Jan Verplaetse

DE WITTE RAAF

Editie 60 maart-april 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Enkele beschouwingen bij de ontvoering van Nicolas Moureaux

Kort practicum over de robotfoto

1. De ontvoering

Op zaterdag 13 januari 1996 om 13 uur wordt in het Citadel-ziekenhuis van Luik Nicolas Moureaux geboren. De baby is het tweede kind van het echtpaar Moureaux-Schlit, hij heeft een broertje van 4 jaar, Jonathan. In de loop van diezelfde namiddag krijgt Véronique Moureaux-Schlit, de vijfentwintigjarige moeder, bezoek van een vrouw die beweert dat ze eveneens Véronique heet en woonachtig is te Brussel. Ze vertelt dat haar man Léon metser is en dat haar gezin drie dochters telt. ‘s Avonds verschijnt de bezoekster opnieuw. Ze zegt dat de twee personen die haar zouden komen ophalen niet opgedaagd zijn. Véronique Moureaux biedt de vreemde vrouw een fauteuil aan om de nacht door te brengen. Als de moeder om half zeven ‘s morgens wakker wordt, merkt ze dat niet alleen de vrouw, maar ook Nicolas verdwenen is.

Vanaf dat moment begint een speurtocht, die een week zal duren. Politionele en gerechtelijke diensten slaan alarm, vrijwilligers worden massaal gemobiliseerd en de pers, ook de Vlaamse, toont meer dan gewone belangstelling. Van maandag tot maandag verschijnen grote artikels, met foto’s van de wenende moeder, de nerveuze vader, de gesticulerende ziekenhuisdirecteur en de ondernemende Jean-Pierre Malmendier van de vzw Marc en Corinne.

Experts gissen naar de motieven van de dader, “zo’n vrouw ziet het meenemen van die baby niet als een diefstal, maar als een recht dat ze zich toeëigent” (An Steppe in “De Morgen”, 16 januari 1996), en verklaren de gastvrijheid van de vrouw “in de toestand van overgevoeligheid bij elke pas bevallen vrouw. De veranderde hormonenspiegel na de geboorte maakt jonge moeders zeer vatbaar voor suggestie en beïnvloedbaar”(Koen De Mittenaere in “Het Nieuwsblad”, 16 januari 1996). Bij het artikel over de Nicolas-zaak worden makkelijk associeerbare berichten geplaatst, met koppen als “Onrustwekkende verdwijningen: opnieuw twee kinderen vermist” (“Het Laatste Nieuws”, 16 januari 1996), “Verslaafde moeder ruilt dochtertje voor drugs” (“Het Laatste Nieuws”, 17 januari 1996) en zelfs “Gekidnapte jongen teruggevonden in zigeunerkamp” (“Het Nieuwsblad”, 16 januari 1996). Ook worden verbanden met vroegere ontvoeringen gelegd. “De Morgen” en “Gazet van Antwerpen” verwijzen naar de verdwijning van baby’s in Engelse ziekenhuizen (“De Morgen”, 16 januari 1996; “Gazet van Antwerpen”, 16 januari 1996). “Het Belang van Limburg” herinnert zich dat zo’n tien jaar geleden een baby uit het Sint-Amandusziekenhuis van Doornik verdween (17 januari 1996). Tenslotte worden andere ziekenhuizen door de dagbladredacties geïnterpelleerd. Sommige ziekenhuisdirecties laten weten dat ze de invoering overwegen van elektronische armbandjes met een streepjescode (“Het Laatste Nieuws”, 17 januari 1996).

 

2. De speurtocht

Naast de moeder van Nicolas hebben nog andere getuigen de vrouw opgemerkt. Zo zien twee verpleegsters die aan hun dagtaak beginnen een vrouw met een kindje onder de arm uit het ziekenhuis lopen: “Ze had een pakje onder haar arm op zo’n vreemde manier vast dat niemand vermoed had dat er een baby inzat”, schrijft “Het Laatste Nieuws” (15 januari 1996). Dat die verpleegsters een verdachte, die een weliswaar ongewone, maar niet bedreigende handeling stelt, kunnen beschrijven of identificeren is onwaarschijnlijk. Amerikaanse psychologen lieten ooit een medewerker in 73 kruidenierszaken een pakje sigaretten kopen. Tijdens die 3 à 4 minuten durende handeling liet hij zich opmerken door allerhande maneuvers. Na 2 uur kon nog één derde van de kruideniers de ongewone klant op foto herkennen, terwijl een etmaal later slechts 7% daartoe in staat bleek (1). 

Nader onderzoek leert dat de vrouw al enkele dagen door de gangen en ruimten van de materniteit van het ziekenhuis dwaalde. Het Luikse gerecht gelooft dan ook niet dat het in de Nicolas-zaak om een georganiseerde ontvoering gaat. Aan “Het Belang van Limburg” verklaart Luitenant Remeu, hoofd van de Cel Opsporingen van het Luikse gerecht dat “we eventuele buitenlandse adoptiefilières evenmin mogen vergeten, maar we hebben geen enkel concreet bewijs dat in die richting wijst” (16 januari 1996). 

Het gerecht van Luik wil kost wat kost de identiteit te weten komen van de vrouw die op 13 januari 1996 een stuk van de nacht doorbracht in de kamer van mevrouw Moureaux. Ze bedient zich daarbij van twee technieken: de uitzending van oproepen en de verspreiding van robotfoto’s. Met het uitzenden van emotionele oproepen van de moeder, de vader en een kinderpsychiater wordt morele druk op de dader uitgeoefend. De eerste oproepen hebben geen effect. Om de druk te verhogen wordt gesuggereerd dat Nicolas ziek is (streptokokken B). Er wordt bovendien vermeld dat huisartsen hun beroepsgeheim kunnen inroepen, indien de ontvoerster zich bij hen aanmeldt met het kind. Ook deze oproepen blijven zonder gevolg.

Parallel met deze oproepen worden in totaal maar liefst drie verschillende robotfoto’s gemaakt en verspreid. Waarom volstond één portret niet? Een vergelijking tussen de verschillende versies en hun ontstaansgeschiedenis geeft wat meer duidelijkheid. Hierbij maken we dankbaar gebruik van de paspoortfoto van de ontvoerster die in populaire kranten werd afgedrukt.

De eerste robotfoto wordt nog op de dag van de ontvoering vervaardigd op basis van een gesprek met de belangrijkste ooggetuige, Mevrouw Moureaux. Door de vzw Marc en Corinne wordt deze tekening op 45.000 exemplaren gekopieerd en verspreid. De robotfoto, die een officiële stempel van de rijkswacht draagt, wordt aangevuld met een korte persoonsbeschrijving. Dat dit opsporingsmateriaal in allerijl gemaakt is, blijkt uit de vertaalfouten. Verzocht moet gezocht zijn, in plaats van Europees staat er Europeaans.

Op het moment dat de prent getekend wordt, verkeert de getuige in shocktoestand. Onderzoeksrechter Reynders bevestigt dit: “Het eerste fantoombeeld werd zondag getekend op basis van gegevens die ons verstrekt werden door zeer emotioneel geladen personen, in de eerste plaats de moeder van Nicolas” (“Gazet van Antwerpen”, 16 januari 1996). Het slachtoffer herinnert zich slechts details, een volledig beeld is er niet zodat de portrettekenaar ontbrekende kenmerken met erg lage waarschijnlijkheid moet toevoegen. Het ligt voor de hand dat men uit ethische en emotionele overwegingen rekening houdt met het beeld dat het slachtoffer van de dader heeft, maar zoals vrij snel blijkt, wijkt het resultaat af van de visie van een andere belangrijke getuige en, zoals nog later zal blijken, van de realiteit. De andere getuigen tonen respect voor de emotionele getuigenis van de moeder, de enige die deze stilzwijgende, ethische regel naast zich neer kan leggen is haar man, Patrick Moureaux. Hij heeft de verdachte gezien en gesproken en is over het eerste portret niet te spreken. Hij protesteert dat “die robotfoto niet deugt. Er is teveel aan bijgewerkt. Maar de politie wil mij niet horen. Terwijl ik toch een van de weinigen ben die met de ontvoerster heeft gepraat”.

Behalve de vader is er nog een tweede persoon die aan de getuigenis van de moeder en de gefabriceerde prent voorbijgaat. Een tweede robotfoto wordt vervaardigd door “een patiënte uit het ziekenhuis die de vrouw verschillende keren door de gangen had zien lopen” (“Het Belang van Limburg”, 16 januari 1996), terwijl andere bronnen spreken over “un parent d’une patiente” (“La Libre Belgique”, 16 januari 1996). Haar portret, dat meer weg heeft van een kindertekening, is officieus, maar wordt toch “diffusé lundi soir par les autorités judiciaires” (“La Libre Belgique”, 16 januari 1996). Daarin wordt het halflang, krullend haar uit het eerste portret vervangen door een kort, sterk gefriseerd kapsel. De neus wordt bovendien opmerkelijk breder en de mond smaller. Wanneer men die tekening naast de paspoortfoto en de andere versies legt, merk je evenwel opvallende gelijkenissen met het portret op basis van de verklaring van de moeder van Nicolas. Het krullende en niet-zijwaarts gekamde haar zijn gewoon overgenomen.

Tenslotte wordt op dinsdag een derde robotfoto gemaakt. De moeder en de tekenares van de tweede versie stemmen ermee in dat een betere versie mogelijk is en dat hun beeld gecorrigeerd kan worden. Dit portret komt tot stand op basis van herinneringen van de vader en leden van het ziekenhuispersoneel die de rondzwervende ontvoerster hebben gezien. Volgens alle betrokkenen sluit deze foto het dichtst aan bij de realiteit. Nogmaals wordt de haardos gewijzigd. Het haar wordt opvallend dunner en er verschijnt een zijwaartse slag. Het sterk krullende kapsel is echter niet volledig uit de derde versie verdwenen. Het zijwaarts hangende haar blijft erg gekruld. De wangen worden voller en de mond opnieuw breder. Wat dit betreft convergeren de versies van beide ouders.

Het derde portret is het resultaat van een compromis tussen de vader en de personeelsleden enerzijds en de moeder en de tekenares van de tweede versie anderzijds. Maar van zo’n compromis is alleen sprake vanaf het moment dat geen enkele partij bereid is om de volle verantwoordlijkheid te dragen voor de accuraatheid van zijn of haar beeld of indien een tegengestelde versie van een betrokkene gerespecteerd moet worden. Op die manier ontstaan tussen de versies opmerkelijke verschillen, zonder dat de specifieke kenmerken van iedere versie verdwijnen.

De enige constanten in de drie foto’s zijn de donkere ogen, de geëpileerde wenkbrauwen, het mollige gelaat en de grove gelaatstrekken. Wat met die “grove gelaatstreken” bedoeld wordt, blijft echter erg onduidelijk. Wat ook opvalt, is dat de berichtgeving over deze verschillen tegenstrijdig is. “Het Belang van Limburg” schrijft dat “de nieuwe versie nog weinig gelijkenissen vertoont met eerder verspreide foto’s” (16 januari 1996), “Het Nieuwsblad” weet dat “in het ziekenhuis al drie robotfoto’s hangen van de verdachte. Veel verschillen ze niet. Telkens keren dezelfde grove gelaatstrekken terug” (19 januari 1996). Verdeeldheid over de verschillen tussen de drie versies en unanimiteit omtrent het succes van de foto’s in het opsporingsproces gaan echter hand in hand.

 

3. De ontknoping

Pas nadat de derde robotfoto in omloop is gebracht, contacteert Nathalie Willaume de vzw Marc en Corinne waarna de rijkswacht de woning van haar buurvrouw onderzoekt en baby Nicolas aantreft (“Het Laatste Nieuws”, 22 januari 1996). “De 36-jarige Christine Bats uit Flémalle is moeder van drie dochters tussen zeven en veertien jaar. Maar diep in haar hart had ze nog een zoon gewild. Daarom nam ze de baby weg bij zijn moeder” (“Het Laatste Nieuws”, 22 januari 1996).

De kranten maken een onderscheid tussen de drie verschillende robotfoto’s die in circulatie waren. “Pas toen de derde robotfoto, gemaakt door een personeelslid van de kraamafdeling, is verspreid, zat Nathalie Willaume op het juiste spoor” (“De Standaard”“Het Nieuwsblad”, 22 januari 1996) en “Buren van de ontvoerster benadrukten gisteren dat de eerste twee robotfoto’s van de daderes helemaal niet overeenstemden met de persoon. De derde en laatste robotfoto gelijkt echter bijzonder goed op de vrouw” (“Het Volk”, 22 januari 1996). De buurvrouw bevestigde dit ook meermaals: “Ze leek zelfs geen beetje op de robotfoto, die de eerste dagen na de ontvoering is verspreid. De haardos van de ontvoerster is dunner, haar wangen zijn boller. Maar de grove gelaatstrekken kloppen wel” (“De Standaard”, 22 januari 1996).

Hoewel er ruime consensus bestaat over de rol die de derde robotfoto in het opsporingsproces heeft gespeeld, vermelden de meeste kranten dat wellicht ook andere elementen een rol hebben gespeeld in de oplossing van de zaak Nicolas. Zo legt Nathalie Willaume een verklarend verband met de kinderroof. Zij verneemt dat haar buurvrouw een tweeling verwacht. Hoewel zij dit aanvankelijk gelooft, wordt zij na enige tijd achterdochtig: “Nadat de ontvoerster me over haar zwangerschap had verteld, zag ik haar inderdaad verdikken. Tot ergens begin december. De ontvoerster zag er toen wel nog zwanger uit, maar ik kreeg de indruk dat er iets niet klopte. Liep ze met een kussen onder haar jurk rond? Ik zou het niet weten. Alleen: het beeld klopte niet meer. Christine werd ook zwijgzaam. Als wilde ze mijn vragen over de tweeling ontwijken” (“De Standaard”, 22 januari 1996). Aan een andere buurvrouw “vertelde ze dat ze bevallen was in Brussel maar dat een van de twee kindjes overleden was” (“Het Laatste Nieuws”, 22 januari 1996). Het wantrouwen neemt nog toe wanneer Nathalie Willaume later de partner van de ontvoerster ziet en informeert naar de bevalling: “Hij heeft heel koeltjes geantwoord: we hebben een zoon. Zonder blijdschap, zonder een naam te noemen. Het waren mijn zaken niet meer, dat las ik tussen de regels. Dat klopt ook al niet” (“De Standaard”, 22 januari 1996). Hoe moet die koelheid begrepen worden? Als teken van rouw voor de dood van een van de twee kindjes, of als een signaal dat er iets loos is? Als duidelijk is geworden dat de zwangerschap en de bevalling geënsceneerd zijn en niet een kindje gestorven maar ontvoerd is, worden de bewijsstukken aan de lopende band geproduceerd. Zo vertelt nog een andere buurvrouw: “Als er iemand bij haar aanbelde, deed ze de deur open, keek schichtig naar buiten, liet haar bezoeker binnen en deed dan razendsnel de deur weer dicht” (“Het Laatste Nieuws”, 22 januari 1996).

 

4. Valse aantijgingen

De drie fantoombeelden komen niet gelijktijdig tot stand en worden niet gelijktijdig verspreid. Deze getrapte presentatie zorgt in tegenstelling tot de verspreiding van slechts één foto voor een meer dynamische omgang met de geproduceerde beelden. Er wordt als het ware een filmische sequens van prenten gegenereerd. Het is duidelijk dat elk afzonderlijk beeld geen aanspraak kan maken op een volmaakte overeenstemming. Bij de waarnemer maakt een uniek mentaal beeld plaats voor een meer abstracte, mentale voorstelling waarin elk element met een wisselende waarschijnlijkheid naar het gelaat van de dader verwijst. Hoe belangrijk de getrapte presentatie is, wordt pas duidelijk wanneer je na de ontknoping aan een onwetende vraagt om de drie robotportretten met de foto op de identiteitskaart te vergelijken. Niets garandeert dat hij of zij het laatste portret er zomaar als beste uitpikt.

Deze dynamiek heeft zowel voor- als nadelen. Een nadeel is dat het verwerven van een coherent beeld van de dader erg moeilijk wordt. Zo wordt de derde robotfoto door de vzw Marc en Corinne niet meer op affiches gedrukt en verspreid, volgens Jean-Pierre Malmendier “om verwarring te vermijden” (“Het Nieuwsblad”, 19 januari 1996). Voordeel van die weliswaar onbedoelde presentatie is dat de waarnemer door confrontatie met de verschillende versies zou beseffen dat het portret slechts een benaderende en zeker geen accurate weergave is van de verdachte. Voor de waarnemer, die bij het zien van de eerste foto een vermoeden heeft, wordt het nieuwe mentale beeld rijker of armer, wint of verliest het aan overeenkomsten. Door de getrapte presentatie wordt de waaier aan verdachten voor sommigen breder en voor anderen nauwer. De meelevende burger wordt op die manier betrokken in de convergentiebeweging van getuigen en tekenaars. 

Dit brengt ons bij het probleem van de valse aantijgingen. De verspreiding van robotfoto’s levert altijd een serie verkeerde aanwijzingen op. Hierop is de zaak Nicolas geen uitzondering. Hoeveel dat er in werkelijkheid zijn geweest, kan men moeilijk achterhalen. Bekend is dat na de publikatie van de eerste foto circa 200 tips binnenkwamen, waarvan geen enkele bruikbaar was (“Het Laatste Nieuws”, 16 januari 1996). Wij beperken ons hier tot die gevallen waarover de Vlaamse pers heeft bericht.

“De Morgen” schrijft dat een tipgever, Albert genaamd, de vzw Marc en Corinne inlicht over een vrouw die sterk op de eerste robotfoto lijkt: “Toen ik de robotfoto zag, kreeg ik een schok. Ze lijkt als twee druppels water op de vrouw die in het appartement onder mijn zoon woont” (“De Morgen”, 16 januari 1996). “Het Nieuwsblad” deelt mee dat “een personeelslid van het Citadelle-hospitaal nu een diadeem in het haar draagt. Want met loshangend haar lijkt de dame sterk op de [eerste] robotfoto van de ontvoerster van baby Nicolas. Al tienmaal is het personeelslid door bezoekers van het hospitaal als verdachte aan de politie opgegeven” (“Het Nieuwsblad”, 19 januari 1996). Diezelfde krant weet eveneens dat “de rijkswacht van Sint-Genesius-Rode een vrouw uit Drogenbos verhoorde die volgens getuigen ‘erg veel’ leek op de [eerste] robotfoto van de ontvoerster van de pasgeboren Nicolas uit Luik”, evenwel “De ouders van de vermiste boreling herkenden de vrouw niet als de dievegge” (“Het Nieuwsblad”, 17 januari 1996). “De Morgen” brengt twee dagen na de ontknoping dan weer het ronduit merkwaardige verhaal over Mevrouw Stevens die een huis betrekt waarvan zowel het huisnummer als de straatnaam overeenstemmen met de coördinaten van de ontvoerster, slechts één detail verschilt, de naam van de gemeente. Mevrouw Stevens krijgt reeds op maandag, dus daags na de ontvoering, bezoek van de politie en wordt voor ondervraging meegenomen. Iemand zou haar op de eerste robotfoto herkend hebben. Of die tipgever haar of de feitelijke ontvoerster op het oog had, en de gerechtelijke politie zich van gemeente vergiste, weten we niet aangezien Mevrouw Stevens “toegegeven, bizarre gelijkenissen vertoont met de robotfoto’s en met de ontvoerster”: “Ik ben ongeveer een meter zestig, heb dezelfde haarsnit en gezichtstrekken. Ook mijn man is metselaar, ook ik heb drie kinderen. Alleen ben ik iets dikker” (“De Morgen”, 23 januari 1996). De reporter houdt rekening met een mogelijke vergissing en concludeert wat spectaculair: “de ontvoerde baby had eigenlijk al daags na zijn verdwijning uit het Luikse Citadelziekenhuis opnieuw thuis kunnen zijn” (“De Morgen”, 23 januari 1996). Een laatste, zij het erg tekenend, maar daarom niet minder droevig geval van valse herkenning leest men in het reeds vermelde artikel over de zaak Jonathan Vicart in “Het Belang van Limburg”. Die baby verdween op vrijdag 13 juni 1986 uit het Sint-Amandushospitaal van Doornik en werd nooit teruggevonden. In die zaak werd van twee verdachten een robotfoto gemaakt en een persoonsbeschrijving vrijgegeven. Over één verdachte die tot twee keer toe “in verdachte omstandigheden werd gezien in de kinderafdeling van het Saint-Georgesziekenhuis van Bergen” (“Het Belang van Limburg”, 17 januari 1996), zegt de grootmoeder in het interview dat “Het merkwaardig is dat die robotfoto erg lijkt op de robottekening van de vrouw die nu gezocht wordt in verband met de ontvoering van Nicolas” (“Het Nieuwsblad”, 4 juli 1986). We hebben ook die robotfoto opgevraagd. U oordeelt zelf maar over de gelijkenis.

Hoewel valse aanwijzingen weliswaar minder erge gevolgen hebben voor de betichten dan foutieve identificaties tijdens line-ups of zogenaamde Oslo-confrontaties (sessies waarbij slachtoffers uit een reeks echte personen of foto’s de dader aanduiden), zijn de sociale en emotionele gevolgen ervan niet zo gering. Maar al te vaak blijkt dat een vermoeden van schuld voldoende is om een negatieve houding tegenover een valselijk betichte persoon aan te nemen. Onderzoek over deze gevolgen is ons niet bekend, maar de algemene impact van valse vermoedens kunnen we wel illustreren met de volgende analogie. Uit een experiment van S.M. Kassin, L.N. Williams en C.L. Saunders uit 1990 blijkt dat een totaal uit de lucht gegrepen vermoeden van een advocaat voldoende is om de geloofwaardigheid van getuigen behoorlijk aan te tasten (2). Erger nog, wanneer dat vermoeden door de rechter als irrelevant wordt bestempeld en door de getuige onbeantwoord wordt gelaten, vindt meer dan één derde van de participanten dat dit vermoeden toch juist is!

 

5. Confirmation bias

De problematiek van valse aantijgingen werpt een licht op de wijze waarop we naar afbeeldingen kijken en objecten of personen herkennen in afbeeldingen. Terwijl de getuige het beeld van de verdachte probeert te visualiseren en af te beelden, probeert de waarnemer iemand in dit portret te herkennen. De getuige zoekt een beeld voor de persoon, de waarnemer zoekt een persoon voor het beeld. De getuige en de waarnemer hebben een tegengestelde opdracht. 

De herkenning van afgebeelde personen verloopt niet volgens wetenschappelijke criteria. De waarnemer maakt geen gebruik van een matrix waarin alle zichtbare gelaatskenmerken zijn opgenomen, van een balans tussen gelijkenissen en verschillen en ook niet van statistische steekproefinformatie over relatieve aantallen. Op basis van slechts enkele weergegeven gezichtskenmerken besluit de waarnemer tot een gelijkenis met de persoon die hij in gedachten heeft. 

Een erg opvallend verschijnsel hierbij is dat een waarnemer vrijwel nooit rekening houdt met de zekerheidsgraad waarmee een getuige een gelaatskenmerk beschrijft. Daarover krijgt hij trouwens ook geen informatie. In theorie zou de portrettekenaar bij elk gelaatselement op de foto een zekerheidspercentage moeten geven. Maar portrettekenaars, zeker in België, schuwen wiskundige en statistische methodes. Vanuit een romantisch geloof in intuïtie en vakmanschap verwerpen ze softwareprogramma’s die dit soort informatie wel geven (3). Er gaat, naar eigen zeggen, nog altijd niets boven pen en papier terwijl begin jaren ’80 werd aangetoond dat software het merkelijk beter doet dan ambachtelijk werk (4).

Dit gebrek aan nuancerende informatie geeft de waarnemer alle vrijheid om te beslissen over de zekerheidsgraad van een kenmerk. Alleen gebruikt hij die vrijheid op een eenzijdige en tendentieuze manier. De waarnemer, die iemand in een beeld herkent, slaagt er immers buitengewoon goed in om een kenmerk dat niet overeenkomt met het mentale beeld van die persoon als mogelijk foutief te beschouwen, als een foutief weergegeven herinnering van de getuige af te doen. Aan dit kenmerk kent hij een lage waarschijnlijkheid of zekerheid toe, maar alleen opdat zijn vermoeden juist zou blijven. Komt het kenmerk wel overeen met zijn mentale beeld, dan concludeert hij ten onrechte dat de getuige dit met maximale zekerheid heeft aangebracht. In de sociale psychologie staat dit effect om de waarde van bevestigende informatie te overschatten en die van ontkennende informatie te onderschatten bekend als confirmation bias

De kansen op vertekening nemen toe naarmate het portret slechts een benadering is. Terwijl bij een foto het aantal identificeerbare personen nog beperkt is, leidt een robotfoto tot een hausse van mogelijke verdachten. In een van de weinige beschouwende artikels dat tijdens de ontvoering van de kleine Nicolas verscheen, bevestigt robotfototekenaar Ben Claeys: “We proberen zelfs niet te fotografisch te tekenen. Anders gaan mensen één bepaald persoon in hun hoofd hebben en niet meer op andere personen letten. Bij een tekening daarentegen zijn de mogelijkheden veel groter” (“De Morgen”, 19 januari 1996). Zo gezien, beschikken niet alleen de media maar ook de opsporingsdiensten over uitstekende middelen om de bevolking zo massaal mogelijk bij de oplossing van een misdaad te betrekken.

 

(1) J.C. Brigham, A. Maass, L.D. Snyder, & K. Spaulding, “Accuracy of eyewitness identifications in a field setting”“Journal of Personality and Social Psychology”, 1982, 42, pp. 673-680. Voor een excellent en recent overzicht van fouten in identificatieprocedures, zie B.L. Cultler & S.D. Penrod, “Mistaken identification: the eyewitness, psychology and the law”, Cambridge University Press, 1995.

(2) S.M. Kassin, L.N. Williams & C.L. Saunders, “Dirty tricks of cross-eximination: the influence of conjectural evidence on the jury”“Law and Behaviour”, 1990, 14, pp. 373-384.

(3) Steven Jacobs, “Kleine esthetica van de robotfoto”“De Witte Raaf”, nr. 59.

(4) G.M. Davies, “Capturing likeness in eyewitness composites: the police artist and his rivals”“Medical Science Law”, 26, 1986, pp. 283-290 en K.R. Laughery & R.F. Fowler, “Sketch artist and identikit procedures for recalling faces”“Journal of Applied Psychology”, 65, 1980, pp. 307-316.