Dirk Lauwaert

DE WITTE RAAF

Editie 62 juli-augustus 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Hedendaags sofisme en de arme ervaring

Waar kom ik uit wanneer ik mijn ervaringen begeleid, ze als leidraad neem en tegelijk van commentaar voorzie? Waar kom ik uit wanneer ik ze wil begrijpen, maar mij er ook door wil laten leiden?

Ik ben bewust van het hachelijke van die keuze. Mezelf ondervragend realiseer ik me hoe onvast, hoe ondefinieerbaar mijn ervaringen zijn.

Ik realiseer me dat ervaring een utopie is: iets dat je zou willen hebben, maar misschien nooit kunt krijgen. Het leven als op zoek gaan naar ervaringen.

Ik besef dat de ervaringsindustrie de grootste is van dit ogenblik. Niets van mijn ervaringen ontgaat vandaag het oog van het universeel in praktijk gebrachte behaviorisme (1).

Ervaring is een veelkantig begrip. Het staat tegelijk aan het begin en aan het einde van levensgebeurtenissen. ‘Een ervaring’ hebben staat dan tegenover ‘ervaring’ hebben. Het eerste is een punctuele impact, het tweede is verwerking in diepte en breedte. Ervaringen zijn nodig voor de ervaring, maar de ervaring staat het hebben van ervaringen in de weg. Hoe meer ervaring men heeft, hoe moeilijker het wordt ervaringen op te doen.

‘Dé ervaring’ doet zich voor in het enkelvoud, ‘een ervaring’ is steeds in het meervoud; ‘één ervaring’ is nooit voldoende. De ervaring is nochtans niet de simpele optelsom van vele ervaringen. Ervaring wijst ervaringen af. Wie te veel en te lang ervaringen opdoet, komt niet tot ervaring. Zo wordt ervaring een manier om te besparen op ervaringen.

Het mooiste doel leek me altijd de onmogelijke “theorie van het concrete”, “analyse van het subjectieve”, “systematiek van het sensuele” (2). Reflectie die niet eerst de ervaringen neutraliseert en er nooit meer op terugkomt, maar die zo dicht mogelijk tegen de ervaringen aan ligt. Met mijn indrukken raisonieren: ze rede inpraten, me door hun rede laten ompraten.

Dit betekent toch uiteindelijk dat je het werkstuk niet verhardt tot een document, tot een object, tot een ‘tekst’ (3) - maar het probeert te grijpen in het moment en in de vorm van zijn verschijnen.

Het betekent dat je je tegenover het werkstuk plaatst zoals een muzikant die een partituur speelt. Nooit kan het twee keer hetzelfde zijn. Steeds is het een nieuwe uitvoering. Steeds is er de noodzaak van grote concentratie. Systematiek als ‘uitvoering’. Uitvoering als het grote model.

De kritische reflectie is vandaag niet meer een subtiele uitvoering/interpretatie maar een ontcijfering, een inventarisering. Speculatief onderzoek in plaats van de fragiele intimiteit van de uitvoering. Niet meer de aanraking van de aarzelende minnaar, maar de snede van de wetsdokter. Nee, het verbaast me niet dat men vandaag de reflectie over de kunst weigert (4): ze buigt er zich niet over, maar bezet het. Het instrument van die bezetting zijn de menswetenschappen.

Mijn kleine theorie van de ervaring komt voort uit ambachtelijke problemen. Lesgeven is ‘leren kennen’: aan elkaar voorstellen als een gastheer, bij elkaar brengen, een gemeenschappelijk onderwerp voorstellen. Want het werkstuk is oud en komt van ver, de leerling jong en onbereisd: beiden moeten even in elkaars aanwezigheid geraken. Ik moet ze even in hetzelfde sas sluizen. En het moeilijkste is nog de leerling aanwezigheid te geven. Hij denkt al zo aanwezig te zijn in het leven dat er niets meer bij kan. Maar het moet, want het is nutteloos en daarom nefast het over die vreemde verre gast te hebben als hij ondertussen achterom lonkt.

Zo ontgaat het de leerling dat mijn woorden alleen maar bij het werkstuk horen zoals de schaal bij het fruit, de sokkel onder het beeld, het houten kader rond de foto: als een middel om aandacht te scheppen en waardering uit te drukken. Ik moet de leerling in de ogen van het werkstuk laten kijken: “leurs yeux se rencontrèrent” (5). Om iets begrijpelijk te maken moet je het grijpbaar maken. Begrijpen begint met handtastelijkheid. Er moet rond het werkstuk, dat steeds van zover komt, een onmiddellijkheid geconstrueerd worden.

Zonder die aanwezigheid wordt alles wat je over het werkstuk zegt: informatie. We weten allemaal dat die nutteloos en daarom ook destructief is (6). Informatie creëert afwezigheid. Sartre zou zeggen: het “néantiseert”. Informatie zegt: ik vertel je iets dat je niets aangaat, waar je toch naar luistert, maar geen nood, het is om het meteen te kunnen vergeten. Informatie is een vacuüm-machine (7). Het verbindt niet, maar is steriel. Die steriliteit is ongemeen actief. Wie informatie hanteert, stelt zich geen vragen over haar immense, perverse werkzaamheid, maar uitsluitend over haar juistheid (8). Niet over wat door informatie verbonden wordt, maar of het gecontroleerd is. Dat informatie objectief moet zijn, betekent dat ze in geen enkele relatie tot iets mag staan, dat de enige relatie de objectiverende anti-relatie kan zijn. Ik hoef er dan ook niet meer te zijn om informatie in ontvangst te nemen: ik laat ze registreren, ik stapel ze op als een dood bezit. Computergeheugens dienen echt ergens voor: namelijk opdat ik afwezig zou kunnen zijn.

Mijn klein geloof in de ervaring komt ook voort uit enkele contacten met de academische wereld. Enkele, maar wel traumatiserende. In de letterlijke zin van het woord: iets dat je tot de grond in onzekerheid brengt; een kwetsuur die je verdere doen structureert (een manier om geboren te worden of gelanceerd op een weg waar je niet meer van afkomt). De getraumatiseerde kampeert rond het trauma; wat hij doet en denkt, is een averechtse hulde aan dat trauma. Juist omdat het zo bedreigend was, laat het nooit meer los (9).

Wat was dat trauma? Het was die ongehoorde ambitie om te kennen zonder ervaring. Emblematisch in mijn geschiedenis zijn de historicus die het niet nodig vond de films te zien die hij bestudeerde, de kunsthistoricus die nooit een oordeel had over het werk, de theoreticus die de ‘amateur’ opzij schoof als hystericus.

De permanente oorlog van de klerken van iedere cultuur tegen het ‘esthetische’, meer bepaald tegen de aanraking die in onvoorspelbare beweging brengt. Managers vandaag en revolutionairen van gisteren zijn als de dood voor die aanraking, maar beide exploiteren ze die om anderen te strikken.

Ervaring is aards, platvloers en ontnuchterend concreet (ze is ook meeslepend, onredelijk en makkelijk hysterisch). Tussen beide polen - ontnuchtering en hysterie - zet de ervaring je. Geen zuivere, geen propere, geen rustige situatie. Iets dat balanceert tussen vloeken en dichten; iets als parels braken. Maar ik vind die aardse en hysterische onredelijkheid van de ervaring wel prikkelend. Het is dan dat het echte werken begint. Om te genezen van het maniërisme van onze intellectualiteit, van die vervormende spiegel die ons tijdens dit carnaval als ‘waar’ wordt voorgehouden ‘omdat’ toch alles onwaar, want retoriek is (10). Het trompe l’oeil denken beheerst onze tijd.

Ervaring staat niet tegenover reflectie, maar vraagt die reflectie. Zonder die ervaring, als verre, maar steeds aanwezige pool, is er geen reden om te reflecteren. Wordt reflectie niet steeds weer in gang gezet door de schokkende en verbazingwekkende onderwerping die het hart uitmaakt van ons gevoel een zelf en autonoom te zijn? Is het niet die paradoxale onvrije vrijheid die ons tot denken dwingt?

Is het denken een vrijer alternatief voor het risico van onze onvrije ervaringen? Helaas, het denken dat aan zichzelf overgelaten is, is meteen een ‘moeten denken’. De ervaring wijst op iets anders, maar de woorden zijn overtuigender. Denken is meteen wat je moet denken (het denken levert immers een overtuigend bewijs), maar vooral wat je daarna niet meer mag denken (11). Een betweterige, berispende welvoeglijkheidsregel van het denken. Wie had het denken zo diep conformistisch gedacht? Ach, die ergernis om steeds weer mensen te horen en teksten te lezen die weer in mijn bibliotheek willen schrappen!

Reflectie verdraagt de ervaring met moeite als een onopgevoed en nukkig wezen. Ervaring is zo ergerlijk omdat ze gewoon is wat ze is: obsceen ouderwets, banaal reactionair, absoluut naïef, beschamend in haar keuzes, maar zo grandioos onbediscuteerbaar. (Zoals een grote verliefdheid; of een vriendschap waar geen argumenten tegenop kunnen.)

Die prachtige onredelijkheid en onhandelbaarheid van de ervaring! Datgene wat ontsnapt aan de orde. Het is voorwaar niet het denken dat de orde zal ondergraven. Zoveel is mij vandaag na een halve eeuw leven duidelijk. Het denken is altijd zo gehoorzaam! Vertrouw reflectie nooit! (Let op de adjectieven; lees over de substantieven!)

Ervaring hoort helder te zijn; een middel om tot de kern toe te treden. Ervaring is wezenlijk iets zonder omwegen en twijfels. Die komen er altijd achteraf en moeten weer weggewerkt worden. Ervaring is een heftig materialistisch ideaal. Een ideaal wanneer je beseft geen tijd te verliezen te hebben met speculaties. Ervaringen zijn snel, onmiddellijk en juist daarom nooit verstrooid (dat onzalige voorstel van Benjamin!).

Vandaag wordt een pleidooi gehouden voor, vaardigheid ontwikkeld in, een rechtvaardigend klimaat geschapen voor insensitiviteit. Eerste stap daarin: het aanleren van wantrouwen. Die fameuze nieuwe media zijn niets anders dan een techniek van insensibilisering (sensibilisering was eerder al een term van de oude media!). Er bestaat niet toevallig geen ervaringskritiek van de nieuwe media (12). Er bestaat alleen maar hysterische theorie over.

En kan ik de menswetenschappen die zich vandaag op cultuur, lichamelijkheid, visualiteit, enzovoort storten anders zien dan als broedplaatsen van sofismen zonder einde? (Het proces van de menswetenschappen zal ooit gemaakt worden.)

Wanneer zal die golf van intellectueel maniërisme overwaaien? Hoe anders kan bijvoorbeeld het werk van Paul De Vylder begrepen worden? Dit is toch een pretentieuze cursus ‘beeldtaal’, die iedere bewogenheid afdoet als bedrog. Een brute operatie zonder tact, zonder elegantie, maar vooral zonder vitaliteit. Wat het werk wil duidelijk maken, wordt voor mij meteen waardeloos omdat vooraf de idee van het beeld gecastreerd is. Wie het beeld eerst zo belachelijk maakt en de kijker zulk een immens overwicht belooft, voert een gevecht dat hij niet kan verliezen. Een pose dus en een procédé. Iets dat alleen bestaat in de valse problemen die het ons wil aanpraten. Deze kritiek van de kitsch is zelf homerisch kitscherig (dit wil zeggen, blind voor zijn eigen ridiculiteit).

Vandaag kijken jonge studenten naar foto’s en hun ‘impact’, naar films en hoe efficiënt ze zijn, kijken kunstliefhebbers naar kunst en hoe ‘interessant’ die is. Interessant is het doodvonnis van de ervaring. Een interessante ervaring is een perverse contradictio in terminis. Een ervaring kan geen ‘interest’ opbrengen. Een ervaring is niet functioneel, maar dwingend, verstorend, uitputtend, extreem. De ervaring is de manier waarop het onbekende - en dat is vandaag het ongepast banale, uiterst vanzelfsprekende - je uitdaagt. Ervaring is niet te verzoenen met een economisch rendement. Een ‘interessante’ ervaring is een devaluatie van ervaring, tot middel.

Ervaring is geen systeem van vooruitgang. Men kapitaliseert geen ervaring. Een boom die groeit, is geen boom die vooruitgang maakt. Dat groeimotief zijn we als paradigma kwijtgeraakt. We zien het zelfs met de eindtermen uit ons denken over onderwijs gebannen, of juister: geperverteerd. Het groeimotief heeft met het geloof, eigen aan vertrouwen, te maken. Een boom zien groeien, is geloven in de continuïteit van zijn verandering. Maar wat moet je met die gedachte aan, wanneer onze grootste intellectuele sport het spookgevecht is met identiteit.

Wat moeten we met die gedachte van vertrouwen wanneer voor ons Magritte de ultieme revelatie over het beeld is! Denkt men werkelijk dat de geschiedenis van het beeld niet meer is dan het bedrog waar Magritte mee speelt? Wat haten we blijkbaar onze verbeelding. Wat laten we ons graag wijsmaken slachtoffers te zijn van het beeld en daar nu een postmoderne therapie voor nodig te hebben. Wat een pseudo-lessen!

Ervaringen worden op een wonderlijke manier ‘mijn ervaring’, zoals kennis inzicht wordt, zoals een cultuur zich kristalliseert in een repertoire, waarmee we essentiële banden hebben. Dezelfde banden als met onze eigennaam. Even arbitrair - natuurlijk - maar even onontkoombaar. Het ongedetermineerde is hier niet hetzelfde als het willekeurig verwisselbare. En het onontkoombare is hier geen juk, maar de enige mogelijkheid, de enige kans die we krijgen. Het repertoire is geen hitlijst, geen manipuleerbare code.

Door van kunst cultuur te maken lijkt de code nochtans geïnstalleerd. We hebben te maken met een verzameling in een opsomming, een collectie in een kluis (die van de academie, de bank, de overheid, een databestand, een encyclopedie). Daarmee loopt de verhouding tussen beschouwer en werkstuk vandaag ten voordele van de objectiverende beschouwer, ten nadele van het object. Wij zijn gefocaliseerd op manipulatie en retoriek. De esthetische overrompeling is een verouderd spel, vervangen door bluf en provocatie.

Het is duidelijk, vandaag irriteert het esthetische, want de esthetische mens bevindt zich in een onflatteuze positie: hij is passief en wezenlijk naïef. In een imperiaal tijdperk is de ironische blik op de wereld, als was die wereld zelf een reclameslogan van de firma Kosmos, ons aller lot. Tegen de kunst voeren we een kolonialistische bevrijdingsoorlog (excuus voor het oxymoron).

Misschien is iedere ervaring een zinsbegoocheling. Ik kijk naar foto’s, maar heb ik er een ervaring van? Ik heb vaak de indruk dat er van foto’s geen ervaring mogelijk is - slechts ‘kicks’ en vage indrukken. Ik ben daar vaak zeer over in de war. Foto’s hebben dat traumatiserend dwingende waar je geen speld en geen speling tussen kunt krijgen. Foto’s zijn - in tegenstelling tot wat erin te zien is, namelijk fragmenten uit de wereld - fundamenteel onpoëtisch.

Eigenlijk overkomt zulk een ontpoëtisering alles wat gekopieerd en in relais tot bij ons komt. Verlies van aura, diagnosticeerde Benjamin, maar dat is vooral een verlies van de ervaring. Het gereproduceerde is per definitie overvloed - die roept homeostatisch de armoede van de ervaring op.

Ervaring is de kleur en de geur die de wereld voor ons heeft.

Ervaring is wezenlijk weerbarstig tegenover het woord, tegenover commentaar. Zeker tegenover methodische, geordende commentaar, die het besprokene in het keurslijf stopt (moet stoppen) van haar uitgangspunt. Ervaring explodeert die taal, verleidt het denken buiten zichzelf, op verschillende wegen tegelijk, contradictorisch en paradoxaal. Vandaar een andere taalstrategie, die van de kritiek die steeds een vorm van poëzie is: didactische poëzie, leergedicht. Niet de uitdrukking van emoties of gebeurtenissen, maar de worsteling om te zien en te weten, maar zo dicht mogelijk tegen de ervaring aan.

Ervaring introduceert het ‘standpunt’ (om te ervaren moet je ergens staan). Van daaruit kunnen de dingen bekeken, benaderd, beoordeeld, gewaardeerd worden. Ervaring is een perspectiefpunt; het installeert in het universum het incarnatie-principe ‘van waaruit’. Ervaring is nooit het alwetende (objectiviteit is een afleiding daarvan) maar steeds het weten ‘als’, ‘voor zover’: invalshoek, benaderingswijze, focalisatie, point of view.

Ervaring introduceert met het standpunt de mogelijkheid tot ‘waarde’. Valorisering is de genuanceerde, gemoduleerde afstand. Waardeschepping en standpunten zijn één. Zo is er zonder ervaring geen kritiek mogelijk. (Het wegdeemsteren van de kritiek is de fade out van het standpunt.) In het produkt-worden van alles verliest men de mogelijkheid van een standpunt.

Ervaring introduceert een moreel principe in het esthetische. Een principe dat de exterieure autoriteit van traditie en opdracht vervangt. Ervaring heeft namelijk met authenticiteit te maken. Een geëxalteerd begrip dat een tweespan vormt met de ironische kritiek van de authenticiteit.

Zou er dan geen derde weg mogelijk zijn? Is er geen wijsheid van de ervaring denkbaar: die haar relativiteit inziet, maar dat juist niet als kwetsend ervaart, die deze onontkoombare relativiteit ervaart als een plicht en niet als een recht (het expressionisme).

Ervaring is een burgerlijke creatie bij uitstek, de kern van waaruit religie, wetenschap, politiek en kunst opnieuw geijkt werden. Ervaring is een burgerlijk concept dat men vandaag wil uitroeien. Daar zijn goede redenen voor: ervaring is het principe ‘weerstand’ bij uitstek. Ervaring is de kern van het principe ‘zelfstandigheid’.

De esthetische ervaring heeft er lange tijd naar gestreefd om de plaats van de schokkende ervaring, openbaring en verwondering te zijn. Dat is sinds de kritische cultuur haar bestaansreden geweest. Vandaag heeft die rol van de ervaring afgedaan. Vroeger zou het heten dat ervaring niet progressief was, vandaag heet het dat ervaring besmet is met te veel ‘geloof’.

Beide - ervaring en inzicht - worden bedreigd, aangevreten en vernield door de expositie. Een bepaalde manier om te tonen, maakt blind. Iedereen weet en voelt die vernieling aan. Hoe zou de verwoesting van de wereld geen tegenhanger hebben in de verwoesting elders?

Zo zien we dat wat twee decennia terug nog zou zijn aangeklaagd, vandaag  - door dezelfde generatie! - cynisch bejubeld wordt, volgens het adagium dat deze eeuw steeds weer bewaarheid wordt: wat is, moet (13). Als het perfecte spiegelbeeld van die andere dubieuze activiteit: de utopie die zegt: wat is, moet verdwijnen. De utopisten van gisteren zijn steeds de geborneerde real-moralisten van morgen. Beide, handlangers van de macht en haar capriolen.

Kunst, intellectualiteit, media - ze zijn vandaag geen kritische spiegel meer van het werkelijk bestaande, maar het dodenmasker van de macht die al het bestaande in zich opzuigt.

Media en reclame zijn bij uitstek instrumenten om de macht meer bereik te geven, dit wil zeggen om ons meer aan de macht te doen participeren, dit wil zeggen om ons meer door de macht te laten corrumperen en uiteindelijk te laten verdwijnen. In dat doodse vacuüm van de macht is er niets. Dat niets moet gevoed worden. Daarom moeten we aan de macht participeren. Iedere kunstuiting, ieder medium vandaag is verstrikt in de bedrieglijke illusie de macht naar je kant te kunnen trekken.

Het verdwijnen van de ervaring is de triomf van de macht. De macht doet de ervaring vervluchtigen. Aan die macht hebben we allen steeds intiemer deel. Hoe daaraan ontkomen - zonder in een politieke daad te vervallen? Hoe het spook van de macht voor een gesloten deur laten staan? Hoe uit een maatschappij stappen waar de macht overal lijkt uitgezaaid?

De secularisering van de wereld en van de kunst en van het intellectuele leven is niet haar objectivering in kennis, maar haar fatale greep naar de macht. De macht is een Commandeur. Ervaring dat is Don Juan. Onze kunst vandaag is geen hommage meer aan de man van de passies, maar aan de kille Commandeur.

 

Noten 

(1) Maar hier worden geen ervaringen, slechts kicks geproduceerd (Lieven de Cauter, “De archeologie van de kick”). Wat is een ‘kick’ voor mij? Een ervaring, herleid tot haar retorisch omhulsel. Een ervaring, herleid tot de reclame voor ervaring. Een kick is een McGuffin.

(2) Roland Barthes in zijn “Fragments d’un discours amoureux” en in “La chambre claire”.

(3) Ook hier is Roland Barthes een cruciaal oriëntatiepunt: tekst is bij hem een weerbarstig object van analyse, geen weerbarstige ervaring van de tekst.

(4) Zoals Bart Verschaffel stelde in nummer 60 van “De Witte Raaf” en tijdens de derde aflevering van “De Blinddoek” in het Stuc.

(5) Jean Rousset over “de eerste blik”.

(6) Het nutteloze is zeer werkzaam.

(7) Fotografie is het grote model daarvan.

(8) In informatie-termen: kun je een bron citeren, namelijk andere informatie.

(9) Marc Nacht, “A l’aise dans la barbarie”.

(10) Van Régis Debray tot Leo De Haes komt het er langs zeer uiteenlopende manieren toch steeds op neer dat we troost en kracht moeten putten uit het bedrog en de slechte smaak. Vive les corrupteurs, puisqu’il n’y a que de la corruption.

(11) Het ‘wat je moet doen’ is vervangen door een ‘wat je niet meer mag doen’.

(12) Een blad als “Andere Sinema” doet dat niet, omdat het niet kan, niet zo werkt. Maar het bekommert zich niet over die onmogelijkheid. Integendeel het lijkt die juist toe te juichen.

(13) Zie het boek van Leo De Haes.