Hans Abbing

DE WITTE RAAF

Editie 59 januari-februari 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Verhuld vertoon

De Nederlandse overheid en de Mondriaan Stichting

Kunst en aanzien

Wie zich wil tonen, wie wil opvallen, moet zich niet inhouden. Verhuld vertoon lijkt een contradictio in terminis. Kunst en openlijk vertoon zijn daarentegen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Soms rechtstreeks zoals bij een imposant, abstract expressief schilderij op de wand achter het bureau van de directeur; soms indirect zoals in het geval van de felrode jurk waarmee mevrouw Jansen de Muntschouwburg in Brussel bezoekt. In het laatste geval draagt haar opvallende verschijning ertoe bij, dat er bij haar meer dan bij de anderen een verbinding wordt gelegd tussen mevrouw Jansen en de opera. De zeer hoge status van de kunst in het algemeen en van de opera in het bijzonder net zoals van de abstract expressieve schilderkunst stralen af op mevrouw Jansen en op die directeur. Zij delen enigszins in die status. Hun eigen aanzien neemt er een fractie mee toe. Kan het zijn dat moderne overheden door hun bemoeienis met de kunst eveneens delen in de hoge status van de kunst?

Kunst heeft een hoge status al is die niet ondubbelzinnig, vooral niet als het over de kunstenaar gaat. Zo wordt er tegen beginnende kunstenaars opgezien. Er zijn geen andere schoolverlaters die al meteen zoveel aanzien genieten. Het feit dat ze bijna niets verdienen en weinig perspectief hebben, draagt bij tot de romantiek van het beroep en daarmee tot de status. Maar als ze twintig jaar later nog steeds weinig verdienen, zijn het arme sloebers en wordt er met een wel haast sadistisch genoegen op ze neer gekeken. Tenslotte had iedereen wel kunstenaar willen worden. De aanvankelijke jaloersheid is groot. Blijft de vraag waar al die romantiek vandaan komt en waarom het aanzien van de kunst zo hoog is in onze maatschappij.

De huidige situatie is het resultaat van een groot aantal historische factoren. De belangrijkste is wat ik ooit de ‘authenticiteits-behoefte’ heb genoemd. Tijdens de renaissance voltrok zich een proces van individualisering. Men ging niet langer op in een collectiviteit, die bepaalde wat wel en niet mocht. Met een eigen geweten werd men geacht zelfstandig mens te zijn los van alle anderen. In veel opzichten is dit een zwaar proces, dat alleen gecompenseerd kan worden door trots over het zelfstandig mens-zijn, over eigen individualiteit. En tot de dag van vandaag zijn het in onze cultuur uitsluitend kunstenaars die echte bewijzen leveren van hun zelfstandig mens-zijn. Deze bewijzen kunnen met grote groepen gecommuniceerd worden. Als de directeur van Philips vandaag overlijdt, staat er morgen een ander klaar. Als Karel Appel overlijdt, is het afgelopen met de Appels. Deze openlijke authenticiteit en daarmee onvervangbaarheid die we allemaal zouden willen bezitten, maar niet hebben, draagt bovenal bij tot het hoge aanzien van de kunsten. Maar zoals gezegd, door een openlijke verbinding met de kunsten kunnen u en ik en wellicht ook de overheden wel enigszins delen in dat aanzien.

 

Overheidsvertoon

Gewoonlijk is het begrip ‘overheid’ voor ons sterk verbonden met het idee van belangeloosheid. Dat rijmt slecht met de suggestie van vertoon door de overheden door middel van kunst. Gezien in historisch perspectief gaat die belangeloosheid evenwel allerminst op. Niet alleen de aristocratie en later de rijke burgerij, maar vooral ook grote instituten als kerken en hoven probeerden hun aanzien te verhogen met behulp van kunst. Aanvankelijk ging het niet uitsluitend om aanzien maar ook om het uitdragen van meer concrete boodschappen. Tegenwoordig zouden we dat tendens- of boodschapkunst noemen. Later leende de kunst zich daar minder voor of er verschenen effectievere alternatieven. Maar een behoefte aan algemeen vertoon door middel van kunst in de vorm van imposante blijken van macht en rijkdom heeft bij de hoven altijd bestaan en bij de moderne overheden leeft het met ups en downs voort tot de dag van vandaag - zij het in toegedekte vorm.

De mate van toedekking verschilt per land. Anders dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten zoeken de overheden zowel in Nederland als in Frankrijk in belangrijke en toenemende mate vertoon via de kunsten. In Frankrijk leidt dit relatief onverbloemd tot, onder meer, de totstandkoming van gewaagde en opvallende gebouwen, die inderdaad als tekens van macht opgevat kunnen worden. Een dergelijk openlijk machtsvertoon wordt in Nederland niet getolereerd. Maar tegen machtsvertoon van een overheid die alom aanwezig is, wordt in Nederland minder bezwaar gemaakt. Door de ondoorzichtigheid van die aanwezigheid is dat ook moeilijker. Er zijn weinig landen waar de overheid zich zozeer meester heeft gemaakt van de gevestigde kunsten als Nederland. En bijna zonder dat het opvalt. Wist u dat de overheden in Nederland meer dan de helft van de beeldende kunstmarkt - opdrachten en aankopen - voor hun rekening nemen? Daar zit de grote stroom overheidssubsidies voor de beeldende kunst niet bij. Houden we daar rekening mee dan is de overheid zeker een monopolist van de eerste orde.

Men mag aannemen, dat beeldende kunstenaars zich in hun aanbod sterk zullen richten op de vraag van deze allesoverheersende klant. Gaan we uit van een ‘autonome’ kunst, dan is de overheid in staat zich te verbinden met het ‘beste’ deel van de kunst, het deel met het hoogste aanzien. Geloven we minder in de zelfstandigheid van de kunst, dan ligt het voor de hand, dat kunstenaars zich mede zullen richten op de smaak van de overheden, waardoor de overheid in staat is de kunst ook inhoudelijk vorm te geven. Heel onopvallend, door een toegedekte monopoliepositie, neemt ze tot op zekere hoogte het roer van de kunsten over. Ze is mede-kunstenaar en voor de ingewijden neemt haar aanzien alleen maar verder toe. In de praktijk zal zowel de toeëigening van het ‘beste’ deel van de produktie als een mede aan het roer staan van de kunsten een rol van betekenis spelen. In beide gevallen komt er een symbolische verbinding met de kunst tot stand door middel van een hoge mate van verwevenheid met de kunst. De overheid realiseert zo een vorm van verhuld vertoon dat door de kenners goed wordt gelezen en door anderen wordt ondergaan. De Mondriaan Stichting kan worden gezien als een produkt van deze verwevenheid.

 

Het eigenbelang van de overheid

Kunnen overheden wel eigen belangen hebben? Zijn overheden niet belangeloos? Bij bedrijven vinden we het vanzelfsprekend dat ze belangen nastreven die niet overeenkomen met die van de aandeelhouders. Bij de overheden is het niet anders. Ze jagen belangen na die niet herleid kunnen worden tot de voorkeuren van kiezers. (Het is nuttig om soms het woord overheden in meervoudsvorm te gebruiken om eraan te herinneren dat er in verschillende landen uiteenlopende overheden zijn en dat er binnen één land diverse overheden bestaan - onder meer lokaal en centraal - die zich verschillend en zelfs tegenstrijdig kunnen gedragen.)

Het overheidsgedrag kan worden verklaard vanuit eigenbelang, groepsbelang en algemeen belang. In feite gaat het bijna altijd om een combinatie van deze drie soorten belangen. De vraag is wat de doorslag geeft.

We kunnen de overheid bekijken als een soort organisme met eigen wetmatigheden en behoeften die niet herleid kunnen worden tot die van afzonderlijke personen. Dat is een sociologische benadering. Maar het is eveneens mogelijk het overheidsgedrag te zien als de resultante van de afzonderlijke gedragingen van een groot aantal binnen de overheid werkzame individuen met ieder hun eigen behoeften en belangen. Het resultaat is dan wel meer dan de som van de delen. Dit rijmt met het methodologisch individualisme van de economische benadering. In beide gevallen wordt aannemelijk dat de overheid de facto eigenbelang kan najagen. Zo kan het streven naar vertoon mede met behulp van architectuur en kunstprodukten bijdragen aan de (be)vestiging van de macht en daarmee aan de continuïteit van de overheid. Natuurlijk zal er altijd één of andere overheid blijven bestaan, maar dat hoeft niet noodzakelijk dezelfde te zijn. Dat bleek in het laatste decennium tijdens de herhaalde veranderingen van bewind en van landsgrenzen in Oost-Europa. Het zal zich in toenemende mate manifesteren bij de Europese integratie. En de periodieke wisseling van de wacht in een land als de Verenigde Staten demonstreert hoe betrekkelijk continuïteit is. Zoals de vorstenhuizen van weleer voor hun positie moesten vechten en deze probeerden te behouden mede met behulp van kunstprodukten, zo ‘vechten’ ook de moderne overheden voor hun bestaan en de symboliek van de kunst wordt daarbij ingeschakeld.

De belangen van afzonderlijke overheidsdienaren - vooral die in de hogere rangen - spelen een belangrijke rol. Ze hebben belang bij continuïteit. Bovendien straalt het aanzien en het gezag dat de overheid met behulp van de kunsten verwerft, op hen af. Zij zijn de belichaming van aanzien en gezag. Daarnaast kunnen zij eigen belangen en voorkeuren hebben. Dikwijls neemt men aan dat deze groep samen met andere hoger opgeleiden een voorkeur heeft voor meer ingehouden, formele kunstuitingen, die dus niet te expressief of verhalend zijn. Expressie en verhaal worden hoger gewaardeerd door de lager geschoolden en de economische elite. Het is goed mogelijk dat deze overheidsdienaren samen met hun geestverwanten buiten de overheid erin slagen de overheid als het ware voor hun karretje te spannen om hun kunst te bevoordelen. Niet als complot, wel als een feitelijk werkend mechanisme, waarvan de betrokkenen zich zelfs niet bewust hoeven te zijn.

Vermoedelijk zijn de meer ingehouden en formele kunstuitingen sterk oververtegenwoordigd binnen de zogenaamde avant-garde. Gezien de voorkeur van de betrokken overheidsdienaren wordt het zo verklaarbaar dat de overheid zich, onder meer op het gebied van de beeldende kunst, vooral met deze avant-garde heeft verbonden. De facto bestaat er een overheidskunst die qua samenstelling afwijkt van de doorsnee publieks- en bedrijfskunst.

 

Groepsbelang en pressiegroepen

Door de feitelijke verbinding met groepen buiten de overheid hebben we in dit geval niet uitsluitend met het eigenbelang van overheden te maken, maar ook met groepsbelangen en pressiegroepen. Een kleinere maatschappelijke groep zoekt een voordeel via de overheid. Voor de kosten daarvan draait een veel grotere groep op. Die groep is zo groot dat ze het nauwelijks in hun portemonnee merken; daarom verzet men zich ook niet. De druk op de overheid kan georganiseerd zijn binnen een vakbond van kunstenaars, een belangengroep van consumenten of een lobby. In Nederland spreekt men wel van een kunstmaffia. Toch is het de vraag of die maffia echt bestaat. Het vooronderstelt een mate van organisatie die onaannemelijk is. Onze (misplaatste) ideeën over onbaatzuchtige kunst rijmen niet met doelgerichte en georganiseerde actie. Alleen ongeorganiseerde invloeden, zoals algemene stemmingen, meningen, verdachtmakingen en bedreigingen, zijn effectief. Zo ‘ontstaat’ de opvatting dat een bepaalde bewindsman een ‘cultuurbarbaar’ zou zijn. Als hij zijn gedrag niet wijzigt in het voordeel van ‘de kunsten’, kan dit neerkomen op een dodelijke straf.

Critici van het bestaande overheidsbeleid wijzen vaak beschuldigend naar vooraanstaande personen binnen de culturele elite, die teveel macht zouden hebben, en die deze macht in stand houden door middel van georganiseerde actie achter de schermen, een complot. Door hun toedoen wordt echte publieksparticipatie voorkomen en blijft de gevestigde kunst elitair. Maar organisatie en complot bestaan niet. Daardoor wekt deze kritiek irritatie en ze is niet effectief. De macht bestaat. Ze is evenwel het gevolg van een onopzettelijke afstemming van de gedragingen van een groot aantal personen binnen en buiten de overheid, waardoor eigenbelang van de overheid en groepsbelang in elkaars verlengde komen. Het beschuldigen van één partij heeft geen zin.

 

Algemeen belang

Of het nu komt door de behoefte aan stemmen-maximalisatie of door de werking van een geleidelijk gegroeid ‘overheidsgeweten’: een deel van het overheidsgedrag kan ook worden verklaard uit algemeen belang. In de retoriek wordt natuurlijk al het handelen gemotiveerd met een verwijzing naar algemeen belang, want dat is wat we van de overheid verwachten. Eigenbelang en groepsbelang zullen steeds worden ontkend - daarom wordt er hier zoveel nadruk op gelegd. Maar dat betekent niet dat we de mogelijkheid van een streven naar handelen in het algemeen belang moeten uitsluiten. Probleem is evenwel wat we onder algemeen belang dienen te verstaan. Daar bestaan vele opvattingen over. De economische wetenschap heeft haar opvatting uitgewerkt in de ‘welvaartseconomie’. Vaak neemt men aan dat voor de econoom algemeen belang synoniem is met een vrij werkende markt. Dat is niet juist. Collectieve aspecten en doorwerkingsverschijnselen (collectieve goederen en externe effecten) kunnen overheidsingrijpen rechtvaardigen. Niet veel economen zullen zo ver willen gaan, maar het is denkbaar dat het vertoon en het prestige, dat de overheid met behulp van kunstprodukten kan voortbrengen, niet alleen bij de overheid en bij belangengroepen in een behoefte voorzien, maar ook bij grote delen van de bevolking. Omdat hiervoor geen markt bestaat, zou de overheid de produktie van prestige door middel van kunst voor haar rekening dienen te nemen. Helemaal onzinnig is dat niet. Zeker achteraf gezien, zullen velen een zekere trots ontlenen aan de culturele projecten van hun overheden - in Frankrijk wat meer, in Nederland iets minder. En hoewel zogenaamd avant-gardistische kunstprodukten slechts door een klein deel van de bevolking worden geconsumeerd, blijkt een groot deel het wel van grote betekenis te achten. Men is gevoelig voor het aanzien ervan. Maar of men er daarom ook via de belastingen aan mee wil betalen, is de vraag.

Het is duidelijk dat de drie verklaringen voor overheidsbemoeienis, eigenbelang, groepsbelang en algemeen belang, elkaar niet uitsluiten. Maar door de retoriek van de overheid, blijven de eerste twee vaak onderbelicht. De pressiegroep, van boze boeren tot specialisten, heeft inmiddels meer aandacht gekregen. Volgens mij moet het eigenbelang van de overheden in verbinding met het groepsbelang van ongeorganiseerde maatschappelijke groepen nu beter bestudeerd worden. Juist op het gebied van de kunsten zou kunnen blijken dat de relaties tussen deze belangen doorslaggevend zijn.

Eigenbelang en dienstverlening in het belang van maatschappelijke groepen strookt niet met het idee van onbaatzuchtigheid, dat verbonden is aan de kunsten evenzeer als aan de overheid. De overheid wordt geacht alleen een algemeen belang na te streven. Daarom is het een noodzaak van de eerste orde om eigenbelang en groepsbelang te verhullen. De zogenaamde fondsvorming zoals onder meer in het geval van de Mondriaan Stichting speelt een rol in dit verhullingsproces.

 

Dubbelzinnig vertoon

De winst die overheden door artistiek vertoon binnenhalen, wordt tot op zekere hoogte door henzelf geproduceerd. Zoals gezegd, verbinden zij zich met het ‘beste’ deel van de kunsten, dat wil zeggen met het deel dat reeds in hoog aanzien staat bij invloedrijke maatschappelijke groepen. Maar door zich er mee te verbinden, verhogen zij dat aanzien. De kunstenaar die succes heeft bij de centrale overheid, die wordt aangekocht door prominente overheidsmusea en dergelijke, krijgt daardoor een veel hoger aanzien, dan wanneer hij uitsluitend succes heeft bij particuliere verzamelaars en bedrijven. Dit is enerzijds een gevolg van de allesoverheersende macht van de overheden op de gevestigde kunstmarkten, maar het heeft ook te maken met het air van onbaatzuchtigheid van de overheden. Bedrijven en particulieren hebben dat veel minder. Als de belangeloze overheid een kunstenaar uitverkiest, dan moet hij wel goed zijn. Zo definieert de overheid kwaliteit. Haar selectie heeft meerwaarde en brengt daarmee meer aanzien met zich mee voor de kunstenaar èn voor de overheid. Doordat ze de kwaliteit en waarde van kunst mede bepaalt, koopt de overheid in feite voor minder geld meer aanzien. In de praktijk zijn beide bewegingen nooit echt te scheiden: enerzijds aankoop van het deel met het hoogste aanzien, anderzijds verhoging van het aanzien door aankoop.

Verhoging van het aanzien van de kunst doordat de overheid zich erover ontfermt, werkt het sterkst als de overheid haar imago van onbaatzuchtigheid ten aanzien van de kunsten overeind weet te houden. Een al te openlijk vertoon zou daar afbreuk aan doen. Dit leidt tot wat ik ‘ingehouden vertoon’ noem. Dat is dubbelzinnig. Men wil zich tonen en tegelijk ook niet. Men doet een stap voorwaarts en tegelijk weer achteruit. De woorden zijn bescheiden, de daden niet. Deze dubbelheid wordt in het kunstbeleid van menige overheid uitgedragen, maar bij uitstek door de Nederlandse. Het resultaat is dat er een vermoeden bestaat van de mate waarin overheid en kunst tot meerdere glorie van beide met elkaar verbonden zijn. Men ondergaat het. Het dwingt bijna ongemerkt ontzag af. Wordt de invloed evenwel zichtbaar gemaakt en ter discussie gesteld, dan beroept de overheid zich op haar belangeloosheid en ontkent ze elke verantwoordelijkheid.

De Nederlandse overheid heeft zich dus niet zozeer met de kunsten verbonden door pracht en praal, maar door een fijnmazig netwerk van instellingen, aankopen en subsidies, waardoor ze alom aanwezig is. Een aanwezigheid die inderdaad indrukwekkend is. Het zijn in de eerste plaats de ingewijden die dit ‘ingehouden vertoon’ op de juiste manier lezen en zo gewild of ongewild bijdragen aan het aanzien van de overheid. Maar iets ervan zal door welhaast iedereen worden opgepikt. Tegelijk kan door ditzelfde fijnmazige netwerk dat zich in toenemende mate uitstrekt tot instanties, die de jure geen deel uitmaken van de overheid, de overheid steeds moeilijker ter verantwoording worden geroepen.

 

Fondsvorming

In Nederland heeft begin jaren ’90 een zogenaamde fondsvorming plaatsgevonden, die aanmerkelijk heeft bijgedragen tot de indirectheid en geringe aanschouwelijkheid van de overheidsbemoeienis met de kunsten. Eén van deze fondsen is de Mondriaan Stichting. Anders dan bij de andere nieuwe fondsen, zoals het fonds voor de podiumkunst, spreekt men niet van een fonds maar van een stichting. Bedoeld of onbedoeld wordt hiermee de suggestie van zelfstandigheid en onafhankelijkheid versterkt. De herkomst van de te verdelen gelden wordt in feite verdoezeld. Toch gaat het om een publiek fonds. Alle financiën zijn afkomstig van de centrale overheid. En volgens de statuten van de stichting berust de eindverantwoordelijkheid helemaal bij de Minister van Cultuur. Anders dan bij een overheidsafdeling heeft de Minister geen onmiddellijke zeggenschap over deelbeslissingen. Maar worden er teveel beslissingen genomen, die hem of het Parlement niet bevallen, dan kan hij bij het bestuur aan de bel trekken, dit ontslaan of de geldtoevoer verminderen dan wel afsluiten.

De Mondriaan Stichting verstrekt incidentele subsidies op het terrein van beeldende kunst, vormgeving en musea. (Zo ontvangt “De Witte Raaf” een subsidie van de Nederlandse overheid.) Het doel van de Stichting is het aanmoedigen van beeldende kunst en vormgeving en het bevorderen van de kwaliteit van museale activiteiten. De subsidies worden verstrekt aan zogenaamde rechtspersonen, distributeurs en afnemers, en in principe niet aan afzonderlijke personen zoals kunstenaars. Een groot deel van het geld komt wel bij kunstenaars terecht, bijvoorbeeld via door de Mondriaan Stichting gesubsidieerde kunstenaarsinitiatieven of gesubsidieerde musea die bij kunstenaars aankopen of instellingen die kunstenaars opdrachten geven. In alle gevallen is er een extra schakel gecreëerd tussen de kunstenaar en de subsidiërende overheid. Deze schakel heeft een noodzakelijk verhullend effect.

De fondsvorming heeft zeker voordelen. Zo is er een grotere flexibiliteit. Binnen de ambtelijke structuur zijn de verantwoordelijkheden bijzonder star geregeld. Echte delegatie bestaat niet. Officieel dient de hoogste baas over elk detail te beslissen, maar daartoe ontbreekt de tijd. Noodgedwongen nemen lagere ambtenaren daarom beslissingen en dat leidt tot overdreven voorzichtigheid.

Binnen de centrale overheid waren allerlei functioneel en ruimtelijk gescheiden afdelingen belast met de uitvoering van uiteenlopende subsidieregelingen op het gebied van beeldende kunst, vormgeving en musea. De deskundigheid was versnipperd, er was weinig contact. Bij een bundeling, zoals in het geval van de Mondriaan Stichting, is het daarom makkelijker tot een samenhangend beleid te komen.

Een derde voordeel schuilt in het feit dat de Mondriaan Stichting als loket veel makkelijker te vinden is. De zoekkosten bij de overheid met zijn vele loketten waren relatief hoog.

Toch zijn deze voordelen niet principieel. In theorie hadden ze door een effectieve reorganisatie en de introductie van een andere ambtelijke cultuur ook binnen de overheid gerealiseerd kunnen worden. De fondsvorming is een juridische noodsprong, die het onvermogen van de overheid om in eigen huis orde op zaken te stellen, demonstreert. Dat geldt niet voor een laatste voordeel, dat ik niet eerder heb horen noemen. In het geval van een afzonderlijke stichting is het makkelijker de kosten van het ontwerpen en uitvoeren van subsidieregelingen vast te stellen en deze kosten te beheersen. In theorie zou dat ook moeten kunnen bij een goed georganiseerde overheidsafdeling, maar in de praktijk valt dat tegen. Vooral de zichtbaarheid van de kosten is in het geval van een fonds groter. Het is denkbaar dat dit voordeel zelfs in het geval van een goed georganiseerde overheid opweegt tegen de theoretisch hogere kosten van fondsen ten gevolge van de extra schakel tussen subsidiegever en gesubsidieerde.

 

Verantwoordingsplicht

Het verschil tussen overheid en fonds heeft een praktische achtergrond en is niet fundamenteel. De Mondriaan Stichting is geen overheidsafdeling, maar de facto maakt ze wel deel uit van de overheid. Ze is de overheid. Dat ze de jure in een private rechtsvorm is gegoten, verandert daar niets aan. De betiteling ‘particulier’ fonds, die soms wordt gebezigd, is in materieel opzicht volstrekt onjuist. We wezen al op de naamgeving die eveneens minder dan bij de andere fondsen associaties oproept met de overheid. Woorden zijn belangrijker dan men veelal denkt. Zo wordt er binnen de Mondriaan Stichting niet meer gesproken van subsidiëring, maar van ondersteuning. Daardoor probeert men zich opzettelijk te onderscheiden van de overheid in enge zin. Deze woorden, de naamgeving en de rechtsvorm zijn zeker gekozen om meer afstand van de overheid te creëren, dan wel te suggereren. Bedoeld of onbedoeld wordt de overheidsbemoeienis er ook door verbloemd en dat komt goed uit.

Net zoals de juridische vorm van de fondsen betrekkelijk irrelevant is, zo doen ook de juridische mogelijkheden om de Minister van Cultuur ter verantwoording te kunnen roepen over doen en laten van een fonds minder ter zake. Waar het vooral om gaat, is de kans dat een Minister daadwerkelijk ter verantwoording wordt geroepen. Door de schijn van zelfstandigheid van de fondsen is die kans kleiner geworden. Het wordt veelal als een voordeel gezien dat de Minister zich nu alleen nog met de grote lijnen van het beleid moet bezighouden en niet meer over afzonderlijke projecten wordt aangesproken. Maar in feite begint bijna alle kritiek op het beleid met irritatie op de onderdelen. Kan die irritatie geventileerd worden, dan kan dat een kettingreactie op gang brengen, waardoor het hele beleid ter discussie komt. De facto leidt de nieuwe structuur tot grotere mogelijkheden voor een beperkte kunstmaffia dan wel een ruime culturele elite om de kunsten te monopoliseren zonder dat daar echt verantwoording over afgelegd hoeft te worden.

Wellicht is het bestuur van de Mondriaan Stichting zich daarvan bewust. Over het eerste jaar van haar bestaan, 1994, legt ze op werkelijk voorbeeldige wijze verantwoording af in een omvangrijk en zeer toegankelijk jaarverslag. (Het uitkomen van dat jaarverslag was aanleiding voor de redactie van dit tijdschrift mij voor het schrijven van dit artikel te vragen.) Niets dan lof voor het verslag. Het opnemen van een kopie van een kritisch krantenartikel is een novum dat uitbreiding en navolging verdient.

Goede verslaggeving is en blijft een conditio sine qua non. Het kan de negatieve kanten van een ondoorzichtige subsidiestructuur plaatselijk wat minder scherp maken, maar wegnemen kan ze die niet. Zo zal een verslag toch vooral binnen een kleine groep ingewijden werken. Voor de doorsnee belastingbetaler is het betekenisloos. Dat geldt niet, of niet in dezelfde mate, voor de kunst die de Mondriaan Stichting direct of indirect subsidieert. Meer of minder rechtstreeks komen we daar allemaal mee in aanraking. Aan de hand daarvan zou echt verantwoording afgelegd kunnen worden. Maar juist daar is de overheid èn onvindbaar èn alom aanwezig.

Worden bij een bepaald kunstwerk of project de subsidiegevers en sponsors al vermeld, dan is het toch vrijwel onmogelijk de herkomst van de gelden uit de genoemde namen af te leiden. Niet zelden zijn er stichtingen in het geding die zowel geld uit publieke als particuliere bron doorgeven. Soms weten we dat een bepaalde naam verbonden is met geld uit bijvoorbeeld een loterij, maar dan is het nog een hele stap om te bedenken dat het hier een soort loterijbelasting betreft en dat het daarom overheidsgeld is dat ten grondslag ligt aan de ondersteuning. Ook valt het op dat de Mondriaan Stichting menige club subsidieert, die gelet op zijn financiering als semi-overheid aangeduid moet worden, zoals kunstscholen en bijvoorbeeld Bureau Amsterdam - een nevenactiviteit van het Stedelijk Museum. De overheid subsidieert de overheid. Dat klinkt belachelijker dan het is. Soms kan het rationeel zijn. Maar het wijst wel op de soms onontwarbare en in ieder geval ondoorzichtige knoop waarin de subsidiëring zich voltrekt en waar de Mondriaan Stichting een rol in speelt. Door de geringe zichtbaarheid van de overheid in het eindstadium, dat van de feitelijk gesubsidieerde kunstwerken en kunstprojecten, is het afleggen van echte verantwoording door de overheid niet meer mogelijk.

 

Oligargische tendenties

Zou het kunnen dat naarmate meer clubs zich de verdeling van publieke en private fondsen toeëigenen, de kans op een enigszins rechtvaardige verdeling weer toeneemt? Er zou een imitatie marktmechanisme kunnen ontstaan, waarbij zeer diverse subsidievragers aan hun trekken komen. De werking van pressiegroepen zou in de vorm van een ‘doormodderen’ - een muddling through in de woorden van Lindblom - juist door de onoverzichtelijkheid tot een maatschappelijk gewenst resultaat kunnen leiden. In de praktijk blijkt deze indirecte ‘democratie’ evenwel niet te werken. Het heeft alleen maar een recht van de sterkste tot gevolg zoals onder meer Tullock en Buchanan demonstreerden - zij het niet speciaal voor de kunsten.

Er is inmiddels genoegzaam aangetoond dat kunstsubsidies door de bank genomen een extra voordeel opleveren voor consumenten die het toch al relatief goed hebben. Toch zijn er in de kunstwereld minder dan elders effectieve pressiegroepen actief. Zoals gezegd, laat belangenbehartiging zich niet verenigen met liefde voor de belangeloze kunst. Een recht van de sterkste kan daarom alleen uitgeoefend worden door een feitelijke onderlinge afstemming die onopzettelijk en onzichtbaar is. Dat gaat het beste in een versnipperde structuur zoals we die in de kunstwereld kennen. Het resultaat is uitermate doeltreffend en minder kwetsbaar dan in het geval van aanwijsbare pressiegroepen.

Het is nog te vroeg om vast te stellen of door de geschetste ondoorzichtige structuur van subsidiëring en sponsoring het op den duur voor een nieuwe artistieke stroming moeilijker wordt om toegang te krijgen tot de te verdelen gelden. De strijd om een vooraanstaande plaats in de kunstwereld zal waarschijnlijk steeds meer achter de schermen plaatsvinden en minder voor het voetlicht treden zoals dat deze eeuw zo gebruikelijk was.

Enigszins aan het oog onttrokken bestaan er binnen de grotere groep belanghebbenden zeker fracties, die zich met bepaalde kunststromingen hebben verbonden en die elkaar beconcurreren. Ook horizontaal bestaat er gelaagdheid. Niet iedereen heeft evenveel invloed. Zoals overal bestaan er netwerken. Maar meer dan elders zullen deze een substantiële rol spelen bij de verdeling van de macht. De huidige ondoorzichtige structuur van de subsidiëring nodigt in feite uit tot de oligargische ontwikkelingen in de top van het veld.

 

Hypocrisie

De kunsten zijn meesters in het verhullen. Een dubbele moraal is bijna overal aanwezig. Zo opereren de kunsten ongetwijfeld net zo commercieel als elke andere sector van economische bedrijvigheid. Maar de commercie wordt verhuld en men wendt onbaatzuchtigheid voor. Autonomie bestaat niet, toch wordt die hoog in het vaandel gevoerd.

De moderne overheden verkeren in een vergelijkbare hypocriete situatie. Het zijn nog altijd de grootste, machtigste en rijkste organisaties binnen een land. De neiging om dit vorm te geven in uiterlijk vertoon is alleen maar natuurlijk. Maar juist in de tijd van een zich terugtrekkende overheid is het steeds minder geoorloofd. Toch is de neiging er niet minder om. Ze vertaalt zich in verhuld vertoon: zichtbaar en tegelijk onzichtbaar. De kenners ontdekken de almacht van de overheid, anderen ondergaan haar. Tegelijk houdt de kunstsector zijn schijn van autonomie overeind. Een hypocriete overheid en een hypocriete kunstsector vinden elkaar. Het lijkt erop dat Nederland met zijn calvinistische achtergrond en ingehouden vertoon koploper is in deze.

Zoals al gesuggereerd, zie ik gevaren in deze ontwikkeling met zijn oligargische trekjes. Het zou me niet spijten als de overheid meer openlijke artistieke blijken van haar macht en rijkdom zou geven, zodat we haar ter verantwoording kunnen roepen. Vermoedelijk gaat dit te zeer tegen de geest van de tijd in. Maar ook in de marge zou het anders kunnen. Zo kan geëist worden dat de totale overheidscomponent in een uiteindelijk kunstwerk bekend en zichtbaar is. Daarnaast kan de overheid in bepaalde gevallen alleen subsidiëren als ze de enige subsidiënt is. Daarmee worden hutspotsituaties voorkomen.

De overheid verbindt zich immers altijd met bepaalde kunst en niet met andere. Voor kunstenaars geldt hetzelfde. Sommigen verbinden zich meer met de overheid dan anderen. Zo bestaat er per definitie overheidskunst en zijn er overheidskunstenaars. Dat mag zichtbaar zijn; het hoeft niet verhuld te worden. Alleen dan kunnen we bepalen waar we voor en waar we tegen zijn.