer vertegenwoordigd voelen
door de
partijen die afwisselend de macht delen. De meeste populistische
partijen doen
dan ook op een quasi-Gramsciaanse manier aan hegemoniepolitiek, zowel
binnen
als buiten de media. Er bestaat allicht een – meestal
onbedoelde – affiniteit tussen het nieuwe mediapopulisme en
het
succes van populistische politieke vertogen. Wie het politieke bedrijf,
met het
oog op kijk- of luistercijfers, tot makkelijke oneliners en vlotte
babbels
vereenvoudigt, creëert ongewild een discursieve voedingsbodem voor
politici met
een simpele boodschap. Het neemt niet weg dat partijen als Vlaams
Belang en
Front National ook actief aan meningsvorming ‘van onderop’ doen, en dat
niet
enkel in verkiezingstijd.
Bij het articuleren van de publieke
opinie nemen populistische politici en partijen in de regel een
paradoxale
positie in. Ze zeggen immers niet zélf te spreken. Hun partijen
formuleren geen
autonoom politiek programma, ze doen geen beleidsvoorstellen vanuit een
overkoepelende ideologische visie. Integendeel, hun spreken is een
afgeleid
communiceren waarin de geadresseerde ‘volk’ direct en onbemiddeld aan
het woord
komt. Kortom, in het populistische discours beluistert ‘het volk’ enkel
zichzelf. Daardoor positioneert dat vertoog zich op een nogal vreemde
manier.
‘Het volk’ dat niet spreekt – de figuur van ‘de zwijgende
meerderheid’ –
krijgt alsnog een politieke stem dankzij de populistische politicus of
partij
en wordt dus ‘actief gesproken’; maar tegelijkertijd zou het gesprokene
‘de
volkse gedachten’ enkel passief weerspiegelen. Alvorens in te gaan op
deze
specifieke discursieve paradox, sta ik even stil bij de meer algemene
inbedding
ervan in de dominante zelfbeschrijving van de moderne democratische
politiek.
2.
In het
postuum gepubliceerde Die Politik der
Gesellschaft maakt Niklas Luhmann terloops een ironische en
tegelijk verrassende
opmerking: “De sluiting van het politieke systeem gebeurt daar waar het
publiek
van individuen, groepen en organisaties dat directieven ontvangt en
administratief wordt belast, in het volk verandert; daar waar de
‘volonté de
tous’ verandert in een ‘volonté générale’. Maar deze transformatie
blijft een
geheim. Ze kan enkel worden geformuleerd als een paradox. Het is de
attractor
van vele theoretische, vooral ‘democratietheoretische’
ondernemingen.” [6]
Luhmann zinspeelt hier op de zogenaamde paradox van de
volkssoevereiniteit. In
een democratie gaat alle macht van het volk uit, maar deze ‘wil van
allen’
dient tegelijkertijd ‘de algemene wil’ – en zo ook ‘het algemene
belang’ – te belichamen. Hoe kan dat? Hoe kan bijvoorbeeld de
loutere
optelsom van individueel uitgebrachte stemmen tevens ‘de wil van
allen’, ja
zelfs de ‘volkswil’ representeren? Of nog: hoe verandert een publiek
van louter
individuele kiezers of beslissers in zoiets als een volk, met eigen
strevingen
en belangen? Bovendien rijst de vraag, die ons meteen naar het hart van
genoemde paradox brengt, hoe het volk
tegelijkertijd subject en object, bron en doel van machtsuitoefening
kan zijn. Het is inderdaad een
levensgroot enigma: het volk dat zichzelf regeert in naam van zichzelf…
Zoveel is meteen duidelijk: aan ‘we,
the people…’ beantwoordt geen realiteit. Evenmin was dat ooit, in een
ver en
mythisch verleden, het geval. Het eengemaakte volk dat met één stem zou
(kunnen) spreken, was en is feitelijk altijd al verdeeld in
verschillende groepen,
onder meer economische klassen, met uiteenlopende belangen. Deze
diversiteit
aan belangen laat zich nauwelijks of niet aggregeren tot zoiets als een
algemeen belang of een algemene volkswil. Met deze vaststelling spoort
de
these, die de econoom Joseph Schumpeter als eerste consequent heeft
verdedigd,
dat een democratisch bestel uiteindelijk weinig meer is én kan zijn dan
een
arena waarbinnen belangengroepen bij monde van bevriende politieke
partijen om
electorale ondersteuning werven met het oog op een hun welgezind
beleid. [7] Een heel ander denkspoor heeft Claude Lefort uitgezet
in zijn
politiek-filosofische meditaties over de relatie tussen democratie en
totalitarisme. [8] In Leforts visie kenmerkt een democratie zich
door de
substantiële leegheid van ‘de plaats van de macht’, die hij daarom
omschrijft
als “een lege plek”. Symbolisch
gaat alle
macht wel uit van het volk, maar geen enkele partij of politicus
onderhoudt
daar een substantiële relatie mee: niemand belichaamt of incarneert het
volk op
een rechtstreekse manier. Een – uiteraard
imaginaire – directe
relatie tussen geregeerden en regeerder(s) karakteriseert juist een
totalitair
regime, waar dé Partij en/of dé charismatische Volksleider zich
effectief
opwerpt als de transparante emanatie van ‘het volk’. Het instandhouden
van deze
politieke fictie vereist per definitie een strak gecontroleerde
publieke sfeer,
zonder dissidente geluiden die de pluraliteit binnen ‘het volk’
politiek
vertolken. Binnen een effectieve democratie gebeurt dat laatste juist
wel. ‘Het
volk’ verschijnt er niet als een quasi-substantie waarmee één partij
en/of
enkele politici een geheime relatie onderhouden, terwijl alle andere
politieke
actoren diezelfde vreemde materie zouden miskennen, negeren, trachten
te
vernietigen… Uitdrukkingen als ‘het volk’, ‘de volkswil’, ‘het algemene
belang’
fungeren er als de centrale maar lege
betekenaren van een bindend symbolisch kader dat de verschillende
politieke
actoren ook effectief verschillend invullen. Tegelijkertijd verandert
deze
meervoudige articulatie juist niet in een pure belangenstrijd, vanwege
de
gedeelde oriëntatie op eenzelfde symbolische ruimte.
Volgens
de radicaal-democratische benadering van Ernesto Laclau en Chantal
Mouffe en
het primair ethische pleidooi van Jacques Derrida voor une
démocratie à venir is de nimmer te dichten kloof tussen de
leegheid van haar symbolische legitimatie en de reële politieke
praktijk van
pluralistische articulatie constitutief voor de democratie. [9] De
onmogelijkheid van een directe presentatie van ‘het volk’ opent altijd
weer
opnieuw een ruimte van representatie waarbinnen ‘in naam van
het volk’
nieuwe eisen, belangen, identiteiten… kunnen worden gedefinieerd. Zo
bekeken
vormt het symbolische fundament van de democratie een soort van
quasi-transcendentale
fictie voor een zinvolle en tevens gepacificeerde omgang met zowel de
feitelijke verdeeldheid binnen ‘het volk’ als de articulatie van dit
sociale en
culturele pluralisme via uiteenlopende politieke programma’s en
voorstellen.
Dat klinkt plausibel – maar bevestigt deze denklijn niet ook het
ironische
verdict van Luhmann: de idee van volkssoevereiniteit als “de attractor
van vele
theoretische, vooral ‘democratietheoretische’ ondernemingen”? Is het
niet
zinvoller om ‘het volk’ gewoonweg te beschouwen als een retorische
figuur, een metafoor of trope die inderdaad een
funderende rol heeft gespeeld bij ‘de democratische revolutie’ op het
einde van
de 18de eeuw maar die niet langer voldoet om het reële
functioneren van een democratisch politiek systeem te
beschrijven? Het benadrukken van de idee van volkssoevereiniteit was
ongetwijfeld nodig in de historische confrontatie met ‘de macht van de
soeverein’ binnen absolute monarchieën. Thans spoort daarmee echter een
bepaald
eenzijdige klemtoon op de politieke legitimiteit van regeerders en hun
beslissingen.
We kunnen er hoe dan ook niet omheen
dat populistische partijen zowel de legitimiteit als de werking van ‘de
reëel
bestaande democratie’ gedurig ter discussie stellen door zich te
beroepen op
‘het volk’. Eigenlijk verwondert dat niet, want de retorische figuur
van het
soevereine volk als enige bron van legitieme machtsuitoefening creëert
een
structurele druk richting populisme. De centrale vraag luidt dan ook
niet
‘waarom populistische partijen?’, want die kan men in een democratie
logischerwijs verwachten. Heel wat pertinenter is de vraag waarom het
populisme
na de Tweede Wereldoorlog gedurende zovele jaren afwezig bleef op de
politieke
scène in West-Europa. Of nog: welke specifieke factoren zijn
verantwoordelijk
voor de hernieuwde doorbraak van populistische partijen en het huidige
succes
van “de populair-democratische interpellatie” (Laclau)? Tegelijk dwingt
dat
succes ons om de dominante zelfbeschrijving van het politieke systeem
in termen
van volkssoevereiniteit in vraag te stellen. Populisten misbruiken deze
referentie immers niet, maar nemen haar juist letterlijk – en dát
is pas
beangstigend, zo kunnen we van Lefort leren. Het populisme wil de
retorische
figuur van ‘wij, het volk’ realiseren.
Dat kan enkel door de democratie te ‘derealiseren’, door iedere andere
politieke claim op ‘de volkswil’ als wezenlijk volksvijandig, als een
slinks
partijpolitiek manoeuvre… voor te stellen. [10] Deze
‘verletterlijking’
van de metaforische vergelijking van het volk met een soeverein
– ‘het
volk is als een koning die zichzelf de wet stelt’ – maakt in een altijd specifieke maatschappelijke en
politieke constellatie de kracht uit van het populistische appèl.
Het
politieke populisme vat dus op een bijzonder performatieve manier de
semantiek
waarmee de democratie zichzelf legitimeert naar
de letter op. Dat is alvast één heel goede reden om het
populistische
vertoog niet zonder verdere politieke argumenten als ondemocratisch te
verketteren.
Nu heeft onder meer Chantal Mouffe
erop gewezen, hiermee overigens aansluitend bij een lange liberale
traditie van
politiek denken, dat de moderne representatieve democratie niet één
maar twee
pijlers heeft. De figuur van ‘het soevereine volk’ legitimeert de
machtsuitoefening, maar de democratisch gekozen vertegenwoordigers
dienen zich
altijd ook te houden aan ‘the rule of law’. Mouffe spreekt daarom van
‘de
democratische paradox’, een paradoxaal samengaan van de nadruk op ‘het
volk’
als autonome én soevereine machtsbron met de constitutionele eis dat
geen
enkele politieke beslissing, hoezeer die ook wordt gedragen door ‘de
volkswil’,
tegen de algemene principes van de rechtsstaat kan ingaan. [11]
Mouffe
denkt daarbij in de eerste plaats aan de grondwettelijke rechten en
vrijheden.
Dat ligt voor de hand, want deze constitutionele waarborgen verzekeren
mee het
politieke pluralisme en beschermen de individuele burger tegen een al
te
opdringerige overheid. In die zin maken ze een
democratische – in de
betekenis van ‘volksgedragen’ – politiek tegelijkertijd mede
mogelijk
én onmogelijk. Maar het principe van de ‘rule of law’, en daar staan
democratietheoretici opvallend weinig bij stil, houdt tevens in dat
politieke
beslissingen in positief recht moeten uitmonden. Een moderne
democratische staat
is inderdaad altijd ook een rechtsstaat waarin machtsuitoefening
synoniem is
met wetgeving. De ‘democratische paradox’ impliceert feitelijk een dubbele legitimiteit van democratische
beslissingen.
De structurele koppeling tussen
politiek en recht biedt de mogelijkheid om langs strikt legale weg
politieke
beslissingen aan te vechten, met soms ingrijpende gevolgen (voor de
Belgische
lezers: zie bijvoorbeeld het Zaventemdossier). Tegelijkertijd verleent de algemene
band tussen politieke
machtsuitoefening en legaliteit de eerste in principe ook een algemene
procedurele legitimiteit. [12] Dat populistische partijen en
politici die
laatste negeren, verwondert niet: voor hen primeert de relatie tussen
geregeerden en regeerders (overigens was het Carl Schmitt die als
eerste
consequent het primaat van de volkssoevereiniteit op de legaliteit van
de
rechtsstaat bepleitte). [13] Talloze van hun politieke voorstellen zijn trouwens
moeilijk of
niet te verzoenen met de vigerende juridische kaders op het gebied van
mensenrechten,
immigratie… Maar ook niet-populistische politici en
democratietheoretici
‘vergeten’ de intrinsieke band tussen de legitimiteit en de legaliteit
van
politieke beslissingen. Zij verzuimen het tevens om de grondwettelijk
verankerde rechten en vrijheden consequent in te zetten tegen de
populistische
interpretatie van het beginsel van volkssoevereiniteit. Is dat geen
blijk van
een weinig opgemerkte, impliciete maar immense invloed van het
neopopulistische
discours? Valt de impact van populistische partijen als het Vlaams
Blok/Belang,
zoals ook Jan Blommaert heeft gesuggereerd, niet vooral af te lezen aan
het
ampele feit dat ze in geen tijd de politieke legitimiteitsvraag hebben
weten te
verengen tot de meting van electoraal succes en, algemener, van
politieke
populariteit? [14] In de strijd tegen het populisme gaat het
inderdaad ook
altijd om de meer algemene voorstelling van het democratisch-politieke
systeem binnen datzelfde systeem (daarop doelt
precies de uitdrukking ‘zelfbeschrijving’). Dat populistische politici
hoogst
selectief met deze zelfbeschrijving omgaan, valt te verwachten; dat
niet-populistische partijen en/of politici dit niet systematisch
aanvechten,
maar het integendeel vaak eveneens als hun primaire taak zien om ‘de
kloof
tussen burger en politiek te verkleinen’, mag op z’n minst bedenkelijk
heten.
3.
Een democratisch politiek bestel beschrijft zichzelf
primair in termen
van volkssoevereiniteit én ‘rule of law’ – maar deze laatste
‘vergeet’
(negeert, verdringt, doorkruist) het politieke populisme. Vanuit een
externe,
(systeem)theoretisch geïnformeerde
blik oogt
datzelfde bestel alvast een stuk complexer. Laat ik puntsgewijs enkele
belangrijke aspecten naar voren halen, waarbij ik regelmatig
terugkoppel naar
‘de kwestie van het populisme’. [15] Eén,
de primaire functie van ‘de politiek’ is het nemen van collectief
bindende
beslissingen. De genomen beslissingen slaan op het gedrag van
weggebruikers of
rokers, de jaarlijkse aanslagvoeten van de personenbelasting en
ontelbare
andere thema’s. Het betrokken ‘collectief’ wisselt dan ook gedurig. In
de regel
adresseren politieke beslissingen zich helemaal niet aan zoiets als een
‘volk’
(van een natiestaat), maar aan een altijd specifiek publiek. De
uiteenlopende
‘publieken’ die het voorwerp zijn van politieke beslissingen, gaande
van
ondernemers over specifieke categorieën van zieken tot gezonde
arbeidskrachten,
vallen onmogelijk tot één volk te aggregeren. Omgekeerd biedt een
substantieel
ingevulde volksnotie, hoe die er verder ook moge uitzien, nooit een
onbetwijfelbaar richtsnoer voor het gros van de politiek relevante
beslissingsdomeinen
met hun respectieve ‘publieken’.
Twee,
rond het nemen van collectief bindende beslissingen heeft zich in de
moderne
tijd een autonoom sociaal systeem gevormd. Daarbinnen worden deze
beslissingen
voorbereid, effectief genomen, daadwerkelijk geïmplementeerd… en
natuurlijk ook
gedurig gecontesteerd en bediscussieerd. Het politieke systeem weet
zich echter
op ieder niveau ook zélf gebonden door de genomen beslissingen. De
bestaande
wetgeving vormt immers het noodzakelijke aanknopingspunt voor nieuwe
politieke
selecties. Meer algemeen geldt dat actuele politieke keuzes voortbouwen
op al
genomen beslissingen of op meer algemene beslissingspremissen of
-kaders, zoals
politieke programma’s. Dat is zelfreferentialiteit:
actuele politieke beslissingen verwijzen impliciet of expliciet naar
eerder
gemaakte keuzes, die ze dan eventueel hardop wijzigen of negeren
– wat ook
een vorm van interne zelfverwijzing is. Of ze anticiperen, alweer
impliciet of
expliciet, op toekomstige beslissingsmogelijkheden: in dat geval is
zelfreferentialiteit synoniem met vooruitwijzing.
Het zelfreferentiële karakter van
collectief bindende beslissingen garandeert mee de autonomie van het
politieke systeem.
Maar, drie: dat systeem beschrijft
zich tegelijk als democratisch, is structureel gekoppeld aan het
juridische
systeem (zie hierboven) én kan zijn beslissingsautonomie enkel
waarmaken door
zich intern te differentiëren. In een democratisch regiem omvat het
meer
bepaald politieke partijen, een overheid waarbinnen parlement en
regering de
centrale actoren zijn, en een publieke opinie. De eerste genereren aan
de hand
van onderscheiden politieke programma’s in de regel een algemene
legitimiteit
voor zowel het politieke systeem als voor specifieke voorstellen of
maatregelen, door belangen, eisen, wensen… te koppelen aan waarden als
gelijkheid of rechtvaardigheid. Met het oog daarop bespelen partijen en
politici de publieke opinie, die zich met bindende kracht verdicht
tijdens een
verkiezingsronde – en hoe daarbij ook nog zoiets als een
‘volkswil’
of ‘wil van dé kiezer’ ontstaat, is inderdaad een goed bewaard “geheim”
(zie
Luhmann). Die publieke opinie fungeert, tijdens verkiezingen maar ook
daarna,
als een soort spiegel waarin partijen én beleidsmakers kunnen
observeren hoe
zij zelf worden geobserveerd (dat heet dan tweedeorde-observatie). De
beleidsmakers vormen samen de overheid, die op haar beurt de algemene
maatschappelijke functie van het politieke systeem binnen
datzelfde systeem waarmaakt. De overheid omvat dan ook alle
actoren – en dat ondanks de officiële ‘scheiding der
machten’… – die
collectief bindende beslissingen nemen, dus zowel de regering, het
parlement
als delen van de administratie. Uiteraard bestaat er daartussen een
beslissingshiërarchie. De gangbare democratische zelfbeschrijving van
het
politieke systeem plaatst het parlement in een spitspositie, maar
feitelijk
ligt het zwaartepunt meestal bij de regering of uitvoerende macht.
Populistische partijen wordt vaak
verweten aan ‘antipolitiek’ te doen. Ze genereren inderdaad geen
algemene
legitimiteit voor het politieke systeem, en contesteren zowel de
maatregelen
van regeringszijde als de voorstellen van andere oppositiepartijen.
Daarvoor beroepen
ze zich op de ingeburgerde semantiek van de volkssoevereiniteit, wat
ultrademocratisch oogt maar tevens de interne differentiatie van het
politieke
systeem negeert. De populistische manier van politiek bedrijven
suggereert
immers dat iedere bindende politieke beslissing ook buiten
verkiezingstijden
‘de wil van het volk’ moet representeren (of die minstens dient te
respecteren). Nog los van de vraag hoe dat feitelijk of praktisch kan,
is het
meteen duidelijk dat een consequent populisme neerkomt op een
drastische
dedifferentiatie van het politieke systeem. De ‘reëel bestaande
democratie’
berust op de institutionalisering van de
verschillen tussen partijpolitiek, publieke opinie en het nemen van
collectief
bindende beslissingen door beleidsmakers; het populistische discours verandert deze
verschillen echter
in geschillen waarover
alleenlijk ‘het volk’ zou kunnen beslissen. Daarmee komt de imaginaire
horizon
van het politieke populisme ietwat beter in beeld. In naam van ‘het
volk’
stuurt dit populisme ofwel aan op een
plebiscitaire democratie met hoogst poreuze scheidslijnen tussen
partijpolitiek, beleid en publieke opinie; ofwel op een
(quasi-)totalitaire volksdemocratie waarin alle thans bestaande
beschotten, ook die tussen het politieke en het juridische systeem,
worden
opgeheven. Wie daarentegen partij kiest voor ‘de reëel bestaande
democratie’
moet consequent wezen en onomwonden het verschil – de
differentiatie – verdedigen tussen het genereren van politieke
legitimiteit, het nemen van collectief bindende beslissingen, en het
– thans vooral massamediamiek gestuurde – formeren van
publieke
opinies (in het meervoud).
Vier,
en de logica zelf: ieder politiek systeem, of het zich nu democratisch
noemt of
niet, berust op het verschil tussen regeerders en geregeerden, de
minderheid
die collectief bindende beslissingen neemt en de meerderheid die zich
daaraan
moet onderwerpen, om wisselende redenen en in altijd andere sociale
posities
(als belastingbetaler, werknemer of werkgever, weggebruiker,
eigenaar…). Luhmann
beschouwt daarom het onderscheid tussen macht en niet-macht als de
algemene
binaire code of ‘de richtinggevende distinctie’ van iedere vorm van
politiek.
Meteen stoten we op een structurele
paradox die élk politiek regime kenmerkt. In een strikt logische
zin is de
identiteit van een politiek systeem, van welke snit ook, synoniem met de eenheid van het verschil tussen
regeerders en geregeerden, machthebbers en machtssubjecten. Deze
paradox
onttrekt zich aan representatie, hij is letterlijk onvoorstelbaar. De
notie van
volkssoevereiniteit tracht hem alsnog te ontmijnen – versta: te
verdonkermanen – via de retorische figuur van ‘het volk’ dat
‘zichzelf de
wet stelt’. ‘Het volk’ is dan, zoals gezegd, zowel subject als object
van
collectief bindende beslissingen, dus zowel de bron als de
geadresseerde van
legitieme machtsuitoefening. Conform deze retorische figuur symboliseert
‘het volk’ kortom de plaats
waar machthebbers en machtssubjecten identiek en dus uitwisselbaar
zijn.
Alleen, deze plaats is “leeg” (Claude Lefort), “a vanishing point”
(Slavoj
Zizek), “indeterminate” (Ernesto Laclau)… Feitelijk gaat het om een
performatieve fictie die de onmogelijkheid van direct volksbestuur
verhult door
een indirecte volkssoevereiniteit mogelijk te maken. Dat ‘alle
legitieme macht
van het volk uitgaat’, betekent dan gewoonweg dat de stemgerechtigden
tijdens
verkiezingen het wettelijk voorziene aantal volksvertegenwoordigers
kunnen (of
moeten) aanduiden. Het resultaat is een gedelegeerde machtsuitoefening
‘in naam
van het volk’ binnen een getrapt
systeem van reflexieve machtsaanwending. Want juist dat is
representatieve
democratie: niet een beroep op – laat staan een emanatie
van – ‘de
algemene wil’, maar de delegatie van ‘de macht van het volk’ aan een
parlement
van verkozen volksvertegenwoordigers dat in eigen midden een regering
samenstelt en vertrouwen geeft.
Dat
brengt ons bij punt vijf: binnen een
representatieve democratie wordt de politieke code – het
voor elk
politieke regiem constitutieve verschil tussen machthebbers en
machtssubjecten – geherinterpreteerd in termen van ‘regering
versus
oppositie’. De splijting van de
democratische top (Luhmann) introduceert het onderscheid tussen
regeerders
en geregeerden opnieuw binnen de
groep van potentiële machthebbers. Iedere vertegenwoordiger van het
volk is in
principe machtsbevoegd, maar na de samenstelling van een nieuwe
regering hebben
alleen de gekozen leden van de regeringspartijen een reële kans om te
wegen op
het politieke beslissingsproces. Belangrijk en weinig gethematiseerd is
het
feit dat deze ‘re-entry’ van de politieke code macht/geen macht langs
de kant
van ‘de macht’, voortdurend de contingentie
van collectief bindende beslissingen zichtbaar maakt. Een beslissing,
en a
fortiori een politieke beslissing, is altijd een selectie uit twee of
meer
mogelijkheden. De selectie kan zich committeren aan goede redenen,
feitelijke
gegevens, al genomen of te verwachten beslissingen
(zelfreferentialiteit)… maar
de beslisser staat nooit op vaste grond, anders hoefde hij niet te
beslissen.
Elke beslissing is daarom wezenlijk “onbeslisbaar” (Derrida): ze
verhoudt zich
tot een grondeloosheid die juist beslissingsvrijheid geeft, de
mogelijkheid om
a en niet b te kiezen. Daarom is een beslissing niet onmogelijk noch
noodzakelijk, dus mogelijk én anders-mogelijk of contingent.
Een representatieve democratie maakt
de contingentie van politieke beslissingen structureel zichtbaar. Door
de
splijting van de democratische top staan tegenover elk spreekwoordelijk
‘ja’
van de regering immers ook een of meer ‘neens’, of minstens een of meer
alternatieve ja’s, van de kant van de oppositie. Kortom, een
representatieve democratie
zorgt ervoor dat de niet op te heffen contingentie van (bindende)
beslissingen
gedurig binnen het politieke systeem zélf
wordt gerepresenteerd. Met elke regeringsbeslissing herinnert de
oppositie aan
een of meer andere mogelijkheden, en zo ook aan de
afwezigheid van een vast fundament voor het politieke systeem.
Het politieke populisme vindt dat fundament alsnog in de idee van
volkssoevereiniteit: een beslissing is legitiem voorzover ze ‘de wil
van het
volk’ weerspiegelt. Zo bekeken bepleit het een heel specifieke omgang
met de
structureel observeerbare contingentie van politieke beslissingen
binnen een
representatieve democratie. Het populisme aanvaardt deze contingentie
niet,
terwijl die juist wezenlijk is voor ‘de reëel bestaande democratie’.
Het dringt
aan op ‘gefundeerde’ of ‘noodzakelijke’ beslissingen door die gedurig
te
verbinden met ‘de volkswil’. Dat impliceert niet alleen een structurele
dedifferentiatie
tussen de publieke opinie en de sfeer van overheid of beleidsvoering.
Het
resulteert tevens in de paradox dat politieke beslissingen niet langer…
beslissingen zijn. Een politieke beslisser die zich beperkt tot het
gedwee
volgen van de meerderheidsopinie, is immers geen beslisser, want hij
selecteert
niet uit twee of meer mogelijkheden. En
vooral: zo’n niet-beslissende beslisser verdraagt per definitie géén
oppositie,
géén stemmen die zijn ‘ja’ met een ‘neen’ counteren en zo de feitelijke
contingentie van een als noodzakelijk voorgestelde selectie in beeld
brengen.
Het is dan ook geen toeval dat populistische partijen geen interne
dissidenties
tolereren en in gesloten slagorde opereren…
Nog een laatste punt. In een
democratisch bestel onderbreken verkiezingen de zelfreferentialiteit
van het
politieke systeem. De regerende partijen kunnen daarom niet verwachten,
enkel
hopen, dat de meerderheid van de kiezers positief beslist over de door
hen
genomen beslissingen. Via verkiezingen voorziet een democratisch
politiek
systeem zichzelf dan ook van een onzekere toekomst. ‘Democratie’, dat
is ook de
structurele mogelijkheid van kerende kansen, van een ándere invulling
van het
verschil tussen regering en oppositie in een nabije toekomst. De
regering kan
oppositie worden, en vice versa – althans voorzover alle
betrokkenen zich
houden aan “een hogere amoraliteit” (Luhmann). Het onderscheid tussen
regering
en oppositie mag inderdaad langs geen van beide kanten worden
gemoraliseerd,
want dat ondergraaft de democratische mogelijkheid van een wisseling
van de
macht (en de ‘onmacht’). Regering noch oppositie mogen zichzelf als
moreel goed
en achtenswaardig voorstellen, en de spreekwoordelijke bewoners van de andere zijde als slecht en
verwerpelijk
verketteren. De democratische moraal is kortom een vorm van
‘niet-moraal’. Zij
verbiedt het om de politieke tegenstander te demoniseren en als moreel
onverkiesbaar af te schilderen. Populistische partijen en
politici
houden zich daar vaker niet dan wel aan. De democratische moraal pleit
overigens helemaal niet tegen een ‘cordon sanitaire’, want dat slaat op
het
niet aangaan van een bestuurscoalitie met een populistische partij. De
‘hogere
amoraliteit’ in de omgang met het politieke verschil tussen regering en
oppositie houdt dan weer wel de vingerwijzing in dat ook populistische
partijen
en politici in de eerste plaats met politieke, niet met morele
argumenten
moeten worden gecounterd. Vanuit een moreel superieure houding worden
trouwens
ook geen verkiezingen gewonnen, noch interessante
beleidsmaatregelen genomen.
4.
Samenvattend:
het politieke populisme bekritiseert de representatieve democratie in
naam van
haar funderende semantiek – maar de notie van volkssoevereiniteit
is enkel
één constitutief element van de symbolische horizon van het project
genaamd
democratie. Deze retorische figuur dekt helemaal niet het volledige
spectrum
van arrangementen die een democratisch regiem typeren, zoals de ‘rule
of law’,
‘de splijting van de democratische top’ en de differentiatie tussen
overheid of
beleidsvoering, publieke opinie, en politiek in strikte zin (lees: het
werven
om legitimiteit door partijen en politici). Het politieke populisme
simplificeert ‘de reëel bestaande democratie’ tot de eis van een
directe, zelfs
transparante relatie tussen collectief bindende beslissingen en ‘(de
wil van)
het volk’. Representatie wordt gelijkgesteld met weerspiegeling,
wat neerkomt op het negeren van de
spreekwoordelijke breuklijn die in een representatieve democratie de
volksvertegenwoordiging scheidt van ‘het volk’, of de verkozen
politieke
betekenaren van ‘de democratisch betekende’. Geen politiek zonder het
onderscheid tussen machthebbers en machtssubjecten, en geen
representatieve
democratie zonder het verschil tussen volksvertegenwoordigers en
kiezerspubliek. Populistische partijen en politici beweren dat zij, en
alléén
zij, deze onderscheiden weten te overbruggen en
de mysterieuze eenheid (kunnen) belichamen van het voor iedere vorm van
politiek of politieke representatie constitutieve verschil. Het is
inderdaad de
funderende claim van ieder populistisch discours dat ‘(de wil van) het
volk’ present moet zijn én blijven in elke representatie
van het volk. Opnieuw: hoe kan dat? Welke retorische
manoeuvres
maken het mogelijk om zich als een paradoxale eenheid van af- en
aanwezigheid,
volksvertegenwoordiger en ‘volk’ te positioneren?
Er vallen nog meer mysteries te
ontraadselen. Populistische partijen en politici claimen bijvoorbeeld
dat ze
zodanig volksverbonden zijn dat ze ook zonder dure enquêtes of andere
vormen
van bemiddeling ‘de stem van het volk’ kunnen horen. Die stem zouden ze
niet
alleen direct weten te beluisteren, maar ook nog eens zonder omwegen
– ook
geen politieke! – kunnen vertolken (dat heet dan ‘un parler
vrai’). En het
wordt allemaal nog enigmatischer wanneer we de stilzwijgendheid van ‘de
meerderheid’ verdisconteren. Ook dat is een populistische basisfiguur:
‘wij
zeggen wat u denkt, maar voorlopig niet hardop durft te zeggen’.
Alweer: hoe
kan dat? Hoe kan je de stem van een zwijgend subject horen of zijn/haar
gedachten lezen? Uiteraard gaat het hier gewoonweg om metaforen die de
test van
de letterlijkheid nauwelijks of niet doorstaan (maar het populisme
‘verletterlijkt’ zelf wel de metafoor van de volkssoevereiniteit). Ze
verwijzen
keer op keer naar een logisch of sociologisch onmogelijke, enkel imaginair voorspiegelbare en discursief
gesimuleerde eenheid tussen zij die present en zij die absent zijn
binnen
partij, parlement of regering. In de figuur van de charismatische
populistische
leider à la Pim Fortuyn of Jörg Haider verandert dit ‘eenheidsfantasma’
– om met Slavoj Zizek te spreken – in een zichtbaar symptoom
van
narcistisch plezier bij zowel de leider als de door hem geleiden.
Het populistische vertoog, zo
benadrukte Laclau al, berust op specifieke retorische strategieën en op
een
wijze van communicatieve adressering die hij als “de
populair-democratische
interpellatie” omschrijft. Laclau beklemtoont vooral de koppeling van
uiteenlopende sociale tegenstellingen binnen de alomvattende tweedeling
‘volk
versus elite’. Door deze equivalentielogica gaan meerdere sociale
posities
– zoals: autochtoon, burger, Vlaming, werknemer… – als het
ware met
elkaar in de pas lopen. Ze lossen op en verdichten binnen één enkele
positie,
die van lid van het volk. Het politieke populisme moet echter altijd
ook een
zodanige symmetrie weten te construeren tussen politicus en
vertegenwoordigde
dat het feitelijke verschil tussen beiden opgeheven lijkt. Dat lukt
door, zoals in iedere vorm van populistische
communicatie, een particuliere vorm van saamhorigheid of
gemeenschappelijkheid discursief te articuleren als een
niet-contingente incarnatie van ‘het populaire’. Déze
retorische operatie, en niet bijvoorbeeld de omschrijving van ‘het
(Vlaamse)
volk’ in essentialistische termen, is constitutief voor elk
populistisch
discours (weerom: binnen én buiten de politieke sfeer). Ze maakt een
publieke
aanspreking mogelijk die de geadresseerde positioneert als iemand die,
ook al wist
zij/hij het misschien nog niet, ‘er altijd al bij hoorde’, die altijd
al een
lid was van een zekere gemeenschap die het betrokken vertoog zegt te
identificeren en te articuleren. Omdat het om een belichaming van ‘het
populaire’ gaat, wordt de voorgespiegelde gemeenschappelijkheid per
definitie
gekenmerkt door een fundamentele gelijkheid én gelijkvormigheid. Dat
laat in
een politiek georiënteerd populistisch discours een symmetrische
voorstelling
toe van de relatie tussen politicus en vertegenwoordigde. In ‘het
populaire’,
hoe verder ook ingevuld, is iedereen gelijk en hetzelfde, en zijn
daarom ook
politicus en vertegenwoordigde, representant en gerepresenteerde, essentieel identiek en slechts
accidenteel verschillend.
Binnen het politieke populisme wordt
die specifieke vorm van gemeenschappelijkheid verbonden met ‘het volk’
en de
notie van volkssoevereiniteit. Déze equivalentie politiseert
een vorm van gemeenschappelijkheid die andere sociale vertogen vaak ook al
articuleren op een
niet-politieke manier (dat heet dan ‘interdiscursiviteit’). Daarmee is
echter
ook gezegd dat het politieke populisme wel degelijk de leegheid van
de
betekenaar ‘volk’ binnen een democratisch regiem (h)erkent. Juist
daarom
voorziet het deze notie van een substantieel supplement: ‘het volk’, en
dus ook
de volkssoevereiniteit, vindt de inhoud die het uit zichzelf niet bezit
in de
specifieke gemeenschappelijkheid die het populistische vertoog
identificeert en
representeert. Dit is bepaald een
sterke zet,
want hij geeft alsnog een sociale substantie aan een onbepaalde
retorische
figuur. Tegelijk is het ook altijd mogelijk om de discursieve koppeling
tussen
‘het volk’ en een welbepaalde vorm van saamhorigheid te contesteren.
Men kan
immers gemakkelijk aantonen dat de geponeerde gemeenschappelijkheid
niets meer
is dan een contingente en daarom reviseerbare invulling van de
volksnotie.
Ik
had het totnogtoe bewust over een
gemeenschappelijkheid die op een niet-contingente manier ‘het
populaire’ zou
belichamen. Voorzover ik kan zien, bestaan er twee grondvormen van
politiek
populisme of – dixit Laclau – van “populair-democratische
interpellatie”. De eerste is het beste gekend en wordt het drukst
besproken. In
de sociaal-wetenschappelijke literatuur bestaat er zelfs een
uitgesproken
neiging om het populisme tot dit type van vertoog te beperken. Sommige
auteurs
spreken van ‘autoritair populisme’, anderen hebben het over rechts
populisme,
zelf verkies ik de term etnopopulisme.
Dat lokaliseert het populaire inderdaad in een nogal vreemde etnische
substantie, een essentieel culturele vorm van gemeenschappelijkheid en
saamhorigheid. De geponeerde etnische band is transhistorisch,
onvervreemdbaar
voor wie erbij hoort, en letterlijk exclusief
voor ‘de allochtoon’. De overeenstemmende gemeenschappelijkheid
heeft dan
ook zowel culturele als territoriale grenzen. Juist daarom is iemand
wel of
niet altijd al een Vlaming, Nederlander, Deen… De politisering van deze
etnische gemeenschappelijkheid resulteert in een paradoxaal discours
dat
contingente politieke voorstellen of (virtuele) beslissingen voorstelt
als
noodzakelijk want ‘volkseigen’, in de etnische zin. Het is inderdaad de
achillespees van het politieke populisme: het communiceert
‘fundamentalistisch’, het miskent de
feitelijke contingentie van het eigen discours en de daarbinnen
gearticuleerde
gemeenschappelijkheid.
Het tweede prototype van politiek
populisme is historisch gezien het oudste en geeft aan de uitdrukking
‘we, the
people’ helemaal geen etnische draai (de People’s Party, die op het
einde van
de 19de eeuw furore maakte in de Verenigde Staten, wordt algemeen
beschouwd als
de eerste populistische beweging). Het lokaliseert ‘het populaire’ in
de deels
historische, deels transhistorische humaniteit van ‘de gewone
mens’. [16]
Iedereen is altijd al een ‘common wo/man’, een lid van die gemeenschap
van
gelijken die gewone aspiraties hebben, eenzelfde hoop op een
menswaardig leven
koesteren, een lach met een traan afwisselen… Maar wat de retorische
figuur van
‘de gewone mens’ bovenal zou kenmerken, is zijn/haar ‘gezond verstand’.
Moeilijk doen is overbodig, ook complexe dingen zijn eenvoudig uit te
leggen:
‘het valt toch gemakkelijk in te zien dat…’ Deze humanistische variant
is sterk
inclusief en stelt ‘het populaire’
gelijk met een gedeelde menselijke natuur en redelijkheid. Toch trekt
ook dit
populistische discours harde grenzen tegenover iedereen die ongewoon
denkt of
handelt. Vandaar de gedurige uitvallen naar intellectuelen,
avant-gardekunst en
meer algemeen naar iedereen die om wat voor reden dan ook andere
aspiraties of
verlangens heeft dan ‘de gewone mens’. In zijn politieke gedaante roept
dit
soort van populisme vaak op tot een primair emotionele solidariteit
tussen
‘alle gewone mensen met gezond verstand’ – en dat is helemaal iets
anders
dan een etnisch gedefinieerde volksverbondenheid. Daarom moet het
duidelijk
worden onderscheiden van het etnopopulisme.
Zowel het etnopopulisme als het
populisme van ‘de gewone mens’ grossieren zoals bekend in een
simplificerend,
direct en onopgesmukt spreken dat wars is van nuances. Maar het
beslissende
punt is de discursieve constructie van een symmetrische relatie tussen
spreker
en geadresseerde, politicus en publiek, via de als reëel veronderstelde
gemeenschappelijkheid van ‘het populaire’. Deze discursief gesimuleerde
saamhorigheid zou ook de essentie uitmaken van ‘het volk’, in
politiek-democratische zin, en geldt daarom als maatgevend voor zijn
vertegenwoordigers binnen en buiten de regering. Het resultaat is een
simpel
aandoend discours dat feitelijk allesbehalve eenvoudig in elkaar zit.
Het is
ongetwijfeld nodig om de complexe discursieve manoeuvres van het
politieke
populisme bloot te leggen en te bekritiseren. Dat gaat dan liefst wel
samen met
een beschrijving van de complexiteit van ‘de reëel bestaande
democratie’. Of
die ook het altijd en overal te verdedigen historische eindpunt van ‘de
democratische revolutie’ vormt, is een andere vraag. Misschien is dat
wel het
meest markante effect van de recente golf van populisme: ze heeft de
democratische verbeelding verlamd, ze spoort aan tot een pleidooi pro
‘het
bestaande’…
Noten
[1] Stuart Hall, Populaire democratie versus autoritair populisme. Twee
manieren om democratie serieus te nemen, in: Het
minimale zelf en andere opstellen, Amsterdam, Uitgeverij Sua, 1991.
[2] Ernesto Laclau, Towards
a Theory of Populism, in: Politics
and Ideology in Marxist Theory, London, Verso, 1977.
[3] Dit is ook de
basisstelling van Koen
Abts, Het populistische appèl. Voorbij de
populaire communicatiestijl en ordinaire democratiekritiek, in: Tijdschrift voor Sociologie 25 (4),
2004. De in dit artikel ontvouwde visie wordt verder uitgewerkt in twee
voorlopig ongepubliceerde papers waarvan Abts medeauteur is: Koen Abts
en
Stefan Rummens, Populistische democratie:
een contradictie?! en Ronald Tinneveldt en Koen Abts, De
stem van het volk als maat van de politiek? Populisme en de
multiculturele samenleving.
[4] Over de recente
populistische golf, zie
vooral Yves Mény en Yves Surel (red.), Democracies
and the Populist Challenge, New York, Palgrave, 2002.
[5] Vergelijk
Zygmunt Bauman, Society
under Siege, Oxford, Blackwell, 2002.
[6] Niklas Luhmann, Die Politik der Gesellschaft, Frankfurt am Main,
Suhrkamp, 2000,
p. 265.
[7] Joseph
Schumpeter, Kapitalisme, socialisme en democratie,
Haarlem, De Tijd, 1974.
[8] Claude Lefort, Het democratisch tekort, Meppel/Amsterdam, Boom, 1992.
[9] Ernesto Laclau
& Chantal Mouffe, Hegemony and Socialist Strategy:
Towards a Radical Democratic Politics,
London, Verso, 1985; Ernesto Laclau, New
Reflections on the Revolution of Our Time, London, Verso, 1990;
Chantal
Mouffe, The Return of the Political,
London, Verso, 1993; Jacques Derrida, Spectres
of Marx, London, Routledge, 1994.
[10] Vergelijk Oliver Marchart, Enacting
the Unrealized: Political Theory and the Role of ‘Radical Democratic
Activism’,
in Okwui Enwezor e.a. (red.), Democracy
Unrealized, Ostfildern (Ruit), Hatje Cantz Verlag, 2002.
[11] Chantal Mouffe, The
Democratic Paradox, London, Verso, 2000.
[12] Zie vooral Niklas Luhmann, Legitimation durch Verfahren, Frankfurt
am Main, Suhrkamp, 1983.
[13] Over Schmitts opvattingen,
zie bijvoorbeeld
Mouffe, op. cit. (noot 11), en
Chantal Mouffe, On the Political, London & New
York, Routledge, 2005.
[14] Zie Jan Blommaert, Blokspraak, in: De Witte Raaf
nr. 114, 2005, pp. 1-3.
[15] Voor wat volgt, zie Luhmann,
op. cit. (noot
6), en vooral het tweede deel (Politik)
van Niklas Luhmann, Soziologische
Aufklärung 4. Beiträge zur funktionalen Differenzierung der Gesellschaft,
Opladen, Westdeutscher Verlag, 1987. Een uitstekende samenvatting van
Luhmanns
politieke sociologie bieden Michael King & Chris Thornhill, Niklas Luhmann’s Theory of Politics and Law,
New York, Palgrave, 2003. Voor kritische
kanttekeningen,
zie Kai-Uwe Hellmann & Rainer Schmalz-Bruns (red.), Theorie
der Politik. Niklas Luhmanns politische Soziologie,
Frankfurt am Main, Suhrkamp, 2002.
[16] Dat de figuur van ‘de gewone
mens’ een eigenstandige vorm van
politiek populisme vormt, betoogt ook Jan Blommaert, Populisme
als spreekregiem, in Jan Blommaert e.a. (red.), Populisme,
Berchem, EPO, 2004.
Illustratie
Rem Koolhaas,
EU-tentoonstelling, Brussel, oktober 2004, fotograaf: Thierry Monasse,
©
BELGA/AFP