Elke de Rijcke

DE WITTE RAAF

Editie 59 januari-februari 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De vreemde taal in de taal vertalen

 

 

 

 

 

                                                                       gedurende heel wat jaren reeds,
bij het afdalen van de kust van St-Maurice, en bij het kruisen, net voor het dal, 
van de onbekende die het huis aan de oever van de stroom bewoont tot waar de 
zon niet komt, die steeds bezig is met het uitbreiden, moeizaam op de hellingwand inhakkend,
van een lap grond waarop fruitbomen geplant zijn, met mijn hand tijdens het voorbijrijden, met mijn hoofd,
wissel ik met hem een teken uit - zonder dat er kan geremd worden.

André du Bouchet, in:”Notes sur la traduction”

 

Ontginning uit een vreemde taal

Jaar na jaar, tijdens een autorit langs de Franse kust, hernieuwt zich een kleine maar niet onbeduidende gebeurtenis. De gebeurtenis kondigt zich aan vanop een zekere afstand. Reeds bij het afdalen van een heuvel bemerkt de dichter de plaats van de gebeurtenis, een huis dat vlak tegen een rotswand en net voor de voet van de heuvel ligt. Het huis is aan de oever van een kleine stroom gebouwd die vermoedelijk aan één van de nabij gelegen heuvels ontspringt. Het terrein waarop het huis gebouwd is, ligt uit de zon. Het huis ligt op een donkere plek, een schaduwplek, niet op één van die schaduwrijke plekken waar de warmte van de zon aangenaam gekoeld wordt, maar op een plek waar de zon nooit komt, die nooit belicht wordt, waar het altijd koel is. Rondom het huis is er steeds activiteit. De bewoner van het huis, een onbekende voor de dichter, is voortdurend zijn terrein tegen de rotswand in aan het uitbreiden. Met zijn houweel probeert hij moeizaam de rotswand te breken en ruimte te scheppen, de lap grond rond zijn huis te vergroten. Op dit stuk grond zal hij na verloop van tijd fruitbomen planten. Op het moment dat de dichter in zijn auto de onbekende steenhouwer kruist, wisselt hij met hem een teken uit. Tijdens het kruisen, en dit is niet zonder belang, wisselt de dichter, met een hoofdknik, met opgeheven hand een teken van herkenning uit met een onbekende. Doch vrijwel onmiddellijk ligt deze uitwisseling achter hem. De auto vervolgt zijn weg naar beneden. Hij kan niet zomaar op de weg, tijdens de afdaling, halthouden. Vanuit zijn positie in de auto kan de dichter de gebeurtenis wel opmerken en zelfs nauwkeurig beschrijven, maar niet vasthouden. Dit ligt minder aan het feit dat de dichter een passant is, dan aan de gebeurtenis zelf die van die aard is dat zij hem ontglipt.

Welke betekenis moeten we toekennen aan het teken van herkenning dat de dichter uitwisselt met een onbekende? Waarin herkennen zij die elkaar niet kennen zich? In welk punt raken deze onbekenden elkaar? Ze kruisen, ze raken elkaar in hun activiteit. De noeste arbeid van de onbekende steenhouwer verschilt niet zo veel van het werk van de dichter. Net zoals de onbekende steenhouwer zijn lap grond uit de rotswand moet ontginnen, moet de dichter zijn taal hakken uit de rotswand van een vreemde taal, uit een voor hem ontoegankelijke materie. Om zijn eigen taal te kunnen vormen moet de dichter tegen de vreemde taal ingaan die zich als een muur voor hem opricht. Hij moet zijn taal ontginnen uit de materie van de vreemde taal, uit de vorm die deze aanneemt. Hij kan slechts uitdrukken wat de vreemde taal uitdrukt door op haar in te hakken en aan haar delen te onttrekken. Het is slechts door de aan haar onttrokken delen om te zetten, te vertalen, dat een nieuwe taal, zijn taal, uit de vreemde taal kan ontstaan. De nieuwe taal kan slechts vorm krijgen, bloeien, vruchten afwerpen ten koste van, maar ook dankzij de vreemde taal. De dichter is een vertaler die zijn taal gestalte geeft aan de hand van de materie van een vreemde taal.

In “Notes sur la traduction” (1), een poëtisch essay dat André du Bouchet schreef in de marge van zijn vertalingen van Ossip Mandelstam, wordt vertaling omschreven als het ontginnen van taal uit een vreemde taal. Over welke vreemde taal heeft André du Bouchet het? De vreemde taal neemt in zijn werk drie verschillende vormen aan. Vreemd is ten eerste de taal die buiten de taal ligt, de taal van “het buiten”, de taal die het wezen van de taal uitmaakt en haar bestaansrecht geeft. Deze taal van het buiten is niet transcendentaal ten opzichte van de taal: het is het “taalzijn van de taal” dat mogelijk maakt dat “er talen zijn “ en dat het “talen zijn” (2). Vreemd is ten tweede een natuurlijke taal die niet de moedertaal van de auteur is. We denken hierbij aan de talen van waaruit du Bouchet vertaalt: het Duits, het Engels en het Russisch. Vreemd is ten derde de ‘moedertaal’ van de auteur: het Frans. Het Frans is voor hem een vreemde taal omdat hij haar, zoals elke andere vreemde taal trouwens, niet beheerst en niet bezit. Het is een taal die hem is overgeleverd, die hij heeft geërfd, die niet de zijne is maar die hij tot de zijne moet maken.

Wat in du Bouchets opvatting over vertaling vervolgens onze aandacht trekt, is precies het ontginnen van zijn taal uit een vreemde taal. We moeten spreken in termen van ontginning en niet van omzetting vanwege de onherleidbaarheid van zijn ‘moedertaal’ ten opzichte van een vreemde taal. ‘Moedertaal’ en vreemde taal zijn onherleidbaar tot elkaar vanwege hun radicaal anders-zijn, vanwege hun radicaal vreemd-zijn voor elkaar. Door hun onderlinge onherleidbaarheid kunnen ze niet samenvallen. En als ze niet kunnen samenvallen, dan kunnen ze ook niet naar elkaar omgezet worden. Vertaling moet in heel andere termen gedefinieerd worden dan in termen van loutere omzetting. De vertaalde tekst is geen reproduktie van een ‘origineel’.

Het verschijnsel vertaling treedt in “Notes sur la traduction” op de voorgrond als symptoom van de essentie zelf van poëzie. De vertaling en de reflectie over vertaling nemen in de poëtica van André du Bouchet een sleutelpositie in. Ze zijn onlosmakelijk verbonden met zijn reflectie over de poëtische functie van taal en het poëtisch functioneren van zijn teksten. Poëzie is voor du Bouchet slechts poëzie als de taal zich in de tekst verhoudt tot één of meerdere vreemde talen waarnaar ze vertaald wordt en van waaruit ze vertaald wordt. In zijn artikel “Traduire” (3) specifieert Maurice Blanchot dat vertaling slechts mogelijk is als in het werk zelf de mogelijkheid vervat ligt om “verschillend te zijn van zichzelf” en “vreemd te zijn voor zichzelf” (4). In dat geval wordt het werk aangetrokken tot datgene waartoe het onherleidbaar is, wordt het teruggevoerd naar zijn voor hemzelf “bevreemdende oorsprong” en bijgevolg steeds weer hertaald in zijn moedertaal. Volgens Blanchot is vertaling pas mogelijk als zij vervat ligt in de structuur of in de taal van het werk zelf. Du Bouchet houdt er ons inziens een radicaler standpunt op na: vertaling is onontkoombaar omdat zij vervat ligt in de taal zelf. Het is het verschil binnen de taal zelf, de onherleidbaarheid van de taal tot zichzelf waardoor zij niet met zichzelf kan samenvallen, die ons tot vertaling dwingt. Van zodra we spreken of schrijven worden we daarom als het ware gedwongen de afstand tot wat we willen zeggen te vertalen. Van de vertaling kunnen we ons niet afwenden. Zij is een vorm van noodwendigheid (5). Anderzijds ligt er in de te vertalen tekst ook een “vraag” tot vertaling die verlangt beantwoord te worden. Jacques Derrida zegt in “Des tours de Babel” dat het ‘origineel’ de vertaling “eist” en begeert, zelfs al dient er zich geen concrete vertaler aan. De structuur van de vreemde taal - bijvoorbeeld de structuur van de taal van het buiten - is als open geheel een begerende structuur die om vertaling vraagt. Als begerende vraag incarneert (6) de taal van het buiten de grondvorm van de natuurlijke taal en vraagt zij om een plaats, om een concrete vorm in de ‘moedertaal’.

De vraag naar vertaling gaat echter niet alleen uit van de vreemde taal, maar ook van de ‘moedertaal’. Vertaling is voor de ‘moedertaal’ een noodzaak. De ‘moedertaal’ heeft nood aan vertaling vanwege haar onvoltooidheid. Zij moet haar onvoltooidheid, haar gebrek aanvullen met de middelen die zij kan onttrekken aan de vreemde taal. De vertaler zou volgens Blanchot als geen ander bewust zijn van de leemten van zijn ‘moedertaal’ waarop hij tijdens zijn vertaalactiviteit botst. Om aan deze tekorten tegemoet te komen zal hij tijdens zijn vertaalactiviteit uit de rijkdommen van de vreemde taal putten en ze ter beschikking stellen aan zijn behoevende moedertaal. Deze idee van een onvoltooide en behoevende taal vinden we ook terug in Benjamins essay “Die Aufgabe des Übersetzers”. Elke taal op zich is beperkt in haar “groei” en heeft daarom nood aan aanvulling door een vreemde taal. Via de vertaling van de vreemde taal naar de ‘moedertaal’, via een “kruising “ van twee talen kan de ‘moedertaal’ zich ontwikkelen.

 

Het verlies niet verliezen

De vertaling laat inderdaad toe dat twee in zich tekortschietende talen groeien, maar dat betekent nog niet dat zij hun tekorten wegwerkt. Zij dekt de tekorten van de respectievelijke talen niet. Vanwege de onherleidbaarheid van de talen tot elkaar, waardoor elke taal altijd vreemd is en blijft voor de andere, schiet ook elke vertaling van die talen naar elkaar bij voorbaat tekort. Een vertaling dekt het te vertalen woord of ding nooit volledig. In elke vertaling gaat een deel van het te vertalen ding of woord verloren, ontgaat aan de vertaler dat deel dat radicaal tot het andere behoort, dat hij zich niet kan toeëigenen en waarop hij greep moet lossen. Er is geen radicale, volledig dekkende vertaling mogelijk. In elke vertaling heerst een “onbepaaldheid” (7) ten aanzien van de vreemde taal. Elke vertaling draagt een onduidelijkheid, een vaagheid, een onoplosbaarheid ten aanzien van de vreemde taal in zich. 

De ‘moedertaal’ die in “Notes sur la traduction” ontgonnen wordt uit een vreemde taal, is een ‘moedertaal’ die delen aan een vreemde taal moet onttrekken om zichzelf te kunnen worden, die, met andere woorden, ook het radicaal-vreemde uit de andere taal, dat deel uit de andere taal dat zij niet kan dekken, in zich moet opnemen om zelf enige levende betekenis te hebben. Het is de expliciete taak van de vertaler dat deel waarop hij geen beslag kan leggen, de onbepaaldheid van de moedertaal ten aanzien van de vreemde taal die hij dreigt te verliezen, in de vertaling zelf te bewaren:

 

“maar vertalen is ook een scheiding.                                                   de scheiding/

            vertalen.”

 

De dichter moet in de vertaling de scheiding die een verlies is ten aanzien van de vreemde taal leesbaar maken. Het is zijn taak om zijn afstand ten aanzien van het vreemde, de scheiding tussen hem en het vreemde te behouden. De dichter als vertaler mag datgene dat verloren dreigt te gaan van zodra hij zich uitdrukt, niet verliezen: hij moet het te allen prijze weerhouden als verlies. Hij moet de vertaling ervoor behoeden té gelijkend te worden aan hemzelf en daardoor té verschillend te worden van de vreemde taal (8). Hij moet kunnen inschatten tot waar zijn deel draagt en er zich voor hoeden dat zijn deel het radicaal-vreemde deel niet wegveegt. Dat kan hij door tegelijkertijd een vertaling te geven van het ding (of het woord) en een vertaling van wat hem ervan scheidt.

Als de vertaling tegelijkertijd een vertaling is van de vreemde taal én van wat de dichter van de vreemde taal scheidt, dan is zij als het ware een dubbele vertaling. De vertaling van de taal van het buiten naar de moedertaal is eigenlijk een vertaling van de verhouding van de auteur op een bepaald moment tot de grond van de taal. Door zijn verhouding tot de vreemde taal te vertalen is de vertaler zelf fundamenteel in het spel van de vertaling betrokken. Omdat hij ook zijn afstand, zijn verlies ten aanzien van het vreemde in de vertaling vervat, schrijft hij zich onuitwisbaar in het vertaalde in. In zijn vertaling bijvoorbeeld van de taal van het buiten naar zijn ‘moedertaal’, in de intersemiotische vertaling (9), legt du Bouchet, naast zijn vertaling van het ding, ook uitdrukkelijk zijn verlies ten opzichte van het niet-talige:

 

            het allerkleinste deel van wat vandaag moet verloren gaan/

niet uit het oog willen verliezen.          dat is/

vandaag.         niets is verloren gegaan.

 

Van alles waarmee we in aanraking komen, van de dag die wij doormaken, gaat er een deel verloren. Dit deel, dat ons vreemd is, is hier de dag van “vandaag” zelf die aan ons is voorbijgegaan. Doch doordat de dichter over dit verlies waakt, verhindert hij dat het onherroepelijk verloren gaat. Hij slaagt erin het als verlies te weerhouden. Hetzelfde gebeurt in du Bouchets vertaling van een vreemde natuurlijke taal (Duits, Engels of Russisch) naar zijn ‘moedertaal’. Ook in dit geval gaat het om de vertaling van zijn verhouding ten aanzien van een vreemde taal. In de vertaling van een natuurlijke taal naar een andere natuurlijke taal, in de interlinguïstische vertaling, vertaalt hij niet alleen de vreemde taal maar ook zijn verlies ten aanzien van die vreemde taal. Idem voor de vertaling van de ‘moedertaal’ naar zijn ‘moedertaal’, van het Frans naar zijn Frans. Wanneer du Bouchet zijn ‘moedertaal’ schrijft of spreekt, ervaart hij haar als een vreemde taal die hij zich eigen moet maken. Hij moet zijn ‘moedertaal’ voortdurend vertalen, hij moet een persoonlijke verhouding tot haar ontwikkelen, zijn eigen ‘moedertaal’ vormen waarin hij zijn verlies ten aanzien van de geërfde moedertaal integreert. Via deze intralinguale vertaling “herformuleert” hij de ‘moedertaal’ waardoor deze “herwordt”, dat betekent: waardoor zij verschillend wordt van zichzelf en dat verschil thematiseert. 

 

De vertaling van de grond van de taal in de taal

In “Notes sur la traduction” worden deze verschillende types van vertaling met elkaar verweven. In de marge van de interlinguïstische vertaling, van de vertalingen van Russische teksten van Ossip Mandelstam naar het Frans, stelt du Bouchet het probleem van de intersemiotische vertaling aan de orde. De reflectie over de verhouding van de taal tot de taal van het buiten, van de taal tot haar grond ontwikkelt zich, schrijft zich in in het hiaat dat ontstaat bij de vertaling van de Russische tekst naar het Frans. Deze interlinguïstische en intersemiotische vertalingen functioneren vervolgens op een intralinguaal: hun eigenheid die tijdens de vertaling aan de ‘moedertaal’ ontsnapt, wordt in de ‘moedertaal’ opgenomen en hertaalt haar. Spreken over vertaling in “Notes sur la traduction” noopt ons tot een spreken dat rekening moet houden met de verhouding van de dichter tot meer dan twee vreemde talen en met de verhouding van die vreemde talen ten opzichte van elkaar. In dit artikel echter willen wij ons verder uitsluitend toespitsen op de verhouding van de ‘moedertaal’ tot de grond van de taal. Deze verhouding wordt in “Notes sur la traduction” het uitdrukkelijkst gethematiseerd.

De vertaaloperaties die zich tussen de ‘moedertaal’ en haar grond voltrekken, zijn in feite operaties die plaats hebben tussen een woord uit de ‘moedertaal’ en wat buiten dat woord ligt. We zullen het in onze verdere analyse daarom steeds hebben over de wisselwerking tussen een woord en zijn grond, en niet over de wisselwerking tussen een zin en zijn grond. Vertaling is in het werk van André du Bouchet gebaseerd op een theorie van het woord. De vertaling van woord naar woord, en hier meer specifiek van het woord naar zijn grond, laat toe dat er een “boog” gespannen wordt. Via deze “boog”, via dit “gewelf” kunnen woord en grond communiceren. De vertaling van zin naar zin daarentegen laat geen communicatie toe omdat de zin uit de vreemde taal zich als een “muur” (10) opricht voor de ‘moedertaal’.

Hoe wordt in “Notes sur la traduction” de vertaling van de grond van het woord naar het woord uitgedrukt? Hoe wordt de vertaling als vertaling van wat buiten het woord ligt en van het verlies van wat buiten het woord ligt leesbaar gemaakt? Of nog: hoe wordt bij de vertaling van wat buiten het woord ligt naar het woord het onzegbare gethematiseerd? En omgekeerd, hoe wordt in de vertaling van het woord naar wat buiten het woord ligt de vertaling van zowel het woord als van het verlies van dat woord weerhouden? Hoe wordt bij de vertaling van het woord naar zijn grond, het zegbare gethematiseerd? Hoe kan du Bouchet het onzegbare in het zegbare, en het zegbare in het onzegbare vertalen, tot spreken brengen

“Notes sur la traduction” gaat het uitdrukkelijkst in op de eerste vraag, met name op het tot spreken brengen van het onzegbare in het zegbare. Dit tot uitdrukking brengen verloopt in twee fasen: via incorporatie en via contact (11). Tijdens de eerste fase lijft de vertaler datgene wat hem van het ding scheidt dat hij vertaalt, in het woord in. Het gaat in deze fase om de insluiting van het verlies van het ding in het woord. Een pleidooi voor een dergelijke strategie van de inlijving vinden we onder meer terug bij Rudolf Pannwitz. Bij de vertaling van het Sanskriet naar het Duits, zegt Pannwitz, mag men het Sanskriet niet germaniseren, maar moet men het “Duits sanskritiseren”. Pannwitz pleit hierbij voor de letterlijkheid van vertaling. Het Duits moet geconfronteerd worden met, meer zelfs, onderworpen worden aan de gewelddadige impulsen van de vreemde taal, het Sanskriet. Het moet de impulsen van de vreemde taal, het Sanskriet, opnemen in de vertaling zodanig dat we een sanskriet Duits krijgen waarin het vreemde element in het Duits het Duits doet uitgroeien tot een nieuwe, verrijkte taal. Deze problematiek van de incorporatie wordt in de poëzie van du Bouchet niet alleen op verbaal vlak, via het zegbare gethematiseerd, maar ook op niet-verbaal vlak, via de witte, onbedrukte vlakken papier die het zegbare onderbreken, erin ingelast worden. De witte vlakken wijzen letterlijk de plaats aan van de vreemde taal in de taal. Via de inlijving van deze witte vlakken in de geschreven tekst wordt het onzegbare in het zegbare gethematiseerd. 

De tweede en essentiële fase tijdens dewelke de vertaling zich voltrekt, is de fase van het contact. De voltrekking van vertaling betekent dat het woord - het zegbare element - zijn grond, het onzegbare raakt. Of omgekeerd, vertaling betekent dat de grond van de taal, het onzegbare het zegbare in zich raakt. De vertaling voltrekt zich op een moment dat ‘moedertaal’ en vreemde taal, het woord en zijn grond elkaar raken, en op het moment van raken één enkele houding bij ons ontlokken (12), waarbij we woord en grond heel even samenkunnen vatten.

Hoe verglijdt men van de eerste naar de tweede fase, van de incorporatie naar het contact? De overgang van de incorporatie naar het zich voltrekken van de vertaling gebeurt meestal in drie etappes: de etappe van de onderbreking van het woord, de etappe van de afwachting van de dichter en de etappe van het contact tussen twee vreemde talen via een breuk.

De eerste fase, die van de onderbreking van het woord, doet zich altijd op bruuske wijze voor. De dichter die al vertalend het woord neemt, loopt plots vast: zijn woord stokt. Hij valt woordelijk in gebreke omdat zijn verhouding tot de wereld buiten de taal waaraan hij via de taal uitdrukking wilde geven, onverwachts vertroebeld wordt. Hij verliest zijn greep op de taal die tegen haar eigen grenzen, tegen het onzegbare aanbotst. 

Tijdens de tweede fase zit de dichter als het ware in een vacuüm. Hij moet ongewild zijn spreken onderbreken omdat hij geen enkele kant meer uitkan. In dit vacuüm treedt zijn luisterbekwaamheid op de voorgrond. Hij luistert in deze tijdspanne van het opgeschorte woord naar het onzegbare. Doch het onzegbare geeft zich niet bij voorbaat vrij. Het kan een tijd duren vooraleer het aantreedt. Deze fase is dan ook bijzonder vermoeiend voor de vertalende dichter omdat ze van hem een doorgedreven aandacht vraagt. Zijn uithoudingsvermogenwordt zwaar op de proef gesteld. Omdat zijn aandacht vaak niets oplevert en hij, integendeel, geconfronteerd wordt met een steeds aangroeiend verlies van richting, komt bij hem de idee op, het schrijven zelf te onderbreken. Het schrijven raakt tijdens deze fase aan zijn pijnlijke grens. 

In de derde fase tenslotte, die zich al even onaangekondigd en bruusk inzet als de eerste, wordt de eigenlijke vertaling voltrokken: de vreemde talen raken elkaar in een breuk. Om wat voor breuk gaat het en hoe moeten we dit raken van twee vreemde talen in een breuk begrijpen? De gebruikelijke band die de dichter met de wereld buiten de taal heeft en die hij vertaalt in zijn woord wordt onverwachts verbroken. De vertaler dringt tijdens zijn activiteit op deze breuk aan maar kan zelf het woord niet tot breken brengen. Het woord verbreekt zelf, het breekt als het ware zelf doorheen de alledaagse verhouding van de dichter tot de wereld buiten de taal. Het woord opent zich van binnenuit. Deze breuk van binnenuit het woord ontstaat paradoxaal genoeg door een verhoogde adhesie tussen het woord en zijn grond. Het is door de stijging van de materie van het woord in het woord dat het woord breekt en zijn alledaagse verhouding tot wat buiten hem ligt, verscheurt. Van zodra het woord breekt, gaat het zich loskoppelen van zijn grond. Door zich los te koppelen zal het zich ogenblikkelijk opheffen - het kan niet zonder grond bestaan - waardoor zijn drager zelf aan de oppervlakte komt. Het woord raakt dus via de breuk of in de breuk zijn drager, de onzegbare materie of het papier waarin het verankerd zit. Vertaling is het openen van het woord op zijn drager die de onzegbare uitbreiding van het woord is; zij brengthet onzegbare tot spreken via de tijdelijke opschorting van het woord. 

Wanneer het woord zich vertaalt naar zijn grond, raakt het niet alleen zijn eigen materie als woord, maar ook de onbegrensde materie waarin zijn materie als woord verankerd is. In de vertaling raakt het woord tegelijkertijd aan zijn materie als woord en aan de materie van de wereld. Doordat zijn woord en de wereld elkaar in de vertaling raken, kan de dichter zich op een ononderbroken wijze tot de wereld verhouden. Het is zijn vertaling die deze intieme, ononderbroken verhouding tussen hem, zijn woord en het ding tot stand brengt. De vertaling zelf laat hem toe zich via het woord te verhouden tot de wereld. Zij maakt de verwantschap tussen vreemde talen mogelijk via een “vertaalcontract”. Samen met, maar explicieter dan Walter Benjamin in “Die Aufgabe des Übersetzers”, stelt Jacques Derrida dat de vertaling zelf een band creëert tussen vreemde talen en niet, volgens een totaal omgekeerde redenering, zou mogelijk gemaakt worden vanwege de bestaande verwantschap tussen vreemde talen. Vertaling is het verbindingsteken dat tussen taal en wereld een brug slaat, dat de verwantschap tussen taal en wereld vorm geeft.

 

Fruitbomen

De opening van het zegbare op zijn onzegbare drager is de opening van het woord op zijn toekomst. De vertaling als opening van het woord op wat buiten het woord ligt, is nauw verbonden met de wording van het woord. In de vertaling raakt de taal, via het woord, in de vreemde taal aan de rand van zichzelf, aan haar eigen toekomstige betekenis. Het onzegbare dat op het gestrande woord volgt, geeft aan dit woord de mogelijkheid om zich retrospectief te ontplooien. Door een terugkoppeling van het onzegbare op het zegbare, door een stap terug te zetten in de tijd van het werk, wordt de toekomst van het woord voltrokken. Via de terugkoppeling van het onzegbare op het zegbare wordt het woord gedurende een fractie van een seconde materie. Het woord, het zegbare ontspringt opnieuw aan het onzegbare en wordt erdoor vervolledigd. Via deze terugkoppelende vertaling geeft het onzegbare aan het zegbare een materiële expansie (13). De opening van het woord op zijn drager creëert anderzijds ook een toekomst voor het woord die zich prospectief materialiseert in de woorden die op zijn opschorting volgen. In de mate dat deze woorden aan het voorafgaande woord een nieuwe betekenis geven, zijn zij de verwerkelijking van zijn toekomst. Uit de onzegbare vormende vormeloosheid ontstaat een zegbare vorm die aan de voorafgaande zegbare vorm een nieuwe duiding geeft. 

De vertaling brengt in dit geheel waarin noch het woord noch de grond van het woord op zichzelf besloten zijn, een transport, een circulatie van betekenis teweeg. Volgens Derrida wordt deze circulatie van betekenis tussen twee vreemde talen slechts in beperkte mate verwezenlijkt omdat de vertaling ons slechts een vooruitblik geeft op het raken van twee vreemde talen. De vertaling laat ons een “affiniteit” of een ontmoeting zien tussen vreemde talen die slechts in de toekomst zal aantreden. Volgens Derrida, na Walter Benjamin, gaat het in de vertaling om een belofte van ontmoeting die weliswaar in de vertaalde tekst besloten ligt, maar die zowel “beloofd” als “verboden” is. De grond van de taal, die Derrida ook de waarheid van de taal noemt, blijft steeds ongenaakbaar, onaanraakbaar voor de taal, onvertaalbaar. Via de vertaling kunnen we de waarheid van de taal niet raken maar er ons slechts toe verhouden. Vertaling is voor Derrida niet het contact, het raken van twee vreemde talen, maar het zich verhouden tot een vreemde taal die altijd van ons verwijderd blijft. De vertaling zou de ervaring van deze verwijdering zijn. Het is omdat twee vreemde talen tot elkaar onherleidbaar zijn dat ze elkaar nooit werkelijk kunnen raken. In tegenstelling tot Derrida is André du Bouchet van mening dat het raken en de verwijdering elkaar niet uitsluiten. In du Bouchets werk wordt wat door Derrida als contradictie wordt geponeerd een paradox. André du Bouchet is ervan overtuigd dat het woord zijn materie wel degelijk raakt (14): de grond van het woord wordt in het woord vertaald op het moment dat het woord zich op deze grond opent, of anders gezegd, op het moment dat deze grond zich in het woord opent. Doch dit raken van het woord aan zijn grond, die de vertaling is van de grond van het woord in het woord, betekent geenszins dat woord en grond met elkaar samenvallen, dat de afstand tussen het woord en zijn grond wordt opgeheven. Het intreden, tijdens het raken, van het vreemde in het bekende, waardoor beide talen een zeer intensief gesprek met elkaar aangaan, gebeurt zonder dat het vreemde tot het bekende herleid wordt. Bij de integratie van het vreemde in het bekende blijft het vreemde vreemd. Het verschil, de verwijdering die tussen twee vreemde talen bestaat, wordt in de vertaling als verschil weerhouden en treedt erin als verschil aan. Twee vreemde talen raken elkaar op een afstand. “Notes sur la traduction” is in menig opzicht gebouwd op de onaantastbaarheid van deze afstand, van dit verschil. Du Bouchet is er, net zoals Derrida en Blanchot, van overtuigd dat elke vertaling van dit verschil leeft, meer zelfs, “het leven zelf is van dit verschil” (15). Van zodra het verschil tussen twee vreemde talen opgeheven wordt, is er geen sprake meer van vertaling. Het opheffen van het verschil betekent de dood van de vertaling, de dood van het poëtisch werk.

De vertaling bewerkstelligt een contact op afstand tussen woord en wereld en verleent doorheen dit contact betekenis aan het woord. Het is zijzelf en niet de dichter die het woord betekenis geeft. De vertaling als schenkster van betekenis geeft de wereld buiten de taal aan de taal. Ze schenkt het woord een betekenis die het tot rijping brengt. Over welke betekenis gaat het in “Notes sur la traduction”? Op het moment dat het woord via de opheffing van zichzelf tot zichzelf komt en zijn materie aan de vertalende dichter openbaart, verleent de vertaling aan het zegbare een betekenis die buiten het begrensde betekeniskader van het zegbare ligt. De openbaring van de materie van het woord treedt evenwel aan als een ondraaglijke, gewelddadige schittering die, omdat ze van alles ontdaan is, de dichter verblindt. In de vertaling openbaart zich datgene wat zich niet aanschouwelijk kan maken en niet bevattelijk is. Er treedt een betekenis aan die geen betekenis is. Dit wil niet zeggen dat er zich in de vertaling een betekenis manifesteert die aan “betekenisarmoede” lijdt, maar dat er zich geen betekenis losmaakt. Wanneer twee vreemde talen elkaar raken, vallen betekenis en “taaldaad” (16) samen. Door deze confusie van betekenis en taaldaad kan er zich geen betekenis losmaken. Het schitterende, ondraaglijke raken zelf, het moment van confusie waarin twee vreemde talen elkaar raken zonder tot elkaar herleid te worden, komt in de plaats van de betekenis die elke taal afzonderlijk aanwijst. Op het moment van contact richten zich op de grond van de taal fruitbomen op die de taal tot bloei brengen. Uit de breuk waardoor het woord zich losmaakt van zijn drager, uit het hiaat waarin dat woord tegelijkertijd zijn drager raakt, ontstaat een nieuwe, materiële betekenis. Als het woord in de breuk raakt aan zijn materie als woord waaraan het onttrokken is, ontwaren wij in het woord, tussen twee oogknipperingen in, het trillende blad en de schitterende vruchten van deze fruitbomen. De vertaling schenkt ons hen als een unieke gebeurtenis, in een voor ons onvergetelijk moment.

 

Noten

(1) André du Bouchet, “Notes sur la traduction”, opgenomen in: “Ici en deux”, Mercure de France, 1986 en, met belangrijke wijzigingen in: “Poèmes et proses”, Mercure de France, 1995. Van Ossip Mandelstam vertaalde André du Bouchet “Le bruit du temps”, in: “L’éphémère”, n° 19-20 (hiver-printemps 1972-1973), pp. 460-469; “Voyage en Arménie”, Mercure de France, 1984; en “La psychologie de la lecture est encore à étudier”, in: “L’ire des vents”, n° 12, 1986. André du Bouchet publiceerde nog een aantal andere teksten die expliciet over de plaats van de vertaling in poëzie gaan, met name “Traduit de Pasternak”, 1954, eerst in tijdschrift verschenen en dan, met belangrijke wijzigingen opgenomen in: “L’incohérence”, Fata Morgana, 1979; “Hölderlin aujourd’hui”, Le Collet du Buffle, 1976, eveneens opgenomen in “L’incohérence”; en”Tübingen, le 22 mai 1986"(over Hölderlin en Celan), Mercure de France, 1989.

(2) Jacques Derrida, “Des tours de Babel”, in: “Psyché”, Ed. Galilée, Paris, 1987, p. 232.

(3) Maurice Blanchot, “Traduire”, in: “L’Amitié”, pp. 69-73.

(4) Maurice Blanchot, Ibidem, p. 71.

(5) Derrida heeft het in “Des tours de Babel” over vertaling als een aan ons opgelegde “wet” (p. 210).

(6) Jacques Derrida, Ibidem, p. 216-217.

(7) We verwijzen hier uitdrukkelijk naar W.V. Quines these over de onbepaaldheid van elke vertaling, in: “La poursuite de la vérité”, Coll. L’ordre philosophique, Editions du Seuil, Paris, p. 153.

(8) W.V. Quine, Ibidem, p.79-80.

(9) De termen “intersemiotische vertaling”, “interlinguïstische vertaling” en “intra-linguale vertaling” (als “herformulering” en “herwording”) komen uit Jakobons “On linguistic aspects of translation”, in: “Language in Literature”, 1987, The Belknap Press, Cambridge, Massachusetts/London, England, pp. 428-435. Jakobson heeft het evenwel nergens, in tegenstelling tot du Bouchet, over de notie van het verlies, en van de noodzakelijke vertaling van het verlies in vertaling.

(10) De termen “boog”, “gewelf” en “muur” komen uit Benjamins “Die Aufgabe des Übersetzers” en worden door Derrida becommentarieerd in “Des tours de Babel”. De “muur” komt in een gelijkaardige betekenis voor in het werk van du Bouchet.

(11) Walter Benjamin heeft het in “Die Aufgabe des Übersetzers” over het “vluchtig contact” (“Berührung”) tussen origineel en vertaling “in een oneindig klein betekenispunt”. In Hölderlins vertaling van Sophocles, zegt Benjamin, is de harmonie tussen twee talen zo groot dat de “wind van de taal de betekenis slechts raakt op de wijze van een eolische harp”. In “Notes sur la traduction” is het raken, het contact van twee vreemde talen zeker even vluchtig, doch de relatie tussen contact en betekenis ligt anders. Deze relatie wordt in onze tekst geëxpliciteerd.

(12) W.V. Quine, Ibidem, p. 68.

(13) Dat gaat verder dan de “symbolische expansie” waarover Derrida het heeft in Ibidem, p. 223.

(14) Indien het woord niet opent op zijn materie als woord, dan kan het, via een andere weg, via een omweg, toch nog een brug slaan naar deze materie. Deze techniek van de omweg wordt veelvuldig toegepast door du Bouchet. In “La Poursuite de la vérité” helpt W.V. Quine ons te begrijpen hoe het woord, via deze techniek van de omweg, de vreemde taal - zijn grond - kan raken: “La thèse sérieuse et controversée de l’indétermination de la traduction (...) se prononce pour des divergences irréconciliables, y compris au niveau de l’énoncé complet, et que seules des divergences dans les traductions d’autres énoncés complets viennent compenser” (p. 81-82). Quine gaat er enerzijds van uit dat het verschil tussen twee vreemde talen onherleidbaar is, maar gelooft anderzijds dat dit verschil tussen een vertaling en de vreemde taal (het ‘origineel’) kan gecompenseerd worden door een ander verschil tussen een andere vertaling en diezelfde vreemde taal in éénzelfde tekst. De niet te overbruggen scheiding tussen twee vreemde talen kan via deze omweg, waarbij het ene verschil het andere compenseert, toch overbrugd worden. In tegenstelling tot Quine gelooft du Bouchet niet dat deze compensatie kan verwezenlijkt worden op het niveau van de zin, maar wel op het niveau van het woord.

(15) Maurice Blanchot, Ibidem, p. 71.

(16) In “Des tours de Babel” heeft Derrida het over het samenvallen van het gebrek aan betekenis als gebeurtenis met een “acte de langage”. De openbaring van dit gebrek aan betekenis is de openbaring van de letterlijkheid zelf van de taal, van “de pure taal” zoals Benjamin ze in “Die Aufgabe des Übersetzers” noemt. Bij du Bouchet gaat het om een samenvallen van betekenis en taalakt die een gebrek aan betekenis - de grond van de taal, het onzegbare - laat aantreden.

 

Recente publikaties van André du Bouchet: “retours sur le vent”, Fourbis, 1994; “Carnet”, Fata Morgana, 1994 en “Poèmes et Proses”, Mercure de France, 1995.