Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 62 juli-augustus 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Wegen van de Duitse televisie

I. De eeuwige dagslaap

Ons TV-scherm is geen venster op de wereld. Het is een voorruit. Dat wordt ons letterlijk duidelijk gemaakt wanneer we midden in de nacht, in het gat tussen de avond- en ochtendprogramma’s, de Duitse zender ZDF aanschakelen. Ons scherm toont dan een weg, zoals gezien vanop de bestuurdersplaats van een rijdende auto. De - volledig statische - camera is recht op de weg gericht, onderaan het beeld is een stukje dashboard te zien, en er speelt een muziekje, dat van de autoradio. Het is, kortom, alsof we zelf aan het stuur zitten.

Een erg realistisch beeld is dit, velen onder ons zien het elke dag. Elke dag kijken we recht op de weg, met in de schemerzone van ons blikveld een stukje dashboard, op de achtergrond streepjes autoradio, en marginale waarnemingen van de dingen die we voorbijrijden, huizen, velden, wegwijzers en mensen langs de straat. Soms staat onze auto stil. Zo ook het televisiebeeld. De TV-auto bevindt zich namelijk op een rijksweg, zodat hij af en toe moet stoppen voor een verkeerslicht. Vervolgens springt het licht op groen, en vervolgt de auto - of het televisiebeeld - zijn weg. “Straßenfeger”, zo heet dit mobiele  testbeeld.

Het basisprincipe van “Straßenfeger”  is de ‘geteleviseerde autorit’. Het wordt simpelweg bekomen door het ineenschuiven van twee apparaten: het toestel auto en het toestel televisie. We rijden dus ‘per televisie’, waarbij het scherm onze voorruit wordt. Maar waarom deze doublure van auto en TV, voorruit en scherm? Weliswaar hebben auto en televisie iets met elkaar gemeen; beide zetten bijvoorbeeld de wereld in (een visuele) beweging. Anderzijds doen ze dit toch op een verschillende manier, en met telkens andere gevolgen. “Straßenfeger” negeert die verschillen echter, om de TV zonder meer op te vatten als visueel doorgeefluik voor de beweging die door de auto veroorzaakt wordt. Waardoor we al zittenblijvend rijden. Wat betekent dit voor de aard en de waardering van de verplaatsing?

“Straßenfeger” brengt de verplaatsing terug tot een gebeurtenis die enkel nog bekeken wordt. Er zijn geen passagiers meer, alleen nog toeschouwers, en de verplaatsing zelf is enkel nog visueel verloop: een gekuist en schokvrij spektakel voor het oog.

Dat is nieuw. Reizen, zich verplaatsen, is normaliter een fysieke aangelegenheid. Als we reizen, bewegen we, en tot op zekere hoogte voelen we dat ook, zelfs vandaag nog, al was het maar door de luchtverplaatsing als we even een raampje openen, schokjes op de weg, de hardheid waarmee regen tegen de ruit klettert, of wij tegen een boom. Deze reële, fysieke componenten worden door het ‘televiseren’ van de reis weggefilterd. Het rijden is volledig clean, het is een louter visuele glijsequens.

Als geruisloze verplaatsingsfilm is “Strassenfeger”  het logische sluitstuk van een meer dan honderdjarige ontwikkeling. De desensibilisering van de mens voor de fysieke aspecten van de verplaatsing is al aan de gang sinds de uitvinding van trein en auto. Gedurende deze eeuw is de verplaatsing steeds schokvrijer geworden, met als gevolg dat ze zich alsmaar verder heeft verschoven van onze botten naar onze ogen. Hoe gevoellozer de verplaatsing hoe filmischer, met andere woorden, hoe meer voor de reiziger de illusie wordt versterkt dat niet hij door de wereld snijdt, maar dat de wereld aan hem voorbij glijdt, als een continu achteruitspoelende film.

Heel deze evolutie voltrekt zich vanuit een welbepaalde imperatief: het rijcomfort. In die zin is “Straßenfeger” een nieuw, wie weet zelfs absoluut hoogtepunt in de evolutie van het - alsmaar groter wordende - rijcomfort. Ook de laatste gebreken van de toch al behoorlijk zacht wiegende recente auto’s, de laatste akoestische, tactiele tekens van het rijden zijn uitgevlakt. We rijden geruisloos, gevoelloos, gewetenloos. Seksloos.

 

We rijden om te leven

Voor “Straßenfeger” is rijden wat vroeger stilstaan was. ‘Rijdende zijn’ is voor dit programma zowat de basale zijnstoestand, het ontologische status-quo, om het eventjes ongemeen filosofisch uit te drukken. Alles in “Straßenfeger”wijst daarop. Zo is het rijden in dit programma van elke rij-sensatie gespeend. Er wordt niet snel of spectaculair gereden, maar vlekkeloos, geruisloos, en conform aan de verkeersregels. Eens de auto van “Straßenfeger” de stad uit is, komt hij vaak opvallend weinig hindernissen tegen, alsof de opnames op een vroeg uur werden gemaakt. Dat garandeert een keurige, gladde rit. Een gevaarloze, probleemloze tocht met een ideale regelmaat. Bijwijlen geeft “Straßenfeger” dan ook het gevoel dat er een automatische piloot in het spel is. Dat is niet zo, er is wel degelijk een chauffeur. Maar ‘hij’ heeft geen gezicht. We zien hem enkel op zijn rug en we vergewissen ons van zijn aanwezigheid via de geruststellende hand die tijdens de rit, laag in beeld, op het stuur rust. Verder wordt hij niet geïndividualiseerd. Rijden is dus geen strikt persoonlijke aangelegenheid, het is een algemeen menselijke toestand.

Door het gekuiste, geruisloze, geprogrammeerde rijgedrag en de anonimiteit van de chauffeur weet “Straßenfeger” het rijden als een dusdanig non-event  voor te stellen, dat het programma een normerende werking krijgt. De mens is zichzelf als hij rijdt, dat wordt hier duidelijk gemaakt. Al rijdende voelt hij zich goed, komt hij tot zichzelf, is hij, kortom, werkelijk mens. En het meest is hij zichzelf (is hij mens) als de rit perfect verloopt. 

Dit alles heeft repercussies voor de ervaring van stilstand. Stilstaan wordt hinderlijk. Als we stilstaan, of als de beelden in “Strassenfeger” stilstaan, dan verveelt dat ons, we voelen ons ongemakkelijk, we worden ongeduldig. Laat ons alstublieft weer ons rijdende zelf zijn! We dreigen ons bij onszelf achtergelaten te voelen, met die vervelende, logge, zwetende lichamen van ons, in een nog steeds veel te uitgestrekte wereld. Anders is het als we rijden. Dan zijn wij het die onophoudelijk de dingen achterlaten. Dan zijn wij de dingen steeds voor. Precies deze illusie wordt maximaal gevoed door de verfilming van het rijden, zoals die door “Straßenfeger” wordt geperfectioneerd. Van zodra het rijden geruis- en gevoelloos verloopt, ervaren we onszelf immers als het enige volkomen stabiele punt in een permanent instabiele omgeving. We worden in staat gesteld de illusie te voltooien dat alles vlottend is behalve wijzelf. Wij zijn enkel nog wij, de rest van de wereld bestaat alleen maar in het achterlaten, het doorspoelen ervan. Geen koppige permanentie van een buiten meer, geen gewortelde aanwezigheid die dit buiten de onverzettelijkheid van een tegenovergeeft. Kortom, de referenties die ons een beperkt, zwaar of plompverloren gevoel zouden kunnen geven, lossen op. We zijn bevrijd van verte, van koppige, stabiele massa’s, van lijfelijke mensen.

We nemen de wereld nog wel waar, maar zonder verontrustende diepte, zonder zwaarte, als een voortdurend verglijdende optische nabijheid, een narcotiserende film die ons netvlies streelt. Deze filmisch aan ons voorbij trekkende onmiddellijkheid van de wereld brengt ons in een staat van permanente halfslaap. “Straßenfeger” verdedigt een vorm van waarneming die ons, op het moment van de waarneming zelf, terzelfder tijd verdooft, optisch in slaap wiegt. Daaraan dankt dit programma zijn kalmerende werking - het is per slot van rekening een nachtprogramma.

Meteen dompelt het ons in een eigenaardig soort kindsheid. We worden net zoals het kind waarmee je een toertje gaat doen, opdat het tot rust zou komen, en dat begint te huilen van zodra de auto stilstaat. Het verschil is evenwel dat wij niet gesust worden door de wiegende deining van de verplaatsing, maar door de schokvrije, visuele afgeleide daarvan. Wij vragen om het aanhouden van het filmische roulement, het verfilmen van de wereld in een zacht strelend, scopisch gordijn, waarin het zoet is om, in beelden van de wereld gewikkeld, bij zichzelf te zijn.

 

II. Een nationale stuiptrekking

“Straßenfeger” gaat nergens naar toe. Men zou de boodschap van het programma in bijbelse bewoordingen kunnen vertalen: laat ons voorbijgangers zijn. Laat ons nergens zijn, zonder bestemming, in eeuwige staat van onderweg-zijn, permanente verplaatsing, kalmerende circulatie.

Daarom is de omgeving bij uitstek van dit programma de weg. Dienstbaar als hij is ten aanzien van de auto en het visuele kalmeermiddel van het rijden, verdient hij een stille verheerlijking. Leve de weg, niet als uitvalsbasis voor bezienswaardigheden, als voedingskanaal voor een panoramische blik, nee, enkel nog als scopische slokdarm. Koppig houdt de camera de weg, en enkel de weg in het centrum van de belangstelling.

Maar in welk centrum? De weg kan onmogelijk in het centrum van eender wat staan. Eigen aan de weg is juist, dat hij de centripetale krachten in de ruimtelijke ordening opbreekt. Een weg is een onverschillige strook, een blinde lijn waarlangs beelden worden doorgeslikt, omgeving wordt geconsumeerd. Precies deze verdwijningsas van de omgeving, deze scopische darm wordt in “Straßenfeger”  gecelebreerd, waarbij het wegvegen  uitgeroepen wordt tot de ideale relatie tussen mens en omgeving.

Maar, het perverse is dat het programma de werking van het driespan ‘weg, auto en televisie’ ook weer verdoezelt. Voor de ZDF bestaat er immers geen twijfel over dat de weg wel degelijk ergens aan toebehoort, dat de auto zich wel voortbeweegt binnen een gedefinieerde lokaliteit en dat ook de televisie zijn grenzen kent. De weg is geen autostrade maar een rijksweg, zoals dat heet. De auto wellicht ook - dat kunnen we eigenlijk niet weten maar het lijkt logisch. En ook de zender is een rijkszender. De omgeving mag dan wel tot een vormloos slaapmiddel herleid zijn, niets verhindert dat op deze narcotiserende brei een bizar eigendomsrecht rust: dat van de natie. Op die manier wordt het klinische beeld van de zijnstoestand ‘rijden’ verraden, want verloochend in zijn onverschilligheid, zijn negativiteit ten aanzien van de plaats.

Dat brengt ons bij een tweede programma, uitgezonden door de ARD, waar dit verraad nog duidelijker in naar voor treedt. De titel zegt al genoeg: “Die schönsten Bahnstrecken Deutschlands”. Hier krijgen we beelden te zien die niet vanuit een auto, maar vanuit een trein zijn genomen. Het ‘unieke’ is bovendien dat we deze keer niet zitten waar we altijd zitten. We kijken niet door de zijramen, maar vanuit de cabine van de machinist.

De combinatie van de Bahnstrecken-trein op ARD en de Straßenfeger-auto op ZDF is op zich al merkwaardig. Het lijkt veelzeggend voor een tijd die als de dood is om de meerderheid te bedreigen door een minderheid te veronachtzamen - een minderheid die niet beschikt over de Duitse coryfee ‘auto’ bijvoorbeeld. Al zappend kunnen we de verheerlijking van de auto politically correct bijsturen. Meer zelfs, zij die geen auto bezitten, worden geprivilegieerd, positief gediscrimineerd. Als schoolkinderen mogen ze op de schoot zitten van de machinist.

“Die schönsten Bahnstrecken...” is dan ook zeer instructief. Het is geen mobiel testbeeld, maar een echt programma, beperkt in duur en gesteld op exacte informatie. Terwijl “Straßenfeger”  zich beperkt tot de mededeling dat we teletekst kunnen raadplegen voor meer inlichtingen, neemt “Bahnstrecken” de reiziger als een toerist van de verplaatsing bij het handje. Aan het begin van elke aflevering verschijnt een plannetje met de route, en zien we hoe het gedeelte dat de trein tijdens de aflevering zal afleggen, wordt volgekleurd. De reiziger zal niet verloren lopen, hij zal op elk moment onverbiddelijk weten waar hij is. En dit ‘waar’ is manifest nationaal omkaderd. De spoorwegen zijn een nationale maatschappij, het programma draagt het land in zijn naam, en de zender natuurlijk ook.

De tegenstrijdigheid tussen de weg en het nationaal-geografische eigendomsrecht wordt hier nog hartstochtelijker verdoezeld. Waartoe de haast pathetische landelijkheid van deze treinen? En waartoe deze slaapverwekkende ritjes op de Duitse rijkswegen in “Straßenfeger”? Om de wegen en de transportmiddelen in een onschuldig, braaf daglicht te stellen, in een tijd waarin de toename van wegen en transportmiddelen - onder meer ook door de vervuiling - als bedreigend wordt aangevoeld? Dat lijkt voor de hand te liggen.

Maar dat is niet alles. Tot voor kort werd de uitrekking van naties onder invloed van ‘hun’ verplaatsingsaders ingedijkt door douaneposten, en die zijn nu juist verdwenen - althans binnen de Europese Gemeenschap. Het is dan ook kenschetsend dat precies nu dit programma op de buis verschijnt, deze verheerlijking van de nationale wegen. Het is eveneens treffend dat, precies nu de TGV eraan komt, de gewone spoorweg met zijn opvallend rustig en gemoedelijk tsjokkende trein in de bloemetjes wordt gezet. Op het moment dat de wegen hun nationale stoppen verliezen en ook de trein onder druk van een drastische internationalisering het land doet vervagen, worden deze wegennetten nota bene per televisie symbolisch genationaliseerd.

“Straßenfeger” en “Die schönsten Bahnstrecken Deutschlands” geven verkeerdelijk de indruk dat het wegennet een soort bloedsomloop is van het lichaam dat natie heet. Ze verdoezelen dat wegen spataders zijn. De suggestie van een hypernormaal, onsensationeel ‘rijden’ fungeert in beide programma’s als een bijkomende retorische truuk om de bedreiging van de weg voor de nationale integriteit te kanaliseren, om ze terug te voeren onder het nationale eigendomsrecht.

Zo heeft iedereen zijn recht op circulatie, iedereen mag de omgeving weg-vegen of doorslikken, en dit zonder te worden beschuldigd van vraatzucht. Het rijden is niet alleen doodnormaal, het is ook gezellig landelijk. Zoals de televisie de duizelingwekkende gave van haar ubiquiteit verdoezelt door op het einde van de zendtijd een volkslied te laten weerklinken - oef, we zijn toch ergens, er is nog een thuisland - zo beschermt “Die schönsten Bahnstrecken” ons middels de bepaling “Deutschlands” tegen de desoriënterende gevolgen van een op de spits gedreven verplaatsingscultuur. En dit op volledig democratische wijze.

 

Bibliografie

Paul Virilio, “Het Horizon-Negatief, Essay over dromoscopie”, Nederlandse vertaling door Arjen Mulder en Patrice Riemens, Uitgeverij 1001, Amsterdam, 1989.

Katharina Steffen, “Übergangsrituale einer automobilen Gesellschaft”, Suhrkamp, Frankfurt am Main, 1990.

 

“Straßenfeger” is een programma van de ZDF, “Die schönsten Bahnstrecken Deutschlands” van de ARD.