Linda Warmoes

DE WITTE RAAF

Editie 61 mei-juni 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

KUNST, een feuilleton in afleveringen

Aflevering 3: dada, pipi & kaka

De dialogen waren anders. De figuren zijn gefantaseerd. Hun lotgevallen niet.

Adriaan Venema in: “Het dagboek”

 

Wat voorafging

Het telefoongesprek van inspecteur Hamer met de Grote Chef die zich in Taiwan bevindt, levert niets meer op dan de bevestiging dat Henry Morton vermoord en het lijk verdwenen is. Ook andere verhoren helpen de rechercheur geen moer verder. Gelukkig kan Nagel rapporteren dat de bloedsporen, gevonden op de plaats van de misdaad, van twee verschillende personen afkomstig zijn. Hélène Hübschmidsk van haar kant bevestigt dat de in de tuin van het SumMum gevonden schoen aan het slachtoffer heeft toebehoord. Daarnaast vernamen we ook dat Pim Laurijsse wanhopig op zoek is naar één van zijn kunstenaars,  dat Fritz en Hanny nog altijd gelukkig getrouwd zijn, en dat Jean Prefab grootse plannen koestert …

 

1. De sprong

Een C130 cirkelde boven de Stuyfhoek, de meest verpauperde wijk van de Scheldestad. Jean Prefab stond, geheel in para-outfit, in het springgat van het vliegtuig. Een zegen voor de goede afloop en een duwtje in de rug, dat was alles wat hem scheidde van De Sprong, het ultieme herstel van de verbroken band tussen De Kunstenaar en Het Volk. Als alles goed ging, zou Prefab landen in het moestuintje van de ouderlijke woning, in de Lange Beeldekensstraat. De plek waar hij als kind zijn eerste proeven deed met mestkevers en strontvliegen. De kunstenaar voelde zich verhevener dan ooit. Ter Aarde Nederdalen, dit had niemand hem ooit voorgedaan! Tenzij dan Jezus Christus, natuurlijk. Of was die nu juist opgestegen? Prefab wist het niet meer precies.

De deur van de cockpit ging open, een wezen met een veel te grote helm en stofbril stak zijn hoofd door de deuropening. Peter Bastiaens was meegekomen voor de officiële inzegening, één van de weinige gelegenheden waarbij hij zich als politicus echt in zijn sas voelde. Praten ging niet in deze omstandigheden, maar Peter stak de beide duimen in de lucht, ten teken dat alles kits was.

Prefab keek op z’n horloge. Twee over vier, de hoogste tijd. Hij draaide zich naar de Schepen van Cultuur, die met zijn beide handen bezwerende gebaren maakte, en gaf zichzelf dan een zetje in de richting van het vrije luchtruim…

Oeh, dat ging lekker! Het kriebelde in zijn ballen. Nu even aan het touwtje trekken en… jawel hoor, de blauwgebicte parachute ontvouwde zich! Gestaag zag Prefab de plattegrond van de stad dichterbij komen. Hij zag het Stuyfhoekplein, de nauwe straten, café Albatros, zelfs het ouderlijke huis kwam in zijn blikveld… Maar oei, wat was dat? Een plotse windstoot tilde hem op en nam hem tientallen meters met zich mee, ver weg van de Stuyfhoek. “Help!” riep Prefab, maar niemand hoorde het. Allemachtig, hij dwarrelde stuurloos in de richting van de Onze-Lieve-Vrouwetoren! Hoe hij ook trappelde in de luttele seconden die volgden, in niets liet de vergulde haan op de torenspits merken dat hij van plan was te wijken. Dit ging slecht aflopen. Dit ging héél slecht aflopen. Prefab dacht blijkbaar hetzelfde, want hij liet een kreet ontsnappen die herinnerde aan de oerknal. Het volgende ogenblik reet de gouden hanebek het blauwe zeildoek aan flarden, terwijl Prefab hulpeloos naar beneden werd geslingerd. Als een kakelvers eitje klutste hij tegen de toren…

In de stad sloeg men groot alarm. Ziekenwagens reden af en aan, het Rode Kruis schoot in actie en fase III werd afgekondigd van het Provinciale Rampenplan. 

 

2. De criticus en zijn model

Een zonnestraal viel door de slordig dichtgeschoven gordijnen. Hamer zat in een harde, niet onprettige fauteuil en nam, voor zover mogelijk in het halfduister, en met enige verwondering ook, het interieur in ogenschouw. De meeste boeken waren keurig in metershoge open kasten gerangschikt, maar hier en daar leek een gat geslagen in de ordelijke verzameling. Op die plaatsen lagen de boeken kriskras door elkaar op de grond, alsof de gebruiker, in een bui van weetgierige woede, op zoek was gegaan naar het antwoord op een plots kwellende vraag.

De inspecteur dacht terug aan de weg die hem naar dit Vlaamse landhuis had geleid: bochtige, steeds smaller wordende paadjes die af en toe verdwenen in lage vegetatie. Van de bewoner van het huis, een zekere Karel Slaghter, een voormalig kunstcriticus én een vriend van Morton, had hij een handgeschreven brief ontvangen die mogelijk een nieuw licht wierp op de moordzaak. De brief was curieus genoeg geweest om de afdaling naar dit verlaten oord te riskeren.

De keukendeur ging open, een grijze, magere, lichtjes gebochelde man bracht een dienblad met thee en cake naar binnen. Zwijgend schonk hij drie koppen vol en zette zich recht tegenover Hamer. Even later  verscheen een blonde juffrouw, die op de armleuning van Slaghters zetel plaatsnam.

“Dit is Ilse,” sprak Slaghter, “Ilse werkt aan een vertaling van Baudelaires ‘Pauvre Belgique’.”

“Aangenaam, Hamer,” zei de inspecteur.

Slaghter zuchtte. “Kunst in de jaren ’90, mag het mooi zijn, of moet het vooral choqueren? Moet kunst een boodschap brengen, of mag ze alleen maar aan zogenaamd fundamenteel onderzoek doen? Ik zeg je: we weten het niet meer, we zijn op de dool. Maar toch presteren ze het om dagelijks met zogenaamd nieuwe oplossingen voor de draad te komen, de ene al potsierlijker en lucratiever dan de andere, en altijd hetzelfde gezwets dat er als koeiezeik overheen wordt geloosd. En al die déjà vu’s, god wat word ik daar misselijk van! Nu is het weer al ‘proces’ dat de klok slaat! Zouden de heren en dames kunstenaars en critici misschien eerst eens hun lesje kunstgeschiedenis willen leren? Dat hebben we toch al veel eerder gezien: provo, fluxus, dada, pipi & kaka!”

Gracieus sloeg het meisje de benen over elkaar.

“Natuurlijk zou het kunnen,” nam hij wat gas terug, “dat wat wij als identiek beleven feitelijk iets helemaal anders is, dat wij nog niet in staat zijn om die verschillen op te merken. De wereld van de gelijkenissen is een gevaarlijk spiegelpaleis. Alleen draait de kermismolen van het kunstcircuit zo snel dat je de kans niet krijgt om dat in alle rust en ernst te ontdekken, dat is de hele merde, inspecteur. En we worden bedrogen door vermeende gelijkenissen, net zozeer we in de maling genomen worden door verraderlijke verschillen. Want kunnen ook verschillen niet vals zijn? Zijn vernieuwingsdrang en citatitis geen huizenhoge symptomen van de wil om het bedrijf draaiende te houden? Verschilt het kunstcircuit eigenlijk wel wezenlijk van de eerste de beste waspoederfabriek?”

Niet dat Hamer alles begreep, maar hij knikte instemmend. Slaghter sprak met een verbetenheid die de politieman intrigeerde.

“Henry was een van de weinigen met wie ik over problemen als deze van gedachten kon wisselen.” Dan zweeg hij een poos. Ilse legde haar hand op de zijne.

“Had hij vijanden?” vroeg Hamer.

“O ja, je zou kunnen zeggen dat het hele milieu hem vijandig gezind was.” Uit zijn vestzak haalde de criticus een brief te voorschijn. “Geschreven op de dag voor de moord, mij toegekomen vijf dagen nadien. Buiten een verslag over de gebruikelijke bekommernissen, schrijft Henry op het eind dat hij bedreigd wordt door iemand uit het wereldje. Maar door wie precies…,” Slaghter stond op en gaf de brief aan Hamer, “…dat zegt hij er niet bij.”

“Vreemd,” mompelde Hamer, die de brief zorgvuldig in zich opnam.

“Typisch Henry. Hij vond het niet belangrijk genoeg om er veel aandacht aan te besteden. Voor hem was dit gewoon de zoveelste…” Slaghter zweeg.

“Was uw vriend enigszins… gewelddadig?” polste Hamer voorzichtig.

“Hij heeft zijn atelier weleens kort en klein geslagen, maar verder zou hij geen vlieg kwaad doen.”

“Dat hij zelf een gevecht uitlokt, lijkt u onwaarschijnlijk?”

“Absoluut. Maar terugmeppen, dat zou hij zeker niet nalaten. Als het echt moest dan.”

Nou en of dat het die nacht had gemoeten, dacht Hamer bij zichzelf, terwijl hij van zijn thee slurpte.

“Als ik u goed begrijp, hebt u mij dus alleen maar naar hier geroepen om een brief te tonen waar eigenlijk nauwelijks iets in staat.”

“Toch niet, inspecteur. Er is nog iets anders.” Slaghter ging naar het raam en trok het gordijn open. Het zonlicht stroomde nu schaamteloos binnen. “Ik bedoel dit hier.”

In het glas, vlakbij de raamknop, was een klein gat geslagen, genoeg voor een smalle hand om zich toegang tot het huis te kunnen verschaffen.

“Een inbraak, waarschijnlijk drie dagen geleden. Ilse en ik waren naar Frankrijk. Gestolen is er niets, ook niet het geld dat op mijn bureau lag. Maar een rotzooi, inspecteur! Of dacht u echt dat mijn bibliotheek er altijd zo chaotisch bijligt? U dacht natuurlijk: hier woont een zonderling, een rare.”

Hamer voelde zich een beetje betrapt.

“Nee, hier is iemand verwoed naar iets op zoek geweest, me dunkt. En hij of zij heeft het niet gevonden.”

“Aan wat dacht u dan?” vroeg Hamer.

“Aan deze brief natuurlijk,” zei Karel. “Volgens ons staat er niet veel in. Maar de inbreker dacht daar blijkbaar anders over.”

 

3. ROTT’ART

In de gloednieuwe kunsttempel De ParkeerGARAGE hingen de koppen erbij als verlepte tulpen in een lek geslagen vaas. Vandaag was het de zevende dag van de kunstbeurs “ROTT’ART’96". Die was opgezet om alle andere kunstbeurzen in Europa overbodig te maken, maar zou waarschijnlijk nog als pasgeborene ten grave worden gedragen, zo compleet dreigde het fiasco te worden. Verkocht had nauwelijks iemand iets. Uur na uur leverden de verkoopenquête-formulieren het zoveelste bewijs van het absoluutste laagterecord. Om het tij alsnog te keren had de beursdirecteur, die door iedereen Der Witz werd genoemd, voor vanavond in allerijl en met veel tamtam een symposium georganiseerd. Piet Gruwel, oud-directeur van Museum Meerpaal-Van Meegeren, was bereid gevonden om als voorzitter te zetelen, en Cor Bladerdeeg, kunstprofessor, om de inleidende woorden te spreken. De titel van het symposium ronkte welluidend: “Toekomst van de Galerie/Galerie van de Toekomst”. Daarnaast wilde Der Witz ook een aantal mensen uit het veld aan tafel krijgen, maar zelfs de bezetting van deze stoelen had voor nijd en wrevel onder de galeriehouders gezorgd. Eerst was het evenwicht tussen Nederland en Vlaanderen een struikelblok, dan kwam het hoge aantal mannelijke panelleden aan de orde, en nadien bleken ook huidskleur, seksuele voorkeuren en verkoopscijfers factoren waarmee Der Witz moest goochelen. Tenslotte moest hij ook nog een kunstenaar vinden om de boel wat op te vrolijken. Alleen zijn keuze voor  de wereldberoemde kunstenaar Yakuza Kidotai werd door vrijwel iedereen correct bevonden.

“Maar jullie doen al de hele week niks anders dan klagen en mopperen. Je moet altijd positief blijven, anders wordt het nooit wat!” Lila Akelei had het tegen Annie Poele-Poele en Janneke van Breda. Alle drie de vrouwen dreven in de hoofdstad een galerie, vlak naast elkaar, zoals ze ook op deze beurs vlak naast elkaar een stand huurden. De hele week al hadden ze hun teleurstelling over de geringe aandacht samen weggerookt, -gekwekt en -gedronken.

“Er gebeurt nu tenminste wat,” ging Lila verder. “Het is razend knap wat Der Witz in drie dagen voor elkaar heeft gekregen. Als je hoort wie er allemaal komen!”

“O ja?” hoonde Janneke. “Zelfs op de opening was er geen hond, en nu opeens zou het hier vollopen? Dan begin je je wel af te vragen welke worst die grappenmaker ze heeft voorgehouden!”

“Ons natuurlijk!” zei Lila verontwaardigd. “Ons heeft hij ze voorgehouden, wij zijn toch hartstikke aantrekkelijk! Als je daar ook al niet meer in gelooft, ja, dan kan je beter…”

“Ons? Hübschmidsk zal je bedoelen, die del! Niet moeilijk ook. Mocht ik zoveel poen rapen als zij met Morton, dan zou ik ook wel wat hoot koeture aan m’n kont hangen! Maar ja, niet iedereen heeft een dooie kunstenaar in zijn stal! Publiek of geen publiek, elke dag komen er weer een paar rode stippen bij. Haar telefoon moet al even gloeiend staan als haar…”

“Zo, dan ga ik nu de kurk uit een flesje wijn trekken, anders doet mijn tong het niet vanavond,” zei Lila, om Janneke tot zwijgen te brengen.

Intussen keek Der Witz toe hoe een paar medewerkers van De ParkeerGARAGE het auditorium halveerden door overdwars een gordijn dicht te sjorren. Een volle halve zaal is beter dan een half volle zaal, dacht hij. Bovendien had iedereen die hier op de achterste rij zat zowel een veldkijker als een oorhoorn nodig, want in deze langgerekte glazen bak leek het podium als de horizon zo ver en ketste het geluid als een knikker.

Het was al bijna halfacht toen de zaal in gereedheid was gebracht, de geluidsinstallatie werkte en de lichten brandden. De beursdirecteur ging als een portier bij de ingang staan om alle mensen die hij deze week uit de slaap had gebeld, nu ook persoonlijk de hand te schudden. 

De eerste gasten druppelden binnen. Daar was Cor Bladerdeeg, die met een pen in zijn mond zenuwachtig door zijn tekst waaierde, alsof er een onvindbare blunder in verscholen zat. Piet Gruwel was ook op tijd, hij rechtte demonstratief zijn magere lichaam, om zich voor de rol van voorzitter alvast zo groot mogelijk te maken. Met een tik op de schouder werd hij begroet door Bill Stretch, de directeur van De Parkeer-GARAGE, die zo langzamerhand weleens wilde weten wat Der Witz allemaal aan het doen was met zijn gebouw. En even later verscheen Karel Aanstaande, directeur van Museum Het Middelste. De eerste galeriehouder die zich liet zien was Pim Laurijsse, op een zucht gevolgd door Flip Van de Waeter. Der Witz groette hem met een hartelijk ‘hoi!’, maar Flip deed net een poging om de aandacht van kunstverzamelaar Hans Anders te vangen. Deze had op zijn beurt alleen maar oog voor een andere Hans, ook een verzamelaar, die van achteren Palingboer heette. “Alleen de prijs is anders,” hoorde Flip de eerste Hans zeggen, “maar wat die In Memoriam-expositie zal geven, dat durft niemand te voorspellen.” De kwestie werd professioneel terzijde geschoven toen Hélène Hübschmidsk binnentrad. Annie Poele-Poele plooide haar mond in een geforceerde glimlach, die je verder alleen ziet bij beginnende quizpoezen en net afgestudeerd luchtvaartpersoneel. Al bij al verzamelden zich zo’n kleine honderd mensen, waaronder zeker vijftig galeriehouders. Toen het tijd was, verzocht Der Witz alle aanwezigen plaats te nemen op de in honderd verschillende kleuren geverfde stoelen.

Bladerdeeg hield zijn inleiding en Gruwel was degene die er het meest van genoot. De hedendaagse galerie was volgens professor Cor een onbestorven weduwe, die ten onrechte was gescheiden van de kunsthandel, en zich daarmee in de zeer nabije toekomst beslist weer zou herenigen. Voorzitter Gruwel vond dat een pittige stelling, die zeker aanleiding zou geven tot discussie en hij kon bijna niet wachten om het vuurtje aan te steken.

Dat kwam mooi uit want in de zaal zag hij de opgestoken hand van een galeriste met vlammend rood haar, die luisterde naar de naam Liesbeth List. Haar kapsel wekte de indruk dat zij afstamde van een vuurtorenwachter, maar wie haar kende wist beter: die oranje-rode hoofdtooi had de galeriste zich aangemeten om de wereld te laten zien dat haar hoofd slechts gehuurd was, en dit tegen een schappelijke prijs, bij de Indiase goeroe Sai Baba.

“Ik ben het helemaal met de inleider eens,” sprak Liesbeth ferm. “Handel, daar gaat het om! Kijk, ik sta hier nu al de hele week op deze beurs met prachtig ingelijste potloodlijnen van Fernando. Het zijn schitterende werken, wel minimale werken, maar beslist niet minder schuldig dan het landschap dat ze uitbeelden. Ja, uitermate schuldige tekeningen zijn het, en het gekke is dat ze nog veel schuldiger lijken nu ik er niet één van heb verkocht. Echt, niet één! Ik had Fernando ook nog een schilderijententoonstelling beloofd, maar dat gaat mooi niet door. Wat denkt hij wel, ik ben de Amersfoortse niet!”

De voorzitter gaf het woord aan de interruptie-microfoon, waarachter twee directeuren hadden plaatsgenomen, Bill Stretch en Karel Aanstaande.

Bill: “Al jaren kom ik in galeries, en al jaren kijken de juffrouwen die daar achter hun bureaus hun nagels zitten te knippen naar hun klanten met een blik van ‘wat doet u hier’.”

Karel: “Al jaren wend ik mij tot galeries als ik tentoonstellingen ga organiseren. Maar veel kunstwerken blijken dan opgelost in het niets, als het brood in de maag van een bakkersklant. Want even opschrijven aan wie ze iets verkopen, dat is te veel moeite voor de meeste galeriehouders.”

Velen in de zaal voelden zich door de twee directeuren op een laaghartige manier in de sandwich genomen. Maar in plaats van woedend uit te vallen, leken zij, een ogenblik maar, met stomheid geslagen. Precies in dat onbewaakte moment ging met een grote zwier de zaaldeur open, en rolde er een kleine karavaan van camera’s, geluidsapparatuur en volgspots binnen, omringd door een kluitje mannen. Daaruit stapte, bijna dampend van levenslust, een blonde stoot die, zo gauw de mist was opgetrokken, door iedereen herkend werd als Eefje van der Heij, in kunstkringen algemeen beroemd om haar immer naar het hart van de zaak gerichte vragen in het televisieprogramma “De Kunstkeutel”

“Sorry hoor, heel even maar,” riep zij naar niemand in het bijzonder. “Mogen wij hier heel even opnemen? Twee minuutjes, drie misschien... Waar ging het ook alweer over? Kunsthandel, toch? Precies, natuurlijk! Goed, kan het even?”

Zonder dat het antwoord werd afgewacht, snorden de camera’s al, terwijl de geluidsmensen met brutale, onverstoorbare gezichten hengelden naar het gesproken woord. Dat was er ineens in hoge mate, want de galeriehouders lieten hun woede nu ruimschoots de vrije loop.

“Ik mail en netwerk mij een ongeluk richting de musea, maar nog nooit heeft er zich één conservator in mijn galerie vertoond!”

“Jullie museumdirecteuren hebben mooi lullen met jullie kassuccessen. Maar al het nieuwe talent dat jullie brengen, dat plukken jullie weg bij ons!”

“Galeries moeten hun subsidie inleveren, en waarvoor? Voor de kunstenaarssociëteit van Woody van Amen en zijn grote familie! Uitgerangeerde alcoholisten, die zijn hier voor de gemeente honderd keer zo artistiek als pionierende galeriehouders!”

Vrijwel iedereen stond nu, de mensen duwden elkaar weg bij de interruptie-microfoon, stoelen vielen om, Lila zat met tranen in haar ogen en de voorzitter maande vergeefs tot kalmte. Eefje van der Heij spoorde haar cameramannen aan om vooral geen moment van dit uitzonderlijke gebeuren te missen.

“ROTT’ART’96" was definitief ter ziele, dat stond als een paal boven water. Het symposium was nog geen uur gaande toen de voorzitter er een eind aan maakte, omdat, zoals hij later voor de camera’s van “De Kunstkeutel”verklaarde, “het gebekvecht de grens naderde van het handgemeen”. 

Boy Hemda van galerie Angela Carter was de eerste die de zaal verliet. Hij liep regelrecht naar zijn stand, op de voet gevolgd door zijn buurman Bart Landers van galerie Azijn. Boy wist wat hem te doen stond: de telefoon grijpen en de transportfirma Het Gelach verzoeken liever vandaag nog dan morgen zijn kunst te komen inpakken en haar weg te voeren, zo ver mogelijk hier vandaan.

Toen hij had opgelegd, hoorde hij gevloek en gestommel, daarna gerinkel van glas, gescheur van papier en geschreeuw: het was Landers, bij wie het beursdebâcle kennelijk volledig naar binnen was geslagen: “Flutlitho’s zijn het, altijd al geweten! Waardeloze rotzooi, weg ermee! Weg! Weg! Whhhecccgggg! Tyfuszooi! Vuilnis! Krrraaasssjjjj!”

Ook elders hoorde hij kunst aan diggelen geslagen worden. Sommige galeristen bedienden zich van nopjesfolie, kartonnen dozen en duwkarretjes maar wat niet snel en goed ingepakt en vervoerd kon worden of van de kar viel, werd zonder omkijken achtergelaten.

“Hierheen, gauw, schiet op!” Eefje van der Heij opende een deur naar de inmiddels helemaal donkere beursvloer, met naast haar de wereldberoemde kunstenaar Yakuza Kidotai, die zijn rolstoel vaardig over de drempel tilde.

Jesus Christ,” riep hij, “het lijkt hier wel een maanlandschap na het vertrek van de Apollo!”

“Ssssst,” deed Eefje, “zal ik je duwen? Laten we snel een plek zoeken, het is al laat en mijn jongens mogen mij niet te lang missen. Wat mij betreft mag het vlug gaan, dat eindeloze gefriemel en gepoezel, dat hoeft niet voor mij.”

“Daar!” riep Yakuza, “kan niet mooier!”

Helemaal achteraan Hal 2B stond een soort auto, om precies te zijn een tot hoerenkast omgebouwde vrachtwagen van de succesvolle kunstenaar Joop Zoethout. In volle vaart reed Yakuza op het voertuig af en eromheen. In een wip opende hij de deur en hees zich in het bed in de laadbak.

“Okay,” zei Eefje, die zich in drie tellen uitgekleed had en onder hem was geschoven. “Kom dan jongen, zo ja, kom maar binnen met je knecht. Ooohoo, God, jah, lekker. Wat een geluk dat die fluit van jou, wwaahh, er in ieder geval nog aan zit! Pak me dan jongen, hhwwunnggg, heerlijk! En wat een feest dat die mannenbenen nu eens een keer niet in de weg zitten, daar heb ik nou altijd last van, weet je dat? Ooohhh, zo ja, grote God, wat doe je allemaal met me...?”

 

4. Een volgende tragische gebeurtenis

Toen Janneke van Breda haar pyjama aantrok, wees haar wekker twee uur aan. Helemaal niet laat nog! Deze week was de tijd van haar zelf en van niemand anders! Na het debâcle van “ROTT’ART’96" moest zij even grondig afkicken, en voorlopig was zij niet van plan om zich waar dan ook in het kunstwereldje te laten zien, zelfs niet in haar eigen galerie.

Wat zou zij doen, nog even wat surfen over de bedbeeldbuis of toch maar een boekje? Ze koos het laatste. Staande voor haar boekenkast wandelde ze met haar vingers over de ruggen, op zoek naar iets luchtigs. Ja, dit was misschien wel wat: “The Billiard Table Murders” van Glen Baxter. Ooit op haar verjaardag gekregen, al wist ze niet meer van wie.

Ze stapte in bed en bekeek aandachtig de tekening op het omslag. Een vrouw met rode haren hield een olielamp boven een biljart waar een hap uit gebeten leek. Aan wie deed de vrouw Janneke denken? Zij kon haar niet meteen thuisbrengen. Toen viel haar oog op de ondertitel van het boek: “A Gladys Babbington Morton Mystery”.

Janneke schrok eerst en moest toen hard lachen. Wat waren Gods wegen toch ondoorgrondelijk! Sinds ze dit boek drie of vier jaar geleden had uitgepakt, had ze het nooit meer aangeraakt, en precies nu, nu de naam Morton een zo dubieuze actualiteit had gekregen, greep ze het blindelings te voorschijn.

Verwachtingsvol ging ze in bed liggen en sloeg het boek open bij het eerste hoofdstuk. “An Unexpected Guest”,  stond erboven.

Dudeluut, dudeluut, deed de telefoon op haar nachtkastje. Op dit uur nog? Wie kon dat zijn, in hemelsnaam?

“Janneke? Met Annie. Was je nog wakker? Gelukkig, ik kon ook niet slapen. Luister, een vreselijk tragisch bericht! Lig ik me daar nog met een half oog naar de televisiekrant te kijken, en wat lees ik ineens? Fernando is dood! De politie heeft zijn lijk gevonden! Ja! Wat? Goeie vraag, weet ik niet, het bericht was al weg voor ik het uit had. Maar als je nou even je tv aanzet, het wordt steeds herhaald. Dan bellen we zo nog even als het weer geweest is. Ja, tot zo dan!”

Janneke knipte haar toestel aan en hoefde niet lang te wachten. Het bericht ging als volgt: “Omstreeks 12 uur vannacht heeft de politie aan de rand van het Beulderbos het lijk gevonden van de kunstenaar Fernando. Het lichaam werd ontdekt door een wandelaar die zijn hond uitliet. De kunstenaar is vrijwel zeker het slachtoffer geworden van een misdrijf, maar van de dader ontbreekt nog ieder spoor. Fernando is de tweede kunstenaar in korte tijd die door geweld om het leven is gekomen. Van Henry Morton, die enige maanden geleden in het SumMum werd vermoord, is nooit meer teruggevonden dan een schoen, terwijl aan het lichaam van Fernando juist een schoen ontbrak. Op grond daarvan suggereerde politierechercheur Nagel vannacht een verband tussen de twee zaken.”

Janneke stak een sigaret op, greep de telefoon en draaide het nummer van Annie Poele-Poele. Op hetzelfde moment dat er werd opgenomen zag Janneke dat de vrouw op de cover van “The Billiard Table Murders” als twee druppels water leek op Liesbeth List.

 

5. In Limburg op de schoolbanken

Eindelijk was men toe aan de laatste en spannendste fase in de zoektocht naar een instellingsverantwoordelijke voor het Provinciaal Begijnmuseum. Eerst was een nieuwe functie voor de huidige directeur gevonden, daarna had een lange reeks hearings plaatsgehad, vervolgens was een wondermooie advertentie verschenen in de kranten en tenslotte waren de honderden schriftelijke reacties tot een selectie van dertig kandidaten teruggebracht. In het  klasje van het Instituut voor Snit en Naad, waar de laatste reeks proeven georganiseerd werd, sijpelden de zenuwachtige kandidaten één voor één binnen. Naast enkele Bekende Vlamingen zoals Bert (van het Voormalige Casino), Johannes Drassig (van het SILHO) en Jerom Baeys (van de vereniging zonder winstoogmerk Indolantia Indolantiarum) was er ook heel wat locaal talent op de wedstrijd afgekomen. Bekend of onbemind, in Limburg was men vastbesloten om de functie aan een hooggekwalificeerd persoon toe te wijzen. De jury, onder het voorzitterschap van doctor Walter Emmaüs, en de praktische begeleiding, in de persoon van de Provinciale Vaste Wervingssecretaris, stonden borg voor een doortastende aanpak.

De Wervingssecretaris klapte in haar handen en nam het woord: “Nu allemaal goed opletten, ik ga een passage uit een filosofisch tractaat voorlezen, het is uw taak om de fundamentele stellingen samen te vatten en van kritische commentaar te voorzien. In deze eerste proef willen we uw luistervaardigheid en kritisch vermogen testen. Iedereen klaar, ja, hier gaan we dan: ‘Het begrip kunst is verwarrend in zijn algemeenheid. ‘Kunst is kunst’ is geen geldige tautologie. De discussie of kunst een produkt is van het denken of van het zintuiglijke is totaal overbodig, zelfs een eventuele middenweg doet hier niet ter zake. Elke vorm heeft recht op ontstaan. Geen enkele moet blijven bestaan…’”

Nadat de Wervingssecretaris het stuk uit Emmaüs’ nieuwste boek had voorgelezen en de richtlijnen van de proef nog eens had herhaald, konden de kandidaten eindelijk aan het werk. Uitgezonderd Baeys dan, want diens biologische klok stond op een tukje. Bert keek verveeld om zich heen. Het ergerde hem dat hij zijn kostbare tijd moest verspillen aan het verwerken van iemand anders tekst, terwijl hij zelf zo’n oorspronkelijk auteur was. En Johan Drassig voelde zich ongemakkelijk. Hoe kon het ook anders. In de jury zaten, naast de voorzitter en een tiental Limburgers, ook nog twee personen die hij helemaal niet vertrouwde: André C. Zwynen, directeur van de Koninklijke Academie voor Schilderen en Boetseren, en niemand minder dan zijn huidige overste, Kapitein Iglo.

Maar Drassig hoefde eigenlijk niet te panikeren, want een uurtje nadat de antwoorden waren ingeleverd, verscheen de Voorzitter glimlachend met de punten. De meeste deelnemers mochten naar de volgende ronde. Minder fortuinlijk waren Klaartje (49%), Stefanie (49,5%), Jan (48,5%), Sara (49%) en Bert (25%): “hun kandidatuur werd niet weerhouden”. Beroep aantekenen zat er voor de gezakten niet in, want nauwelijks hadden de uitgeputte examengangers Emmaüs aanhoord of ze zagen de Voorzitter in zijn Audi springen en in de richting van het Jenevermuseum stuiven.

 

6. Studio 4 van de radio-omroep

Félicien, technicus van het dagelijkse cultuurmagazine “De Grote Markt”, was een ware tovenaar inzake elektro-akoestiek. De luisteraar kon niet vermoeden dat studio 4, de studio van waaruit de meest zoete en rustgevende stemmen de wereld werden ingestuurd, in feite een piepklein rommelhok was. Het mocht een wonder heten dat het programma de chaos die er heerste perfect binnenskamers kon houden.

De agenda van vandaag zag er weer even spannend uit als altijd. Eerst zou Fons Blunders een item verzorgen over Japanse prentkunst tussen 1879 en 1881 op het eiland Sjikokoe, dan was Jean-Claude De Windt er met een stukje over het tijdschrift “Aftrekbaar”, en daarna zou Phil Dupré een bloemlezing Servo-Kroatische poëzie bespreken. Om onverklaarbare reden werd het trio ook weleens Mik, Mak en Mon genoemd. Naast de drie hing er nog iemand rond in de studio. Het was Paviljoentje die zoals gewoonlijk pas helemaal aan het einde aan de beurt kwam met ditmaal een loodzwaar onderwerp, “S,M,L,XL” van Rem Koolhaas, een boek dat zijn eigen gewicht ettelijke malen overtrof.

Nauwelijks was de begintune afgelopen of Christel Ceustermans, de presentatrice van het magazine, schoof de microfoon door naar Mik. Terwijl Blunders zijn exposé begon, draaide De Windt treiterig traag een chokotof uit zijn wikkel en liet hem smakkend tussen zijn tanden plakken. Het zweet stond Mik op het voorhoofd, maar oosterse meditatieve technieken hielden hem boven water. Zijn hand lag inmiddels op de knie van Christel. 

“... zou de prentkunst op Sjikokoe het volgende decennium ingrijpende veranderingen ondergaan. Maar dat is voor een volgende bijdrage,” eindigde Blunders zijn praatje. Felicien draaide de micro dicht en stuurde een Satz van Webern in de ether. 

“Zeg Fons, wanneer horen we nog eens nieuws uit Tibet?” informeerde De Windt. Blunders mocht zich inderdaad een eminent kenner van de Tibetaanse cultuur noemen, zijn bijdragen over het geestelijke leven op het dak van de wereld vormden een vaste waarde in “De Grote Markt”. “Of is het gedaan met de steekpenningen van de Dalaï Lama?”

Mik wierp Mak een boze blik toe, maar tijd voor protest was er niet, want Webern liep af en de volumeknop stond weer open. De Windt stak van wal met een bespreking van het tijdschrift “Aftrekbaar”, het pennezweet van een verse lichting germanisten uit de Scheldestad.

Zoals gewoonlijk velde hij een bijzonder genuanceerd oordeel. Het was niet slecht en het was niet goed, vond Mak. Het was niet zus en het was niet zo.  Het was niet dit en niet dat, niet sterk en niet slap, geen soep en geen pap. Alle plus- en minpuntjes samen, besloot hij dan ook, vermeerderd met de titel, draaide de waarde van dit tijdschrift uit op een keurige zero. Ja, in wikken en wegen was Mak de primus inter pares van de openbare omroep.

Hup, daar ging alweer het Scherzo van Bartok, en hup, daar klonk alweer het vertrouwde ‘plim ploem’ van de rubriek “nieuwsjes”. Christel schraapte haar keel.   

“De internationaal gerenommeerde kunstenaar van bij ons, Jean Prefab, die onlangs levensgevaarlijk gewond raakte en zevenendertig breuken opliep tijdens een kunststunt, herstelt buitengewoon snel.  Zo snel dat hij binnenkort het ziekenhuis mag verlaten. Om dit herstel te vieren heeft Prefab een ski-vakantie aangekondigd in het Zwitserse Sankt-Moritz. De Amerikaanse regisseur Bob Wilson maakt een opera van het gebeuren, die in 1998 tijdens de Salzburger Festspiele in première zal gaan onder de titel ‘Prefab in the Mountains’ …plim ploem… plim ploem… In het Nederlandse Bijlmerbos is het lijk gevonden van de even internationaal vermaarde kunstenaar Fernando. Volgens de politie is hij het slachtoffer geworden van een misdrijf en zijn er verbanden met de moord op Henry Morton, enkele maanden terug in het SumMum. Met betrekking tot de toedracht en de dader tast de politie nog in het duister …plim ploem… plim ploem… Het Limburgse Provinciebestuur heeft Jerom Baeys verkozen tot instellingsverantwoordelijke van het Provinciale Begijnmuseum. Voordien was Baeys artistiek intendant van de vereniging Indolantia Indolantiarum. … plim ploem… plim ploem… Zo dat waren de nieuwsjes voor vandaag … plim ploem… plim ploem…”

 

7. De ongeopende post van Cor Poulijn

Pim Laurijsse wreef zijn ogen uit en keek op zijn horloge. Kwart voor negen, laat al, en toch was hij nog verschrikkelijk moe. Het leek wel of hij, in plaats van te slapen, de hele nacht had paard gereden. En zo was het ook: hij had prairies, steppen en zandwoestijnen doorkruist, tot hij op sterven na dood was. Ten slotte was hij van uitputting van zijn paard getuimeld en opgeraapt door de makker waar hij al die tijd naar op zoek was geweest: Cor Poulijn, vermomd als wildeman. Cor was een veedrijver, die koeien, schapen en paarden slachtte met zijn blote handen, zo onbehouwen, dat hij steeds weer onder een douche van bloed stond. Het was net of hij zelf bloedde, chronisch en uit al zijn poriën.

Pim walgde van zijn droom. Hij hoefde alleen maar te denken aan een ontbijt en hij werd al misselijk. Hij waste zich tot op het bot,  poetste het glazuur van zijn tanden, trok schone kleren aan en sprong in zijn auto. Het kon geen minuut uitstel meer lijden: hij moest nù gaan uitzoeken waar Cor was.

Anders dan Pim verwacht had, was er voor de deur van Cors huis een zee van parkeerruimte. “Dat is in ieder geval veelbelovend,” mompelde hij. Hij belde aan bij Cors deur maar hoorde niets, hij belde nog eens en hoorde weer niets. Toen zag hij dat het ruitje in de deur ingetikt en met een plaatje board weer provisorisch gerepareerd was. Toch maar eens even gaan informeren bij Cors goede vrienden, die twee deuren verder woonden.

De jonge vrouw die hem binnenliet en koffie aanbood, vertelde dat er in de woning van Poulijn was ingebroken, maar dat ze geen aangifte hadden gedaan. “Er was helemaal niets gestolen,” zei ze. “Dan komt de politie toch niet!”

“Wanneer verwachten jullie Cor terug?” vroeg Pim. “Hij maakt het nu toch wel erg bont,  hij is niet eens op de opening van zijn eigen tentoonstelling verschenen.”

“Ach u kent hem toch,” zei de vrouw. “Waarom zou hij moeten terugkomen als hij elders iets beters te doen heeft? Hij weet dat hier niks kan misgaan, u behartigt zijn zaken en wij sproeien zijn planten, luisteren zijn antwoordapparaat af en lichten zijn brievenbus. Trouwens, wat krijgt die jongen een ongelofelijke hoop kunstpost.”

Uit het wandmeubel pakte de vrouw twee dikke stapels enveloppen. Routineus scheidde Pim het kaf van het koren, net zo lang tot hij drie persoonlijke brieven overhield. Op een daarvan stonden linksonder de initialen H.M. H.M.? Hare Majesteit? Het Middelste? Nee, natuurlijk, verdomme, het zou toch niet…?

Zonder aarzelen scheurde Laurijsse de brief open, las hem in één ruk en had opnieuw het gevoel dat hij van een paard viel. In de brief somde Henry Morton dreigementen op die Poulijn in de loop der jaren tegen hem had geuit, variërend van een autobom tot een pijl met aidsbloed. Morton gaf Poulijn nog één kans: òf Poulijn hield er onmiddellijk mee op, òf Morton ging naar de politie. Pim was volkomen van zijn stuk en moest zich vasthouden aan een stoel. Hij vermande zich, stak de brief bij zich, zei gedag en liep naar buiten, de vrouw in de opperste staat van verbazing achterlatend.

Toen hij bij zijn auto kwam, zag hij dat er een brief op de ruit van het portier geplakt was. RIJDT U NIET WEG, stond erop, U HEEFT EEN WIELKLEM. Pim opende de deur, ging zitten, legde zijn handen op het stuur en begon verschrikkelijk te janken.

 

wordt vervolgd