Dirk Lauwaert

DE WITTE RAAF

Editie 60 maart-april 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Over het vertellende beeld

Tonen

Beelden, we vergeten dat makkelijk, zijn instrumenten van de macht. In een democratische organisatie van de macht wordt het beeld massaal beschikbaar gesteld, waarbij men niet meteen doorheeft dat iedereen even massaal aan het beeld onderworpen wordt. Het genot van het beeld is ook het plezier van de onderwerping eraan (hoe anders televisie, film, fotografie en publiciteit verklaren?). De geschiedenis van het beeld is een geschiedenis van haar macht: wie haar uitoefent, met welke middelen, met welk doel en hoe zichtbaar dat alles gebeurt.

Het beeld dat wij ontmoeten maakt ons immobiel. Ieder beeld fixeert haar beschouwer. Ieder beeld vangt ons in haar kader, betovert ons met haar futiele oppervlak. Wij kunnen er ons slechts uit bevrijden door er dieper op in te gaan: er is nooit een weg terug, slechts een weg vooruit, steeds dieper, steeds fataler in het beeld. Tot het beeld buiten ons en het beeld in ons onontwarbaar zijn samengesmolten.

Beelden vertellen het verhaal van die gevangenneming. Ieder beeld dat we zien is een metafoor voor de lamentabele toestand waarin we ons als haar beschouwer bevinden: met handen en voeten gekneveld in het kader als kooi. Ieder beeld laat een jachttrofee zien: wijzelf. Jacht op de kijker, via een jacht op het motief. Kijker en beeld galopperen als gekke, op hol geslagen wezens naast elkaar. Zoals een hond happend en hijgend meeloopt met de jogger aan de andere kant van het hek. Wij zijn de hysterische hond. Ieder beeld maakt ons waanzinnig. Ieder beeld verbeeldt onze waanzin.

 

Vertellen

Hoe dieper we ons in het beeld inboren, hoe meer ‘verhaal’ (als energie) daarbij vrijkomt. Via het verhaal kunnen we ons - misschien, misschien niet - uit de greep van het beeld losmaken. Via het verhaal vinden we een antwoord op het fatale want onomkeerbare ogenblik van het beeld. Als ogenblik is het beeld steeds monochroon. Het verhaal zet daar een sequens tegenover, een diachronie. De posities worden er uitwisselbaar, waarden en richtingen kunnen worden omgekeerd. In het verhaal kunnen we - misschien, misschien niet - de greep die het beeld op ons heeft binnenstebuiten keren. Het beeld dat mij omklemd houdt, grijp ik nu zelf vast.

 

Tonen versus vertellen

Tussen ‘tonen’ en ‘vertellen’ is er op zijn minst een tegenstelling, op zijn sterkst een wederzijdse uitsluiting. Tussen show en storytelling is bijvoorbeeld ook de film verscheurd. Het één hindert het andere, al zijn beide toch componenten van de film. De logica van de show staat lijnrecht tegenover die van het vertellen. Het ‘tonen’ is een beschrijvende opsomming, een nevenschikking in een vlak zonder tijd. Het vertraagt dus de film, heft het vertellen als het na-elkaar-in-de-tijd op. In het tonen wordt iets tot beeld gefixeerd. De ‘vertelling’ daarentegen steunt op voortgang, namelijk op de aflossing van het ene (film)beeld door het volgende: die worden dan ook razendsnel door een machine gejaagd.

Wat zich toont, levert zich volledig over in het beeld om zo de kijkende vast te houden; wie vertelt, verdwijnt achter zijn verhaal en wij bewonderen hem om de virtuositeit van zijn verdwijntruc. Wat zich toont, stort zich steeds radicaler vooruit in het beeld om de kijker daar te raken; de verteller daarentegen tuimelt steeds verder achteruit om ruimte te geven aan de vertelling.

Zodra de toner terugtreedt, wordt hij verteller. Hij verdwijnt in de sequens. Hij wordt een drager - een transporteur - van wat verschuift. De vertellende toner wijst niet naar zichzelf, maar naar andere beelden, impliciet eraan voorafgaand en erop volgend: hij wijst door.

 

Beweging versus fixatie

Het hart van het tonen is van de orde van de verschijning - onaangekondigd, verrassend en immobiliserend. Wat ‘verschijnt’, put zich uit in dat verschijnen. Wat beweegt en praat, kan niet ‘verschijnen’. Verschijnen is juist er-zijn, maar zonder iets te zeggen, dus zonder de grammatica van het ‘ik’ en het ‘jij’ te installeren. Van aangezicht tot aangezicht met een verschijning ben ik met verstomming geslagen. Het is ‘er’, maar ik weet niet waar, noch wat het is (men denke aan de apostel Thomas). 

De kern van het vertellen is de beweging - een vertelling ontvouwt zich in tijd en ruimte. Of wellicht ook: het is door de beweging van de vertelling dat tijd en ruimte zichtbaar worden en eigen kwaliteiten krijgen. Vertellen is een gerichte schikking: groei, gefaseerde ontplooiing, het aleatoire van iedere confrontatie met de andere. Wat verschijnt, heeft geen ‘andere’ tegenover zich: het monologeert, maar dialogeert niet; het is niet relatief, maar absoluut, een essentie, geen proces. Wat in het tonen een eenheid is, wordt door het vertellen herschikt in fases, momenten, ontwikkelingen. De luisteraar wordt door die opeenvolgende verscheidenheid in beweging gebracht, terwijl de verschijning de kijker van iedere beweeglijkheid berooft.

 

Het vertellen na het tonen (1)

De mens is beide: tegelijk een wezen van de verschijning (de geboorte van het kind, de verschijning van de geliefde), maar ook van de vertelling (die aan de toevallige ontmoeting een orde geeft). 

Iedere verschijning verdwijnt ook, lost op in de verscheidenheid van een leven, in tijd en in ruimte. Begint niet ieder vertellen na het weggaan van de moeder - toch dé verschijning van het kind? Alleen met een vertelling is het verschrikkelijke fort (‘zij is weg’) te vullen. Vertellen als antwoord op de verschijning die onherroepelijk moet verdwijnen (het doek moet dichtgaan, de projectie eindigt, Christus verlaat tenslotte troostend, maar definitief de apostelen). Vertellen als herstel van de verdwenen verschijning. Ieder vertellen is een Heilige Schrift in het kielzog van de Verschijning. En iedere kritiek is een Boek der Apostelen - nazinderend van de impact van de geliefde, van de geliefde meester. In de Verschijning kan het bewustzijn de eeuwigheid schaamteloos als een zinnelijk ‘nu’ en ‘hier’ beleven: dat is Openbaring. Ook het geliefde beeld (ieder beeld is van de geliefde) is een onnavolgbare Verschijning.

 

Het vertellen na het tonen (2)

Geen enkel beeld vertelt. Het verschijnt slechts in een drukkende stilte. Zijn beelden gewoon te dom, of zijn ze verminkt? Zijn ze streng en daarom tot geen enkele uitspraak bereid, of zijn ze gewoon blind? 

Toch gaat ieder beeld vertellen, want de schouwer knoopt schaamteloos met ieder beeld een gesprek aan - als een opdringerige toerist in de business class. Ik trek de vest uit, rol de mouwen op en vraag: “Where are you from?” Niet geneigd me met ‘geen antwoord’, maar evenmin met een antwoord tevreden te stellen: mijn ondervraging wordt een schaamteloze touch up. Mijn ongegeneerde overmoed doet me in het beeld verzanden.

Juist in dat verzanden ontstaat verhaal, want ik verander, mijn verhouding verandert. Ieder beeld is als een spiegel waarin ik uitputtend mezelf test, uitdaag en probeer te overtroeven. Het vertellen is het domein van de metamorfose. Het fixerende verschijnen wordt er gekanteld, er ontstaat een andere, een tweede gedaante van en tussen beide een vertellende spanning. Tussen beide ontstaan verhoudingen van tijd (vroeger/nu), ruimte (ginds/hier), maar ook van perspectief (vanuit). Vertellen is het bespelen van dat instrumentarium. Het vastleggen van een standpunt en het volgen van verschuivingen vanuit dat standpunt. De onstabiliteit van het standpunt, de relativiteit ervan (in de betekenis van gerelateerd aan…) is de oorsprong van de dynamiek, de bron van de rijkdom van een ‘geschiedenis’.

Daar dus tegenover staat het verschijnende beeld, de schokkende, want absolute openbaring, datgene wat zich als onbediscuteerbaar objectief kan aankondigen. Onwrikbaar eens en voor altijd gegeven.

De metamorfose - de metafoor, dus de beeldspraak - is de vluchtige repliek op die dwingende verschijning. Geschiedenis is metamorfose en beeldspraak. Spreken in beelden om het beeld te verslaan.

 

Het beeld als oase

Beelden zijn halteplaatsen in het onophoudelijke beeldproces

Beelden schematiseren een gestalte, zetten een verhouding vast, kristalliseren het vluchtige tot een idee. In de plaats van het onophoudelijke wegschuiven van het vertellen - het vertellen is zonder einde en zonder doel - komt het vaste dat geen standpunt meer duldt, maar een absoluut (en dus geen) standpunt is. De beweeglijkheid van het vertellen wordt vastgeknoopt: om vanuit die onbeweeglijkheid het hele verbeeldingsproces opnieuw te lanceren.

Vertellende beelden houden het verhaal vast, bundelen de energie ervan, slaan die op, snoeren ze in, net zoals iedere verschijning (van het goddelijke, van de vampier of van de serial killer) het levensproces capteert en blokkeert. Van hieruit gaat geen weg verder. Alle energie van de gedaantewisselingen wordt in het schema opgesloten. Het verenigt het dynamische én het statische. Het verschijnt als des te imposantere stase omdat het met geweld aan het dynamische is opgelegd. 

Het beeld dat het vertellen blokkeert, is tegelijk het beeld dat zich aan het vertellen onderwerpt. Vertellende beelden hebben een ruimte, tonen een plaats, een plek, met sporen erin van tijd. Die plek is een standpunt van waaruit alles wordt ‘gecoördineerd’, namelijk van coördinaten wordt voorzien.

Toch gebeurt dat alles tegen de achtergrond van die magie der verschijning. De gebaren duiden aan, maar krijgen geen oplossing. De versteende dynamiek (Lot, Medusa, Pompeï) is de hartverscheurendste vorm die we opgelegd kunnen krijgen. Het gevoel heeft geen stem meer, beweging geraakt niet meer vooruit, iedere dynamiek behoudt zijn stuwing, maar resulteert in geen enkel resultaat. Deze beelden zijn tegelijk stase en dynamiek - stase van het dynamische, het dodenmasker van de beweging zelf, niet van wat heeft opgehouden te bewegen. Vertellende beelden hebben de pathos van een paradox, ze laten zien hoe het bewegingloze aan de beweging zelf wordt opgelegd, in het ogenblik van haar beweging. De beweging die werd vastgelegd, is ook het luide/geluidloze protest van de beweging tegen haar obscene opheffing.

 

Het beeld als uitkijk

In vertellende beelden kunnen we zien dat in het vertellen open, polymorfe plaatsen worden gecreëerd, dat het dus meer is dan gestroomlijnde, éénduidige doorgangen. Om te vertellen heb je rustpauzes nodig - die tegelijk heftige brandpunten zijn - waarin het verhaal geregeld overzien en herschakeld kan worden. Het is niet alleen een voorlopige tussenstand van de narratieve boekhouding, maar vooral een mogelijkheid om van daaruit de vele mogelijkheden van verhaal en situatie te overzien en al dat virtuele even mee te laten spelen in het gebeuren. Het is de systole, essentieel voor het vertellen. De éénduidige, dwingende, narratieve logica, slaat om in pure potentialiteit. We schuiven van ‘dit moet de situatie zijn’ over naar ‘dit alles kan de situatie zijn’. Vertellen is niet alleen doorgang (snelheid, functionaliteit van het vertellen), maar ook wissel naar poëtische permutaties, naar beeldspraak. Vertellen exploreert dan niet alleen meer de syntagmatische, maar ook de paradigmatische mogelijkheden van een beeldsituatie. 

Vertellende beelden zijn plaatsen voor die cultuur. Het verhaal is de weg die we naar die plaatsen van vertellende beelden moeten afleggen, zoals men reist om een uitkijkplaats te vinden waar een landschap zich in al zijn mogelijkheden ontvouwt. Het zijn contemplatieve plaatsen die ons geen les, geen richting, geen vooruitgang in het vooruitzicht stellen. Wegwandelen van zulk een plek is hartverscheurend. We beseffen dat zoveel mogelijkheden slechts in de verte en als verte kunnen aanschouwd worden.

Het moeilijke vandaag aan vertellende beelden is dat wij samen met het geheugen een goed deel van onze narratieve competentie zijn kwijtgeraakt. Men vertelt immers om te onthouden. Het is een mnemotechnisch middel. Vermits registraties het geheugen vervangen, vervalt de antropologische noodzaak om te vertellen. 

Vertellende beelden maken ons weerbarstig. Wij laten ons steeds meer vertellen, maar vertellen onszelf steeds minder. Vertellende beelden dwingen ons om onszelf vertellend in beweging te zetten: van stase naar dynamiek, van verhaal naar metafoor, van het gepresenteerde, naar het virtuele. Maar die beweging is moeilijk vandaag: beelden en verhalen zijn goed gescheiden functionele diensten. De innerlijke ruimte is klein geworden.