Linda Warmoes

DE WITTE RAAF

Editie 60 maart-april 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

KUNST - een feuilleton in afleveringen

Aflevering 2: De kunstenaar is de lever van de maatschappij

Feuilleton: Oorzaak van zedelijk verval. Erover discussiëren hoe het afloopt. De auteur aanschrijven om hem ideeën aan de hand te doen. Woedend worden als je er een naam in tegenkomt die op de jouwe lijkt.

Gustave Flaubert, in: “Woordenboek van pasklare ideeën”

 

Wat voorafging

De ochtend na een erg levendige party in het SumMum ontdekt de Grote Chef het lichaam van de kunstenaar Henry Morton. Inspecteur Hamer en zijn assistent Nagel verschijnen nauwelijks later op de plaats van het onheil, maar het lijk en de Grote Chef zijn verdwenen. Van de diverse contacten die de inspecteur heeft om deze onverkwikkelijke zaak op te helderen, onthouden we vooral de verdachte getuigenis van Betty, de bevallige serveerster van het SumMum. Elders, op een ander moment en met betrekking tot een totaal andere zaak weet Bert het vertrouwen te winnen van niemand minder dan Jean Prefab…

 

1. Een rustige maandagmiddag

Maandag rustdag, in het kunstcircuit. Er werd dan ook alleen maar over koetjes en kalfjes gepraat ten huize van galerie Apostrophe. Flip Van de Waeter en François De Puydt zaten er ontspannen bij.

De Puydt: “En nen De Keyser van... nehenuntjeventuh?”

Van de Waeter: “Van ’79? Bwoh... zeshonderdvijftig, zevenhonderd. Ik geloof dat Iglo van het SILHO er toch zoveel voor gekregen heeft.”

De Puydt: “En ene van... tjevenuntahtuh?”

Van de Waeter: “Van ’87 kan al vanaf vierhonderd.”

De Puydt: “En ienentwa van... van... Morton...?”

Van de Waeter spitste zijn rechteroor. De geveinsde nonchalance waarmee De Puydt het aas uitwierp, verraadde dat de vis die hij aan de haak hoopte te slaan bepaald vet was. Voor Flip geen enkel probleem, zolang er ook voor hem iets in de fuik bleef zitten. Zo dacht Van de Waeter: in centen en procenten.

“Van welk jaar?” probeerde hij voorzichtig.

De Puydt: “Nehenentjestuh, tjeventuh, k’e uëk noh iet ligge van enuntjeventuh...”

Van de Waeter: “’69, ’70, ’71, dat waren niet zijn slechtste jaren. Maar zeg liever wat je voor die dingen zou willen. We moeten natuurlijk niet te hard van stapel lopen. Om nu opeens te doen alsof we met een genie te maken hebben, gewoon omdat de arme man dood is, dat gaat uiteraard te ver. Maar het mag er zijn, het heeft zijn plaats, dat werk. Zeg eens, wat is jouw prijs François?”

De Puydt haalde diep adem, krabde aan zijn buik en pufte de verbruikte lucht weer naar buiten. “‘k Wee noh nie. ‘k Moe noh ‘s goe peinze...”

Loos alarm. Hij hapte niet toe. Maar ja, ‘t was dan ook maandag. Van de Waeter geeuwde verveeld. “Nog een wijntje, François?”

“Joak joak! En hè je miskiens uëk ‘n stuk koaze?”

Flip slofte naar de keuken en verscheen even later met een kaasplank waarop De Puydt al aanviel nog voor die op tafel stond.

“Mor de Fabrice,... ‘t es uëk ne gruëte. Nen... hiele gruëte.”

“Mmmm.” Van de Waeter viel bijna in slaap.

“Want de Fabrice... passie mentoal ghenerere…,” ging De Puydt verder, maar zijn waardering smoorde in een vredig geronk. Ook hij soesde weg. Ach, hoe liefelijk scheen het zonnetje naar binnen. De heren lagen erbij als rijpe perziken in een fruitmand, doodstil en donzig. Tot een hels telefoongerinkel hen wekte uit hun prille lenteslaapje.

“‘k Hè niets gedoan, ‘k hè niets gedoan!” piepte De Puydt, die droomde dat er een alarm afging.

“Flip? Met Pim hier!” hoorde Van de Waeter. “Sorry jongen, ik zat helemaal in Krefeld en alles liep verschrikkelijk tegen. Waar ik nu ben? Dat weet ik niet precies, in de buurt van Geel ergens, geloof ik. Ik kom zo snel als ik kan naar je toe. Wat zeg je, eten? Nou, heel graag, want eerlijk gezegd rammel ik van de honger! Tot straks dan.”

Flip hing op en wreef zich eens flink door de stoppelbaard. Pim Laurijsse, een collega, kwam met hem spreken over een mogelijke samenwerking bij de verkoop van Luc Tuymans in het Verre Oosten: daar konden ze geen pottekijkers bij gebruiken, en zeker geen keukenpiet als De Puydt! Maar als hij zijn vriend de deur uit wilde werken, dan kon hij er maar beter meteen aan beginnen. Hij moest de koe meteen bij de horens vatten.

“Zeg François, Patrick komt straks langs. Hij wou eens weten waar jij met dat werk van hem gebleven bent. Als hij het maar niet verkocht heeft, zei hij nog.”

De Puydt verslikte zich in een kaasblokje, en maakte aanstalten om heftig te protesteren.

“Wacht even,” sneed Flip hem de pas af, “ik heb met die zaak niks te maken. Oei, half vier al. Hij kan elk moment voor de deur staan.”

Dat werkte, want De Puydt greep naar zijn jas en snelde, zo goed en zo kwaad hij kon, naar de deur.

 

2. Op hetzelfde moment, en toch zeven uur later

“Mooi, mooi, mooi,” mompelde de Grote Chef toen hij zijn hotelkamer binnenstapte. Nog geen elf uur, 22 uur 56 pas, zo vroeg had hij zijn bed hier nog niet één keer gezien. Allemachtig wat was zijn programma overladen, en toch had hij helemaal niets gezien waar hij zijn aandacht bij kon houden. En dan die onverdragelijke hitte! Gelukkig had hij zijn twee allerlichtste kostuums bij zich, van het meest verfijnde en luchtige Italiaanse linnen. Terwijl hij zijn ronde brilletje wat hoger op zijn neus schoof, dwaalden zijn gedachten af naar die dag in Milaan, toen hij samen met Jannis Kounellis die herenmodezaak binnenging...

De Grote Chef stond voor de spiegel en ontdeed zich van zijn jasje, daarna van zijn broek en tenslotte van zijn vest. Ja, zijn vest ging altijd het laatst uit, want zijn vest was zijn heiligdom, om niet te zeggen zijn vesting! Al was het vijftig graden in de schaduw, als zijn welgestelde buik niet was omspannen door een vest, dan voelde de Grote chef zich compleet verloren. “Jaja,” zei hij tegen zijn spiegelbeeld, “zoals van Gogh zijn Oor heeft, en Sonja Barend haar Morgen Gezond Weer Op, zo heb ik mijn Driedelig. Alle goeie dingen in drieën, zelfs mijn pyjama!”

Hij schudde zijn kussens op, vlijde zich tussen de lakens en legde zijn horloge op het nachtkastje, vlak naast een folder die hij nog niet eerder had gezien. LADIES stond er in grote letters op. Hij vouwde het drukwerkje open, en terwijl hij met zijn ogen langs de afgebeelde Taiwanese meisjes liep, zei hij: “Zo, eens even kijken wie wij zullen bellen. Maar dan alleen om hier op de rand van mijn bed een klein naaktdansje uit te voeren! Sorry dames, hoewel mijn imposant lichaam misschien anders doet vermoeden, zijn eigenlijk alleen mijn ogen tot volle wasdom gekomen.”

Juist toen hij zijn hand naar de telefoon wilde uitstrekken, zette het toestel het op een hevig rinkelen. Als door een hond gebeten trok hij zijn hand terug, maar al gauw ging de schrik over in een glimlach. “Kijk, zo moet het!” lachte hij. “Niet de Grote Chef belt de dames, maar de dames bellen de Grote Chef!” Hij wachtte nog een paar seconden met opnemen en zei toen, zo omfloerst mogelijk: “Hello!”

“Hallo, spreek ik met de Grote Chef?”

“Spreekt u mee!”

“Met Hamer, inspecteur van politie. Ik onderzoek het incident met het lijk dat heeft plaatsgevonden in uw museum. U schijnt degene te zijn die het stoffelijk overschot van Henry Morton heeft gevonden, klopt dat?”

“Goeie genade, u overvalt me wel enigszins, moet ik zeggen. Maar op zichzelf kan ik niet ontkennen dat ik een lijk heb gevonden, jazeker. Ik ben ook degene geweest die de politie heeft gebeld, trouwens. Dat is het laatste wat ik heb kunnen doen voor die arme Henry Morton.”

“U heeft in het verleden wel meer voor hem gedaan, begrijp ik.”

De Grote Chef concludeerde uit deze reactie, die een vraag en een antwoord in één was, dat hij met een slimme rechercheur te doen had. “Laat ik er geen doekjes om winden,” zei hij, “het laatste wat ik voor Morton heb kunnen doen, was tevens het eerste, want ik heb hem pas de avond voor de moord persoonlijk leren kennen.”

“Aha,” reageerde Hamer, “u heeft op dat feest pas kennis met hem gemaakt?”

“Op mijn kamer. Toen het feest begon zat ik nog achter mijn bureau om mijn reisprogramma door te nemen. Ineens stond hij daar.”

“Wat kwam hij doen?”

“Nou weet ik eigenlijk niet. Hübschmidsk had hem gestuurd, en zelf zei hij geen boe of bah. Ik heb hem maar gezegd dat ik na mijn reis een keer persoonlijk op zijn atelier zou komen, ik, persoonlijk, maar dat hij nu weg moest gaan omdat ik absoluut geen tijd had. Hij leek erg ingenomen met mijn voorstel, en is er weer vandoor gegaan.”

“Tja, hij gaat er wel eens vaker vandoor. Drie kwartier na uw telefoontje naar het politiebureau was zijn lijk al verdwenen,” merkte Hamer droog op.

De Grote Chef schrok zich een hoedje. Het lijk was de pist in!

“Is u iets bijzonders opgevallen die morgen?”

“Behalve het lijk, dat in mijn aanwezigheid doodstil is blijven liggen, is mij helemaal niks bijzonders opgevallen, echt helemaal niks.”

“Come on!” zei Hamer. “U bent de baas van een groot kunstmuseum, en u wilt mij nu gaan wijsmaken dat u helemaal niks gezien heeft? U heeft toch wel ogen in uw hoofd, mag ik hopen!”

“Alleen maar!” reageerde de Grote Chef, “maar met de hand op mijn hart, echt niet, behalve het lijk heb ik helemaal niets gezien!”

“Dan laten we het hierbij, voor dit moment. Als ik u weer nodig heb, weet ik u te vinden.” Een kille kiestoon maakte een eind aan het gesprek.

“Sodemieter,” gromde de Grote Chef, die er een punt van eer van maakte om zelf altijd als eerste de telefoon dicht te gooien. De dames met en zonder badpak konden hem nu gestolen worden, een beetje zieletroost was meer van doen. Hij haalde een fraaie poëziebundel te voorschijn, en sloeg hem open op zijn favoriete pagina:“De man van Tollund”. Een paar strofen later al had de Chef de nodige vrede gevonden in het land der dromen. Er verscheen hem een grote pot met vijf ton erin, die hij samen mocht delen met een paar Kleine Chefs. Het grootste deel was uiteraard voor hem…

 

3. De schoen en het bloed

Toen Hamer zijn telefoontje met Taiwan had beëindigd, stak hij het potlood met de opdruk summmmMummmmm in de elektrische slijper en draaide er een nieuwe punt aan. Hij was licht bijgelovig, en had zich voorgenomen om zolang dit onderzoek duurde alleen nog maar met dit potlood te schrijven. En met Nagel had hij gewed dat de zaak zou worden opgelost vóór het potlood een zo klein stompje was geworden dat je het niet meer kon vasthouden. Voorlopig zag Hamer nog geen licht aan het einde van de tunnel. Er lag al een vierhonderddrieëndertig pagina’s tellend dossier en eigenlijk was hij nog geen jota wijzer.

De ellendigste getuigenverhoren zaten er tussen. Wat had die Fik Buyck ook alweer verklaard? Hamers vingers ritselden in de stapel papieren en las hardop: “Weten dat de ander daar is, men is er altijd van afgescheiden en men probeert relaties te leggen, maar men blijft...”

“...autistisch,” sneerde Hamer. Ook de getuigenis van Monsieur Chapeau was een regelrechte ramp geworden. Zevenentwintig uur lang had Chapeau aan een stuk door gerateld, Hamer had drie rechercheurs aan hem versleten, en hoe was het ook alweer geëindigd? Hamer pakte het honderddrieëntwintig pagina’s tellende verslag erbij: “...het lege vierkant, het lege vierkant, dat zou weleens de afwezigheid kunnen zijn, dat is de antipode van het leven dat gevuld is met van alles en nog wat, en dat is hier de leegte, het onbekende, dat is de plaats waar plots de vraag wordt gesteld: wat is kunst, wat is de functie van kunst, wie ben ik en waar kijk ik naar...?”

“Dat is dan directeur van een museum,” sprak Hamer luidop, “godallemachtig, zo iemand is als circusbaas nog misplaatst.” Het werd de inspecteur nu echt te machtig, en met veel misbaar gooide hij de getuigenverslagen op tafel.

Straks had hij een afspraak met Betty, mogelijk leverde dat verhoor de sleutel tot de oplossing, want van die serveerster wist Hamer tenminste zeker dat ze informatie achterhield...

Na een geroutineerde klop op de deur leidde een collega een hoogblonde dame van middelbare leeftijd binnen. In haar ene hand had zij een plastic boodschappentas van Albert Heijn, in haar andere hand de lijn van een hond die achter haar aandribbelde als een worst op pootjes. In goed Amsterdams gaf zij de reden van haar komst.

“Ben u meneer Hamer? Mevrouw Schakel, aangenaam. Het is namelijk zo, ik maak schoon in het museum. Gossiemijne, wat hebben wij ‘n werk gehad na dat feesie. Ik zeg tegen me man, ‘t is dat ‘t niet zo vaak gebeurt, anders kon ik beter plees gaan boenen. Wat een vuilnisbelt! Maar eigenlijk was het dus een kerkhof hè, met die dooie die is gevonden. Wel erg hè, voor zo’n jongen...”

“Waar komt u precies voor, mevrouw?” Hamer begon zijn geduld al te verliezen.

“Nou, ik ga dus de tuin in om een paar kleedjes uit te kloppen en toen sie ik daar vlak bij de nooduitgang dit legge.” Ze zette de plastic tas op tafel.

Hamer keek erin en zag een mannenschoen.

“Toen zegt Henk van de bewaking: breng die maar naar de politie, want ze weten niet wie ‘t hep gedaan en misschien is die klerelijer wel gevlucht en heppie ze schoen verloren.”

“Heel attent van u, mevrouw. We zullen het zeker laten uitzoeken. Ik roep even een agent, dan kan die proces verbaal opmaken.” Hij stond op en de aangelijnde worst begon te blaffen. Hamer gaf de hond een aai, bedankte de vrouw en hield de deur voor hen open.

Toen hij weer achter zijn bureau zat, stak de vrouw alsnog haar hoofd even om de deur en riep: “Zeg, als die messetrekker nou gevonden wordt, dan blijft er toch zeker ook wel wat voor mij aan de strijkstok hangen, niet dan? Ik ga van de zomer mijn keuken opknappen en een paar ruggen bejje zo kwijt.”

“We zullen zien,” riep de inspecteur terug.

Zonder de deur te sluiten liep de vrouw weg, en net toen Hamer wilde gaan vloeken, stond Nagel in de kamer.

De inspecteur slikte zijn godswoord in. “Ik zat met smacht op je te wachten, Nagel. Heb je de uitslagen van het lab? Ik hoop op iets schokkends, het onderzoek heeft dringend een nieuwe impuls nodig.”

“Wat je schokkend noemt,” zei Nagel. “Het bloed dat is gevonden blijkt afkomstig te zijn van twee personen!”

“Kon slechter. Een gevecht misschien, met bloedverlies bij zowel dader als slachtoffer. Mooi! En kijk ook eens wat ik hier heb. Wie is de eigenaar van dit hoogst merkwaardige schoeisel? Morton, of zijn moordenaar? In beide gevallen komen we met het antwoord een stapje dichter bij de oplossing. Maar hoe komen we daar achter?”

“Als we eens naar Hélène Hübschmidsk stapten met die schoen, mogelijk weet zij of hij Morton paste,” probeerde Nagel voorzichtig.

“Weten galeristen dan welke schoenen al dat kunstvolk draagt? Ik weet het niet eens van jou, en jij loopt mij hier dagelijks voor de voeten! Laat je voet eens zien... O ja, jij had dat voor een man veel te kleine maatje.”

“Morton is een heel ander geval,” zei Nagel kalm. De assistent voelde dat hij zijn chef terug kon pakken met een lesje in hedendaagse strekkingen. “Morton was namelijk een voetkunstenaar, hij maakte zijn kunstwerken al stappend. Van iedere wandeling hield hij nauwkeurig een verslag bij, en dat verslag, dat... euhm...”

“Hing hij dan thuis aan de muur,” vervolgde Hamer cynisch.

“Nou ja, de precieze details ken ik ook niet. Maar ik weet wel dat hij twintig jaar behoorlijk zijn brood verdiende met zijn voeten.”

“Goed, jij zult het wel weten.” Het ergerde Hamer dat hij in deze zaak voortdurend met idiote praktijken geconfronteerd werd. Straks kwam er nog iemand vertellen dat die hele moord een kunstwerk was.

 

4. Een verlaat bezoekje

Pim Laurijsse parkeerde zijn wagen vlak voor de geblindeerde ramen van Galerie Apostrophe. Bij Van de Waeter was de tafel al gedekt, Pim kon meteen aanschuiven. Flip schonk de wijn in en een meisje van een jaar of achttien zette een dampende soepterrine op tafel.

“Gezondheid, Pim, op Kyoto!”

“Ja, op Kyoto! Is je vrouw er niet?” vroeg Pim.

“Die is naar yoga.”

“O, zit die op yoga! Ik ken een verzamelaar wiens vrouw ook op yoga zit. Hij zegt altijd: ‘Mijn vrouw heeft haar yoga en ik heb mijn Goya.’ Hij heeft namelijk een paar etsen van Goya in zijn verzameling.”

“Hoe gaat het verder?” vroeg Flip terwijl hij de soep opschepte.

“Bwah, zoals de zaken tien jaar geleden gingen, zullen ze nooit meer gaan, maar ik mag niet klagen. Volgende week opent een tentoonstelling met Piet Mol. Daarna komt Cor Poulijn, maar het vreemde is dat ik van hem nog geen bevestiging heb gekregen, ik heb al een paar vergeefse pogingen gedaan om met hem in contact te komen. Nou heb ik genoeg werk van hem in huis, daar niet van, maar ik kan toch geen tentoonstelling maken zonder dat Cor even een kijkje komt nemen?”

Het meisje haalde de soepborden weg en bracht vervolgens in een snelle dribbelpas een nieuw gerecht binnen. Nadat ze de ovenschaal had neergezet, sloeg ze de hitte van haar lange vingers.

“Cor Poulijn,” zei Flip, “dat is toch de man van het exotische schoon?”

“Ja, heel mooi,” lachte Laurijsse, “maar hij is natuurlijk ook heel vaak en heel lang in exotische landen om materialen te zoeken. Uit Kenia bracht hij bijvoorbeeld de zuiverste pigmenten van secundaire kleuren mee die er op aarde te vinden zijn, van paars, groen en oranje.”

“Is hij al in Japan geweest?” Van de Waeter probeerde ten tweede male de vlag op het juiste continent te planten.

“Nee, hij zou vorige week bij mij langs komen na een reis van drie maanden door Guatemala, maar ik heb niks gezien of gehoord. Helemaal zijn stijl niet!”

“Je weet toch hoe zoiets loopt,” zei Flip, “er kunnen op zo’n reis duizend en één onverwachte dingen op je pad komen. Ik heb vandaag ook drie uur op jou zitten wachten zonder van iets te weten, dat is ook helemaal jouw stijl niet! Kom, laten we nog eens inschenken!”

Flip zette het volume van de achtergrondmuziek een beetje harder en prompt kwam het meisje de kamer binnen om af te ruimen.

“Wat heb jij lekker gekookt,” zei Pim.

Het meisje incasseerde lachend het compliment, maar toen zij de kamer had verlaten zei Flip van achter zijn hand: “Niets zeggen, maar mijn vrouw heeft gekookt! Ik geloof dat ik haar net hoor binnenkomen!”

“Helemaal ontspannen?” vroeg Flip, toen zijn vrouw verscheen.

“Helemaal ontspannen!” straalde mevrouw Van de Waeter.

En nadat zij Pim een hand had gegeven zei Flip: “Zo Pim, dan stel ik voor dat wij de koffie meenemen naar beneden en in de galerie verder praten over onze plannen met Luc Tuymans.”

 

5. Prefabs woede

‘t Was nacht in de havenstad. Fritz Loburg schoof als een schaduw langs de gevels van de uitgaansbuurt. Goeie grutten, daar kletterde hij met veel aplomb tegen de kasseien!

“Und die Hanny ist die Schönste wenn sie nackt ist!”

Wat een geluk, de onfortuinlijke bleek nog in staat om met luide stem de schoonheid van zijn echtgenote te bezingen, de schade viel dus wel mee. Maar hij had eigenlijk ook alle reden tot die lofzang, want zijn lieve vrouw zetelde in een jury die hem net een prijs had toegekend voor zijn gehele artistieke oeuvre. In de Hacienda was Fritz een deel van het prijzengeld stante pede gaan inwisselen tegen een paar liter gerstenat. Daar stelde men zijn gezelschap in principe erg op prijs, maar na het bereiken van een zeker promillage werkte men hem toch liever de deur uit.

De Hacienda moest zowat de goorste nachtclub van de havenstad zijn. Alles was er in overvloed aanwezig, seks, drugs, Iggy Pop, alles wat een mannenhart kon begeren. Aan de tapkast stond iemand waarvan je zou zweren dat hij zich had klaargezet voor een stevige fouilleerbeurt. Jean Prefab - want hij was het - stond met gestrekte armen tegen de tap geleund, kont naar achteren, benen gespreid en het hoofd gebogen. Alleen de omstaanders, voor het merendeel intellectuelen die Prefabs werk schrijvenderwijs op de voet volgden, wisten dat hij gewoon in gedachten verzonken was. Ze stonden er quasi nonchalant bij, maar hielden allemaal de adem in en de oren gespitst. In omstandigheden als deze liet De Vader, zoals ze hem in zijn afwezigheid noemden, weleens zinnen los die als sleutels golden voor zijn enigmatische universum.

“Weet ge... ,” begon Prefab, en toen zweeg hij weer een poos. Zijn toehoorders knikten voor alle zekerheid.

“Weet ge. Die gasten. Op ‘t straat. Allez, die bruin mannen...”

“Migranten,” verduidelijkte Ronny Looymans, een jongen die nog het meest leek op een doorgeschoten stronk prei. Hij keek snel even rond, ja ja, iedereen was er.

“Migranten. Die bedoel ik. Godverdomme, taal is toch een complex fenomeen, het is gewoon een...” Het volgende woord werd gesmoord in een diep gerochel en een stevige teug whisky.

“Die gasten op straat zijn O.K.! Mannen met ballen. Het volk is O.K. Maar het is ziek, het volk. En als het volk ziek is, gaat de kunstenaar dood. Hij moet sterven.”

De toehoorders wisselden snel een blik met elkaar. Ze wisten het: hun idool zat dicht tegen het delirium aan, wat in het verleden momenten van onwaarschijnlijke schoonheid had opgeleverd.

“Jean, bedoel je dat de kunstenaar, zoals bij Bataille, de lever van de maatschappij is? De plek waar het gif ligt opgeslagen?” Dat was Danny Van Kampen, part-time leraar op een slagersschool en bijzonder thuis op het terrein van de vleesfilosofie. Hij had zichzelf de laatste maanden als een komeet naar het firmament van de Prefab-exegese geschoten.

“Wie? O ja,... Batailleuh-k.” Prefab boerde vreselijk luid. Even vreesden de jongens dat er wat mee naar boven ging komen, maar gelukkig bleef alles binnen.

“Ja, Bataille. Hem bedoel ik. Niemand zegt het beter. De kunstenaar is dood. Het lijk is spoorloos.”

“Zoals deze hier,” vervolgde Van Kampen, die soms ontzettend concreet kon zijn, en hij haalde er een exemplaar bij van “De Scheldegazet”, met op de cover een vette kop: “Lijk Morton verdwenen. Prijzen bereiken nieuw record.” Iggy Pop was net uitgezongen en er viel een onheilspellende stilte.

“Onnozele dikke darm! Haal die strontkrant onder mijn ogen uit!”

Alle blikken richtten zich vernietigend op Van Kampen. Als Prefab het A.B.N. bezigde, was het uitkijken geblazen, dat wisten ze allemaal. De krant werd Van Kampen uit handen getrokken en in stukken gescheurd. Flor De Wolf van uitgeverij Van Inpalmzwicht siste dat Danny nu de Jan Bart Klasterprijs voor de Kunstkritiek wel kon vergeten. De jongen zelf begreep niet wat hem overkwam.

“Maar Jean,” probeerde hij, “uw werk staat toch ook niet slecht gequoteerd. Naar verluidt, gaat het in New York momenteel als verse vis de deur uit.”

Tja, dat was wel het laatste wat hij had moeten zeggen, want Prefabs woede bereikte nu pas een hoogtepunt. Zijn beide handen klauwden om de hals van Van Kampen en duwden het logge lichaam in het meubilair. De kunstenaar tierde hem bovendien allerlei heel lelijke woorden in het gezicht.

“Dat zo’n afgesneden kloot op de eerste bladzijde van de krant staat! En dat jij, blaaskaak, het waagt om dat aan mij te laten zien, en dan ook nog durft te denken dat ik in geld geïnteresseerd ben! Man, ik ben allang binnen!”

Van Kampen wist dat hij zich in een benarde situatie bevond, maar toch kwam er ook rust over hem. Prefab mocht zich dan als een beest gedragen, Danny was een inzicht rijker. Hij Begreep. Uiteindelijk loste Prefab zijn wurggreep en hij stond op.

“Het wordt tijd dat de wereld weer weet dat er maar één is! Heeft iedereen dat in zijn hersens geknoopt! Eén! En die Ene gaat de wereld binnenkort duidelijk maken dat hij het is!” Voor iemand hem nog om een woord uitleg kon vragen over deze raadselachtige uitspraak, had Prefab de deurknop al in handen.

De hele club daverde toen hij de deur dichtsmeet. Verweesd bleven zijn discipelen achter. De rek was uit de sfeer, zoveel was zeker.

 

6. Cooreman geeft zich bloot

Het rode potlood van Hamer was al met twee centimeter ingekort, maar de inspecteur was onverminderd optimistisch. In de ochtend had hij de bevallige serveerster Betty voor een tweede keer op het matje gehad, en tot zijn genoegen kostte het hem nauwelijks moeite om haar het ware verhaal te ontlokken. Op een goed moment had hij haar opnieuw de vraag gesteld: “Dus hoe laat ongeveer hebt u de zaak gesloten, mevrouw?”

En precies zoals de eerste keer had zij gezegd: “Zegt u maar Betty, hoor, dat doen...”

“HOE LAAT!!!” Deze hartekreet van de inspecteur was voldoende geweest. Betty was compleet leeggelopen en had alles verteld wat ze verzwegen had. Ook dat Andy Cooreman als laatste was gebleven en de nacht met haar had doorgebracht, en zelfs had zij hem het telefoonnummer in New York gegeven. Maar ze had er in één ruk aan toegevoegd dat hij onschuldig was, dat hij thuis zo weinig aan zijn trekken kwam, en dat het om privé-redenen was dat ze over hem gezwegen had.

“‘t Is zo’n schat, inspecteur, als ie zijn koppie op m’n schoot legt, is ie net een poedeltje. Maar over me heen rijden doet ie als een Deense dog!”

“Ja, dank u wel, mevrouw, zo is het wel goed.” Rechercheur of niet, voor onsmakelijke details had Hamer zich nooit geïnteresseerd.

In een ijltempo trok hij de gegevens na, en het nummer bleek van de Paula Cooper Galery. De telefoontjes met New York leverden weinig informatie op. Hij kwam alleen te weten dat Cooreman kunstwerken van een zekere Jean Prefab had verkocht in de States, onbelangrijk voor het onderzoek. Maar inmiddels was Cooreman weer vertrokken richting Europa. Als alles goed gegaan was, zou het vliegtuig met de verdachte een half uur geleden op Schiphol...

Er werd op de deur geklopt.

“Ja?”

“We hebben hem, inspecteur,” meldde een trotse politieman.

“Mooi zo. Ik kom eraan.”

“Kijk eens wie we daar hebben, onze handelsreiziger, net terug van zijn missie,” grapte Hamer toen hij de verhoorkamer binnenkwam.

“Excuseer, ik ben kunstadviseur,” blafte Cooreman, daarbij driftig een paar haren uit zijn ogen spugend. “En mag ik misschien weten wat ik hier kom doen?” Stilzitten deed hij ook al niet, als een joch van twaalf schopte hij tegen de tafelpoten.

“Rustig, mijnheer Cooreman, de wetsdokter komt zo dadelijk,” deed Hamer geheimzinnig.

“De wetsdokter? Maar ik ben helemaal clean!”

“Laten we alles eens op een rijtje zetten, meneer Cooreman. U vertrekt als laatste gast uit het SumMum, de nacht dat Henry Morton wordt vermoord. U verdwijnt de volgende ochtend naar New York en u wordt een hand boven het hoofd gehouden door de serveerster van de SumMumbar. Dat alles maakt u uitermate verdacht in deze zaak. Gebleken is dat zowel dader als slachtoffer bloed hebben verloren tijdens wat waarschijnlijk een vechtpartij geweest is. De wetsdokter zal daarom zo dadelijk uw lichaam controleren op recente verwondingen.”

Met stijgende verbazing hoorde Cooreman het verhaal aan, om vervolgens in een bulderende lachbui uit te barsten.

“Ik zit hier dus omdat u denkt dat ik Henry Morton koud heb gemaakt?” Cooreman kwam niet meer bij van het lachen. 

De deur ging zonder kloppen open en een dikke man met een uilebril en een zwarte tas kwam binnen.

“Dit is ‘m, dokter,” sprak Hamer, “ga uw gang maar.”

De dokter keek verveeld op zijn horloge terwijl de volgende vraag langs zijn neus ontsnapte: “Wilt u zich even helemaal uitkleden, ja?”

Nou, dat hoefde hij geen twee keer te vragen, de kledingstukken vlogen in het rond! In een mum van tijd stond Cooreman poedelnaakt voor de dokter, en zei met een fiere glimlach: “Ik ben helemaal onschuldig!”

“Negatief,” mompelde de dokter, die inderdaad geen schrammetje kon vinden. “Nog een bloedproef, Hamer?”

“Laat maar,” zuchtte de inspecteur. “U kunt gaan, mijnheer Cooreman.”

De dokter verdween weer.

“En, mijnheer Cooreman, hebt u iets van die Jean Fabriek kunnen slijten in New York?” vroeg Hamer.

“Prefab,” corrigeerde Cooreman, die alweer in zijn onderbroek was gestapt. “Nou en of, inspecteur! Ze lusten er wel pap van, ginder! Maar mag ik u iets vragen? Zou u dat niet aan de grote klok willen hangen? Top secret, weet u wel!”

“Top secret!” knipoogde Hamer terug. In tegenstelling tot de vele hufters die hij al was tegengekomen in het kunstmilieu, mocht hij dit nijvere baasje wel.

 

7. Crocket & Jones

Eénrichtingsverkeer! Nagel sakkerde. Voor de vijfendertigstige maal verbood een verkeersbord hem een straat in te slaan. En dat terwijl het al kwart voor twee was! Binnen een kwartiertje moest hij bij Galerie Hübschmidsk zijn, maar het middeleeuwse pesterf dat zich Vlaanderens échte culturele hoofdstad noemde, leek dat met alle middelen te willen verhinderen. Vreemde bouwsels zorgden ondertussen voor verstrooiing. Zoals deze ruïne hier, klaar voor renovatie, die in afgebleekte verfletters liet weten dat ze vroeger een ‘casino’ was geweest. Met de linker zijgevel was men alvast begonnen. “Hier restaureert de NV Roger Raveel”, stond er op een bord, met daaronder, in optimistische kleuren, een ontwerp dat die gevel later ging sieren. Verveeld duwde Nagel op het gaspedaal.

Tentoonstellingslaan. Eindelijk, hier was het. Voor hij aanbelde stak hij nog vlug een ademverfrissende pastille in zijn mond.

“Goeiemiddag, mevrouw Hübschmidsk, mijn naam is Nagel, Herman Na-”

“Madame n’est pas encore là, elle vient toute-de-suite. Est-ce que vous venez pour l’expo ou pour les oeuvres en stock?”

“Euh… euh… regarder, seulemant, madame, “ stotterde de arme politieman. Vol goede bedoelingen bewoog hij zich in de richting van de tentoonstellingsruimte. Hm, dit kende hij nog niet. Afgestroopte varkenshuiden die kundig waren opgespannen en hier en daar van tatoeages waren voorzien. Wie was de maker? Luc Denoyelle. Nooit van gehoord. Even van dichtbij bekijken. Nagel zat met zijn neus tegen het derde vel, toen een schelle stem hem deed opschrikken.

“Monsieur Nakel, I presume.”

“Wie madame,” probeerde Nagel zo kordaat mogelijk. God, wat zag die Hélène Hübschmidsk er betoverend uit! Een zwart kanten jasje over een wondermooie bloemenjurk van stijve kafzij, combinaties van lila, parma en goudoranje. Onderaan werd het ensemble afgepunt met zwarte panties en gelakte naaldhakken.

“En wat denkt u van de Ausstellung, monsieur Nakel?”

“Euh... brandend actueel,” gokte Nagel, als op een examenvraag.

De galeriste kirde het uit van de pret.

“Sehr richtig, monsieur Nakel, vous êtes un vrai connaisseur!”

Nagel kleurde zowat tot achter zijn oren. Maar hij herstelde zich.

“Mevrouw Hübschmidsk, ik kom ook nog voor iets anders. Herkent u dit voorwerp?” Uit een plastic zak haalde hij de rare schoen tevoorschijn.

“Maar dat is Henry Mortons Crocket & Jones! Hen-ry Mor-tons Crock-et & Jones!”

“Bent u daar echt helemaal zeker van?”

“Maar of course, Herr Nakel!” kraaide Hübschmidsk. “Dit is de schoen van de arme Henry! Gott mag weten waar zijn ziel nu vertoeft, maar dit is zíjn Crocket & Jones. U ziet toch dat dit een bijzonder lange, smalle shoe ist, wel, ze pasten Mortons voeten als gegoten. Maar als u mij nicht gelooft, dan zal een werk uit 1973 in mijn depot u overtuigen.”

Ze trok Nagel bij de mouw naar een kille, met kunst volgestouwde ruimte, en diepte een ‘wandelverslag’ van Henry Morton op, een ingelijst papier met daarop een paar meetkundige gegevens en een foto. Die toonde een haarscherpe weergave van een eigenaardige schoen. Een lange, smalle Crocket & Jones, precies zoals Nagel er een in zijn handen hield.

 

8. Peter en Carla, echt samenwerken

Er heerste een drukte van jewelste op het kabinet van cultuurschepen Peter Bastiaens, en toch was er buiten hemzelf en zijn secretaresse Carla niemand aanwezig. De nijverheid zat ‘m in het tempo waarmee telefoontjes en faxen binnenkwamen en naar buiten gingen. Het leek hier wel een centrale.

“Hallo... ja... hoe zegt u? Een voorstel om in de maand juni alle parkeermeters in de stad van een artistiek lintje te voorzien? Om automobilisten erop te wijzen dat de parkeermeterinkomsten ten dele ook ten goede komen aan de gemeentelijke cultuurpolitiek? En van wie is dat voorstel? Van enkele kunsthandelaren uit het centrum? Goed, dat noteer ik.” Wat een geluk dat Carla de stenografie beheerste.

“Wat denk je, Peter?”

“Dat kan wel, dat kan wel, dat kan wel, dat kan wel.”

“Zal ik...?”

“Ja, stuur maar een fax naar het persagentschap.”

“Naar Belga of naar Flandria?”

“Doe maar Flandria. Zeg dat het voorstel wordt aangekaart op de volgende gemeenteraad, maar dat er nog geen zekerheden zijn.” Hup, daar ging de telefoon al weer.

“Hallo... ja, spreekt u mee. Ja, klopt inderdaad, in de zomer organiseert de stad een groots kunstenfestival op de Konijnenwei. Hoofdanimator wordt niemand minder dan Monsieur Chapeau. Wat zegt u...? Konijnen uit een hoed toveren? Had ik zelf nog niet aan gedacht. Hahaha.”

“Zeg dat er ook allochtone kunstenaars bij zijn,” riep Bastiaens, die altijd een oortje meeluisterde. “Allochtone kunstenaars, die zijn er zeker bij. Want allochtone kunstenaars moeten er zeker bij zijn. Absoluut.”

Dat ging zo in een flitsende vaart door, en zonder dat Peter en Carla zich het verglijden van de tijd bewust waren geweest, brak de lunch aan. Maar als het geen telefoons, telexen of faxen waren die van Bastiaens’ kabinet een knooppunt van locale artistieke actie maakten, dan liep er wel een collega van een van de tientallen politieke fracties langs. Op het moment dat Peter en Carla hun broodjes met kip Hawaï en tonijn wilden verorberen, kwamen de collega’s Maaike Vissers, van het departement Ruimtelijke Aangelegenheden en Voetpaden, en Cindy Zeurensen, van Echtelijke en Buitenechtelijke Zaken, even binnenzwaaien. Iedereen sloeg uitgebreid aan het knuffelen. Ja, het was een gezellige boel daar in het kabinet! Alle politieke partijen drukten Bastiaens immers aan de borst. Uitgezonderd de zijne dan, Antwerpen Vierendelig. Als neofiet in de politiek durfde hij, blind voor het partijbelang en uitsluitend bekommerd om de goede zaak, weleens stevig uit de pas te lopen. Ach wat, hij had nog zoveel tijd om te leren, het duurde nog zeker vier volle jaren voor hij met pensioen ging!

Daar ratelde alweer een fax binnen. Carla trok zich los uit een omhelzing en liep op een drafje naar het apparaat.

“Van Jean Prefab!” kirde ze opgewonden. Zijn naam uitspreken stond gelijk aan een hevige opvlieger.

“En wat heeft hij te melden?” vroeg Bastiaens met een nieuwsgierige neus.

“Zijn woordvoerster schrijft dat hij... morgen... om vier uur...”

Oei, wat gebeurde daar? Carla begon opeens zwaar te hijgen. Haar ogen draaiden weg! Ze wankelde op haar dunne benen.

“Carla, meisje, wat scheelt er?”

“Oeh!.. Oeh!.. Oeh!.. Prefab!... Morgen!... Vier uur!...” Dat was alles wat er bij Carla nog uitkwam voor ze in zwijm viel. In paniek spurtten Cindy en Maaike op de getroffene toe. Peter raapte de fax voorzichtig op en las hem. Ook hij moest zich aan de leuning van een stoel vastklampen.

“Als dit geen wereldnieuws is,” prevelde hij voor zich uit. “Dit is gewoon wereldnieuws. Volgens mij is dit wereldnieuws. Absoluut.”

 

wordt vervolgd