Linda Warmoes

DE WITTE RAAF

Editie 62 juli-augustus 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

KUNST - Een feuilleton in afleveringen

Aflevering 4: Ut ende van Ut Ende

Gaandeweg krijg je als acteur meer macht over je personage. Na een tijdje kan je met de scenarist overleg plegen over de wijze waarop hij zich gedraagt of bepaalde dingen formuleert.

Luk De Koninck in: “De Morgen”, 21 mei 1996

 

Wat voorafging

Terwijl het lijk van Henry Morton nog steeds onvindbaar blijft, wordt het zielloze lichaam aangetroffen van een andere kunstenaar, Fernando. Bovendien is er ingebroken bij de voormalige kunstcriticus Karel Slaghter, die niettemin in het bezit is gebleven van - vermoedelijk - Mortons laatste brief. En Pim Laurijsse heeft, na een verschrikkelijke nachtmerrie over een van de kunstenaars uit zijn stal, Cor Poulijn, in diens ongeopende post een brief gevonden van… Henry Morton. Verder zijn André C. Zwynen en Walter Emmaüs opgemerkt als leden van de jury, die Jerom Baeys heeft verkozen tot instellingsverantwoordelijke van het Provinciale Begijnmuseum.

 

1. There was something in the air that night

Hamer zat, zwaar in gedachten verzonken, in een kop zwarte koffie te roeren. Voor het raam stond Nagel, met de handen in de zakken, een liedje te zingen: “There was something in the air that night,… the stars were bright…”

“Wat weten we over Fernando?” baste Hamer zonder op te kijken.

“Weinig opzienbarends. Volgens de meeste bronnen een kunstenaar op de terugweg. Grote produktie, slinkende verkoop. Enkele kennissen noemen hem een zeurpiet en een ijdeltuit. Schijnt, volgens een legende, ooit betrokken geweest te zijn bij een moord tijdens de Tweede Wereldoorlog. O ja, was ook een goed bokser.”

“Hm. Mogelijke motieven voor de moord?”

“Nou, als we die Tweede Wereldoorlog in acht nemen, misschien een hele late vergelding,” opperde Nagel vrolijk.

“Nu even geen geintjes, Nagel,” bromde Hamer.

De rechercheur hernam zich. “Een motief is niet echt voorhanden, maar als je het mij vraagt, is er een duidelijk verband tussen de moord op Fernando en de zaak Morton.”

“Omdat er opnieuw schoenen in het spel zijn?” knarsetandde Hamer. “Hadden zijn artistieke prestaties dan ook al iets met orthopedie te maken?”

“Euhm nee. Meer met schuld en boete. Daders en slachtoffers.”

Hamer stond op en begon te ijsberen.

“In ieder geval hebben we een lijk,” hervatte zijn assistent. “We weten ook dat hij niet is omgebracht op de plaats waar hij is gevonden. En we kennen het moordwapen, een Stanleymes.”

“Nog zoiets. Waarom verplaatst de dader met het slachtoffer ook het mes waarmee hij diens keel heeft doorgesneden? Nee, ik voel aan mijn tenen dat dit zaakje stinkt.”

Heel even dacht Nagel een grap over zweetvoeten te moeten maken, maar hij slikte die bijtijds weer in. Een lolbroek was de inspecteur nooit geweest, maar nu was hij wel héél ernstig.

“En de zaak Morton wil ook maar niet opschieten. Volgens Slaghter was het de moordenaar die bij hem heeft ingebroken en was hij op Mortons brief uit. Als dat al het geval was, hoe wist de moordenaar dan van het bestaan van die brief?”

“Iemand of iets moet hem, of haar, daar op attent gemaakt hebben,” probeerde Nagel.

“Wie dan? Slaghter heeft er met niemand over gerept.”

Nagel zweeg even en zei toen, op de gok: “Morton zelf misschien. Tijdens een gevecht op leven en dood, waarin hij het onderspit ging delven?” Hamer dacht lang na over deze stelling. Toen ging de telefoon. 

“Ene mevrouw Boele-Boele,” fluisterde de adjudant met zijn hand op de hoorn. “Galeriehoudster. Heeft een tip over Fernando.”

“Goed, geef maar.”

Hamer hoorde een stem kwetteren die hem noopte de hoorn op veilige afstand van zijn oorschelp te houden.

“Ik versta u niet, mevrouw… Wat…? U denkt de dader te kennen…? Wie? De beroemde zangeres? O, juist ja… Goed, we komen bij u langs… Waar zegt u? Goed, genoteerd... Nee, mevrouw, uw informatie wordt zeer vertrouwelijk behandeld.”

Hamer legde op en wreef zich door het gezicht.

“Poele-Poele was de naam, Hannie geloof ik. Ze meent dat de dader een vrouw is, een zekere Liesbeth List. Nee, niet de beroemde zangeres, een galeriehoudster ook. Ze zou onlangs bedreigingen hebben geuit aan het adres van Fernando.”

“En moeten we die Poele-Poele ernstig nemen, denk je?”

“Dat ga jij onmiddellijk uitvissen, Nagel, hier is haar adres.”

Nagel liet zich dat geen twee keer zeggen. Hij greep zijn colbert van de kapstok en was al weg.

Met ongenoegen stak Hamer zijn reeds met de helft ingekorte potlood in de slijper. Tot opeens zijn blik verstrakte. “Gadsamme,” riep hij, “natuurlijk!” Snel liep hij naar een kamer die een paar boeken herbergde en daarom bekend stond als ‘de bibliotheek’. Hij pakte van de “Winkler Prins” deel 21 van de plank, dat ging van SCI tot STE, en hij sloeg nerveus aan het bladeren. Stak, Stal, Stam, ja daar stond het: “Stanley, sir Henry Morton (geb. John Rowlands, Denbigh. Wales 1841 - Londen 1904), journalist en ontdekkingsreiziger. Ontdekte voor de Belgische koning Leopold II het gebied ten noorden van de Congostroom…”

“Zie je wel,” riep Hamer, “iemand wil met alle geweld dat we de twee zaken met elkaar in verband brengen.”

 

2. Terug naar Het Einde!

Het horloge van Debbie Herrie wees een tijd aan tussen kwart over tien en half elf. Het was of de last van zijn functie, directeur van Museum Het Einde, elke minuut meer op hem drukte. Malaise, dat was de ziekte die hem iedere dag verder aanvrat. 

Met het oog op een grootscheepse verbouwing, die zijn naam in de kunstgeschiedenis der lage landen onsterfelijk had moeten maken, had hij onlangs zijn museum ontruimd, en zijn intrek genomen in een noodonderkomen, een opgekalefaterde fabriekswinkel. Maar een groep mensen (die hij, vooral als hij op de wc zat, “nostalgieke fanatici” noemde) had een stokje gestoken voor zijn jongensdroom. Door een eeuwigdurende juridische procedure op te starten hadden zij de verbouwing op de allerlangste baan weten te schuiven.

Herrie wist ineens weer waar hij was: in de nooddirectiekamer van zijn noodmuseum. Vóór hem, aan dezelfde tafel als hij, zaten zijn naaste medewerkers, klaar voor een vergadering die allang had moeten begonnen zijn. Hij vermande zich en schraapte zijn keel.

“Wij wachten niet langer op Jack, wij gaan beginnen.”

Maar toen hij zag dat de sigaret die hij opstak de laatste was, dook hij alsnog even onder de tafel naar zijn tas, haalde er een nieuwe slof uit en uit de slof een nieuw pakje, dat hij open onder handbereik legde. Hij wilde hoe dan ook, met het laatste vuur van de peuk die hij nu rookte, een nieuwe kunnen aansteken. Hij voelde dat hij de vlam de hele dag brandende moest houden, want dat anders zijn hart weleens zou kunnen ophouden met tikken.

“We gaan beginnen!” herhaalde hij.

Op dat moment ging de deur open en zwaaide Jack Daniels binnen.

“Sorry jongens, ik ben te laat! Maar ik ben ook op de hoogte! Jullie raden nooit wat ik vannacht heb gehoord in de Ka-Kroeg!”

“Ga zitten en hou je mond,” zei Herrie.

“Jij ook koffie, Jack?” vroeg Emma, de notuliste. Ze glimlachte tegen de laatkomer of haar jaarsalaris ervan afhing.

“Heel graag,” zei de adjunct, “een koffie, een glas water en een bruistablet Alka-Seltzer.”

“Ter zake, mensen,” schoolmeesterde Debbie nu. “Vandaag moeten wij de knoop doorhakken over de ‘Henry Morton In Memoriam Tentoonstelling’. We zijn het er allemaal over eens dat die er moet komen, alleen al om de vrije val te stuiten die het imago van ons museum sinds enige tijd doormaakt. Joop, Mieke en Maaike, hoe zijn jullie gevorderd? Allereerst: zijn er genoeg werken?”

“Absoluut!” antwoordden Joop, Mieke en Maaike als uit één mond. Joop Morgenstond, Mieke Verheester en Maaike Roetsj vormden het drietal dat de “In Memoriam Tentoonstelling” artistiek en organisatorisch voorbereidde. Joop meldde dat er tot nu toe al zeker tachtig Mortons boven water waren gekomen, en dat die vrijwel allemaal probleemloos aan het museum konden worden uitgeleend.

Joop: “Zijn galeriste is bereid tot volledige medewerking!”

Mieke: “Wij hadden een moeizame strooptocht verwacht, maar al op de tweede dag stonden wij in een schatkamer!”

Maaike: “Artistiek gezien loopt ons plan op rolletjes!”

Debbie perste er een grijns uit. “Gefeliciteerd!” zei hij, “want een schatkamer hadden wij niet verwacht, en zeker niet op rolletjes! Mooi werk!”

“En dan nu ik,” ging Jack verder, “weten jullie wat ik vannacht heb gehoord in de Ka-Kroeg? Ik ben doorgezakt met Pink Vleesch, helemaal niet zo’n drinker trouwens, ik moest bij ieder rondje weer aandringen. Maar op een gegeven moment had ik hem aan de praat: hij vertelde dat hij met alle andere bekende kunstenaars uit de stad ons leegstaande museum wil gaan kraken!”

Er ging een golf van verontwaardiging door de vergadering.

“Wat schrikken jullie nou? Een geweldig plan toch? Zouden wij dat zelf ook niet willen?”

Herrie liep helemaal rood aan. “Jack, stop hiermee, die kant moeten wij beslist niet op! Je weet wat ik vorig jaar heb gezegd, toen de Grote Chef zich met onze verbouwproblemen ging bemoeien. Buitenstaanders-gebazel! Laat iedereen zijn ongevraagde adviezen bij zich houden en zijn eigen boontjes doppen! Dat denkt maar dat het weet wat goed voor ons is, en ondertussen blijkt het van de complexiteit van de zaak nog niet het flauwste benul te hebben! Die kunstenaars idem dito, wat denken ze wel? Dat ze de zaak dienen door ons museum te gaan bezetten?”

“Maar Debbie,” fleemde Jack, “zo’n leegstaand museum, dat is een marteling voor die kunstenaars, dat is toch niet zo moeilijk te begrijpen!”

“Ze hebben het helemaal mis als ze denken dat ze met zo’n kraak dat stelletje nostalgieke fanatici op de knieën kunnen dwingen. Sinds de Heilige Onkel Frits, die lamme, demente industriële aartsvader, hoogstpersoonlijk uit zijn rolstoel is opgestaan om te verklaren dat ons museum voor elke modernisering moet worden gevrijwaard, sinds die tijd is de moraal van die behoudzuchtige idioten niet meer stuk te krijgen. Geen duimbreed zullen ze wijken. Het enige gevolg van zo’n kraak zal zijn: meer schandaal en minder goodwill.”

“Nog minder goodwill? Ik dacht dat wij alles al verspeeld hadden toen wij met de staart tussen de benen uit ons museum wegliepen. En sorry dat ik het zeg, Debbie, maar jij liep wel voorop!”

“Dat had je niet moeten zeggen, Jack!” schreeuwde de directeur nu. “Ik heb steeds mijn verantwoordelijkheid genomen en alles gedaan om uit de impasse te geraken! En wat doe jij? Mooi weer spelen bij kunstenaars door alcoholisten van ze te maken!”

Mieke en Maaike zaten er wit weggetrokken bij en durfden geen vin meer te verroeren. Joop daarentegen, een geboren vergaderaar die door vriend en vijand liefkozend De Compromist werd genoemd, voelde dat hij op het punt stond goed werk te verrichten.

“Mannen,” zei hij, “laten wij de zaak vooral positief blijven zien. Formeel zijn wij nog steeds de gebruikers van Het Einde, wij kunnen er dus doen wat wij willen, zolang wij maar niet verbouwen. Wij hebben nog steeds de sleutel, toch? En die kunstenaars hebben gelijk dat leegstaande museumzalen onverdragelijk zijn. Waarom dus zouden wij onze ‘In Memoriam Tentoonstelling’, in plaats van in ons nieuwe noodgebouw, niet organiseren in het oude Einde? Als wij dat doen, creëren wij A voor de ‘In Memoriam’ een zee van ruimte, en nemen wij B de krakers de wind uit de zeilen.”

“Je weet dat dat niet kan,” riep Debbie weerbarstig, “de hele alarm- en brandmeldinstallatie is al overgemonteerd naar het tijdelijke gebouw!”

“Debbie heeft gelijk,” zei Jack nu diplomatiek. “Zonder alarm en brandmelders zal zelfs De Louche BV niet één werk verzekeren.”

“Daar moeten we dan over gaan praten met Hübschmidsk,” zei Joop, “die is immers verreweg de belangrijkste bruikleengever. Ik had een heel flexibele indruk van haar, dus wellicht… Wat denken jullie, Mieke en Maaike?”

Mieke: “Dat ze haar voorraad Mortons heel graag wil exposeren.”

Maaike: “Dat ze heel blij zal zijn met het oude gebouw.”

Joop: “We kunnen haar wat extra bewakers aanbieden.”

“Goed, in godsnaam dan maar, omdat jullie zo aandringen,” zuchtte Herrie.

Hij stond op, pakte zijn spullen bij elkaar, schoof zijn stoel onder de tafel en vertrok. Met de deurklink al in zijn hand zei hij: “Ik wens de dames en heren nog een produktieve werkdag. En o ja, Emma, laat die notulen maar achterwege. Alleen de conclusie, dat is voldoende.”

 

3. Carla for president!

Hoe laat was het? Hemeltje, twee uur ‘s nachts! Sinds Peter Bastiaens in de politiek verzeild was geraakt, wist hij dat belangrijke beslissingen rond dit tijdstip genomen werden. Hij snuffelde tussen de papieren op zijn bureau om te kijken welke prangende vraag nog een antwoord behoefde, toen er op de deur werd geklopt. Een slaperig hoofd verscheen in het deurgat. Carla! 

Wat zag dat kind toch bleek. Als je zo naar haar keek, geloofde je niet dat ze ooit het befaamde internationale dansfestival “Orgelpunt” geleid had. In korte tijd had de politiek een echt kamerdier van haar gemaakt. Eigenlijk maakte Bastiaens zich oprecht zorgen om haar gezondheid.

“Ik kon niet slapen, Peter. Al dagen loop ik mijn hoofd te breken over het feit dat we nog steeds geen intendant hebben voor het ‘Hazepadfestival’. Alles is er: een locatie, een budget, een prachtig logo. Alleen, wie zal het geheel bezielen? De Zonneklopper heeft ons mooi in de steek gelaten! En dat alleen maar omdat hij zich op het amateurtoneel wil storten!”

“Tja, wie is de geschikte figuur? Wie, o wie?” vroeg Bastiaens zich hardop af.

“Heel even dacht ik aan Stijn Eikesoep, maar die heeft onlangs zijn tiende bestuursmandaat gevierd, en dat was dan nog een zitje in de raad van beheer van een mondain festival in de hoofdstad.”

“Stijn zou een goede keuze geweest zijn, ja. Loyale jongen, contacten met de toeristische sector en goedlachs. Jammer.”

Allebei slaakten ze een diepe zucht.

“We moeten Demis bellen, Peter, die weet altijd raad. Eens kijken, hij is nu net aan zijn slaapmutsje bezig, we kunnen hem dus nog storen.”

Na een paar keer rinkelen ging aan de andere kant van de lijn de hoorn van de haak, waarop een zwaar gehijg volgde. “Met Demis,” klonk het vervolgens droogjes. Carla drukte de handsfree-toets in, zodat Bastiaens kon meeluisteren.

“Je kent ons probleem, Demis. Wie zou jij ons aanraden als leider van het ‘Hazepadfestival’?”

Even bleef het stil, toen volgde een kortademig advies: “Iemand… met brede artistieke opvattingen… maar ook met oog voor maatschappelijke waarden… zoals het gezin… het buurtwerk…”

“Ja, een consensusfiguur!” riep Carla, die precies begreep waar het om draaide, “maar wie, Demis?”

“Eerst dacht ik… aan mezelf natuurlijk… maar iedere dag op en neer naar de  Scheldestad… met mijn conditie… daar bedank ik voor… maar geen nood… ik zie de ideale intendant voor me… volgens mij is het… Carla!”

Peter en Carla waren met stomheid geslagen. “Carla?”

Maar natuurlijk! Dat Bastiaens daar niet eerder was opgekomen! De pientere secretaresse had alle nodige kwaliteiten in huis, en daarbuiten nog een paar andere! Peter nam de handen van het meisje in de zijne en keek haar toen diep in de ogen.

“Zou je willen, Carla? Het ‘Hazepadfestival’ leiden?”

“Oh, Peter, meen je dat, meen je dat echt? Ja, ik wil het!” Dikke tranen van geluk vloeiden over haar bleke wangen.

Ze gaat weer onder de mensen komen, dacht Bastiaens vaderlijk, toen hij haar in zijn armen hield.

 

4. Fragments for a Cruxifixion

Hamer zette zijn groene Simca op de nog zo goed als lege parkeerplaats van Museum Het Einde. “Geen hond te zien. We hebben ons toch niet in het uur vergist?” vroeg de inspecteur.

“Nee hoor, een opening begint altijd een uur later dan op de uitnodiging staat aangegeven,” zei Nagel als een ingewijde.

De inspecteur keek aandachtig naar het olijke torentje dat de gevel van Het Einde in de hoogte bekroonde. “Ik ben benieuwd,” mompelde hij.

Toen ze nauwelijks een voet over de museumdrempel hadden gezet, stootten de politiemannen op een paar sokkels met elk een schoen. “Zijn dit nou originele Mortons, of gewoon enkele parafernalia van de kunstenaar?” vroeg Hamer onwennig.

“Nou euhm, volgens mij,…” begon Nagel, terwijl hij zich studieus naar een van de schoenen boog, maar hij kreeg geen kans om zijn gedachtengang af te maken, want uit een nabijgelegen zaal klonk een hels kabaal.

Het rechercheduo ging een kijkje nemen en trof een man aan die met een videocamera de wanden van het museum aan het afgrazen was. Geen enkele tabel, schets of driedimensionaal object ontsnapte aan zijn aandacht, behalve dan de ladder die hij zojuist omvergelopen had.

“Freddy Vandenbossche,” fluisterde Nagel. “Van het Paling Mosselen Makreel Kabeljauw Museum in Oostende. Bezeten van de missie om zijn kennis en inzichten door te geven aan het nageslacht.”

“Verrek, die!” Kribbig dacht Hamer terug aan het Oostendse antwoordapparaat dat hem ooit als een vis aan de haak had geslagen.

“En die dame daar met die hoogrode haardos is waarschijnlijk…”

“Inderdaad, Liesbeth List,” vulde Nagel aan. “Tja, wat die Poele-Poele ook beweert, voorlopig kunnen we List niets maken. Een brandschoon alibi heeft die meid.”

Steeds meer gasten druppelden de zalen binnen. Van een langsvliegend dienblad kaapten Hamer en Nagel ieder een fruitsapje weg. In de kleurrijke menigte die zich vormde, sprong een adellijk uitziende jongeman in het oog, die een peperdure bermuda droeg en twee geeuwende fox-terriërs bij zich had. Hij trok fel van leer tegen iets.

“Zoveel werken, Jos! Bij zijn leven was er nauwelijks iets van hem te krijgen, en nu hangen de muren vol! Allemaal gemaakt in zijn laatste levensjaar, en allemaal courtesy Hélène Hübschmidsk! Dit ruikt naar zwendel,” hoorde Nagel de hondenvriend zeggen.

“Sorry, hoor ik u klagen, Olivier? Een jaar geleden heb jij zelf één van die prijsbeesten uit haar stal geplukt, dat was verdomme een hold-up bij klaarlichte dag!”

Maar Jos Mercelis kon vertellen wat hij wilde, de befaamde galerist Olivier Blaeskens liet zich niet van zijn stuk brengen: “Tut tut, dat was vrije handel, terwijl dit hier onderwereld is!”

“Pardon heren, mag ik mij voorstellen,” kwam Nagel tussenbeide.

“Ah, politie!” balkte Mercelis. “FBI? ME? BOB? Sorry jongen, de coke is net op!”

Van zoveel onbeschaamdheid moest Nagel even slikken. “Nagel is de naam, recherche. Wij onderzoeken de moord op Henry Morton.”

“O ja? Daar schijnt flink schot in te zitten! Ik hoor van alle kanten dat het ongelofelijk opschiet. U wou mij ondervragen? Oh, ik ben niet nodig? Goed, dan ga ik nog een beweging maken.” En hij keerde de rechercheur, de galerist en zijn viervoeters de rug toe.

Aan de overgeblevene vroeg Nagel: “Ik hoorde u net zeggen dat er iets niet in de haak is...?”

“Olivier Blaeskens,” antwoordde de galerist die een beetje rood was aangelopen. Politie, moest je die nu helpen of niet? Maar ja, hij was tenslotte ook kind aan huis bij de Koninklijke Familie.

“Ik vind het gewoon eigenaardig dat er nu zoveel recente werken in omloop zijn. Dat is alles,” herstelde Blaeskens zich met een minzame glimlach. En toen, tot de honden: “Viens, Philippe, viens Laurent, maman nous attend.”

Er waren maar weinig bezoekers die het werk van Morton echt bekeken. Iedereen stond te kletsen en te lachen, en als er een schotel langskwam, gingen de handen er graaiend overheen. In een hoekje merkte Hamer een bijna kale oude man op, die uit een tas plastic plaatjes te voorschijn haalde. Eerst een blauw, dan een rood, dan een geel. Toen hij door de gele filter keek, begon hij heftig te rillen en te trillen. “Ik zie iets verschrikkelijks. Het wordt verschrikkelijk,” riep de oude man uit.

Met groeiende verbazing stond Hamer ernaar te kijken, toen zijn assistent zich meldde. “Daar heb je Mevrouw Hübschmidsk. Zal ik je aan haar voorstellen?” vroeg hij opgewekt. 

Voor Hamer iets kon zeggen, had Nagel haar al losgeweekt uit het gezelschap van Mevrouw Z en Pitbül, twee bewonderaars van de galeriste. De inspecteur en de dame wisselden enkele vriendelijkheden uit, waarop zij met een knipoog een briefje aan Hamer gaf. Toen ze verdwenen was, vouwde hij het briefje open en las: “De directeur van Museum Het Einde nodigt u uit op het diner ter gelegenheid van de Henry Morton In Memoriam Tentoonstelling”.

Het diner vond plaats in een tent, op het achterterrein van het museum. Hamer kreeg tafel 15 toegewezen en kwam zo in het gezelschap van Mil de Heer (De Wokkel Foundation), De Zonneklopper (Voormalig Casino), Erik Verkwanselen (Het Beleid), Kapitein Iglo & Ilse De Scheper (SILHO), Mickey Meeuw (Plantsoendienst Scheldestad), Freddy Vandenbossche (PMMK) en Arthur von Grimmelhausen (Museum Het Onderste). De plaats die voorzien was voor de Grote Chef (die op hetzelfde moment gekroond werd tot opperdruïde in Marfa), werd toegewezen aan Marcel Terzijde (Museum Mehrpaal Van Meegeren).

Meteen hieven de disgenoten het glas en raakten zij in drukke gesprekken verwikkeld. De inspecteur legde zijn oor te luisteren en deed zijn best om de aandacht erbij te houden.

“Hedendaagse kunst is spraakmakend,” voerde Mickey aan, “en het gevolg is dat er wekelijks bussen uit Nederland, Duitsland en Frankrijk stoppen voor een bezoek aan de Plantsoendienst.”

“Maar, rook op de grond, voelen ze dat ook?” wilde De Zonneklopper weten.

Mickey: “Het is een investering die eigenlijk opbrengt. Niet rechtstreeks want het museum is gratis, maar daarna gaan die bussen naar de stad, mensen gaan shoppen, enzovoort. Doen wij die spraakmakende dingen niet, dan gaat onze Scheldestad dood!”

De Zonneklopper, en ditmaal met aandrang: “Ja maar, rook op de grond, ijzer in de lucht, voélen ze dat, ruíken ze dat ook?!”

Aan de andere kant van de tafel trachtte Freddy Vandenbossche een aantal kunsthistorische bevindingen aan de man te brengen bij Erik Verkwanselen.

“Want,” verdedigde Freddy met vuur, “nadat Ensor de moderne kunst als het ware in het leven riep, opende Spilliaert door zijn mysterieuze toets binnen het symbolisme de weg voor het surrealisme waarvan Magritte de exponent werd, terwijl Permeke het expressionisme naar de spits voerde en Delvaux evolueerde naar een irreëel dromerige stijl die zijn werk deed wegevolueren van het surrealisme, waarna...”

Verkwanselen peuterde met een pinknagel tussen zijn tanden. Ook Hamer werd door deze monoloog niet echt begeesterd. Meer uit verveling dan uit belangstelling richtte de inspecteur zich tot zijn zwijgzame overbuurman.

“Kapitein Iglo, aangenaam,” antwoordde die, “bent u nieuw in de kunstwereld?”

“Dat kan je wel zeggen, ik zit er nog maar een paar maanden in,” grapte Hamer. “Sinds de moord op Morton, om precies te zijn. Die onderzoek ik namelijk.”

“Oh,” zei Iglo, “ja, wat erg voor die man.” En het gesprek viel stil. 

Wat een bedoening, dacht de inspecteur, die alle verwaten koppen om hem heen nog eens afliep. God, dat praatlawaai maakte hem duizelig. Reikhalzend keek hij uit naar het dessert en de uitgang, toen hem een bolletje papier werd toegeworpen. Discreet vouwde hij het open: “Met ijzer, goud, stuifmeel en stro / Maak ik een brandstapeltje voor Iglo / Klinkt dit als muziek in uw oren / Wacht mij dan op onder de toren,” zo stond er. Hamer keek verbaasd rond, maar kon niet onmiddellijk uitmaken wie de sfinx was die hem met dit  middeleeuws gedicht had opgezadeld.

Hamer legde mes en vork naast zijn bord, verliet de feesttent zo onopvallend mogelijk en drentelde naar het torentje. Plots maakte zich een schaduw los uit het struikgewas. Hamer herkende Ilse De Scheper, die aan zijn tafel gezeten had.

“Ik heb een gouden tip voor u. U hebt kennisgemaakt met Kapitein Iglo. Hij is m’n baas en chanteert iemand in verband met Morton.”

Wat een troel, vond Hamer. Veel te veel slechte politiefilms gezien. Moest hij die bordeauxrode verschijning ernstig nemen? “Dus u verklikt uw baas?” zei hij meer constaterend dan vragend.

Op slag veranderde ze van toon: “Phuh, die mislukte viskroket. Zijn hele leven al sjoemelt en sjachert hij. U moet mij geloven, inspecteur, hij perst iemand af. Wie precies, weet ik niet, ik heb alleen maar een telefoongesprek kunnen afluisteren.”

 

5. Infernale taferelen

“Hilli Billi liebt Wurstzipfel, Hilli Billi liebt Käseplatte, Hilli Billi liebt Sahnetorte, Hilli Billi liebt Schweinebacke, Hilli Billi pom pom...” Het reisje naar Oostenrijk had Pim Laurijsse zo goed gedaan, dat hij zingend en neuriënd het land binnenreed. Gewetensnood? Hij, helemààl niet! Hij voelde zich zo verlost van allerlei dwaze inbeeldingen dat hij nu frank en vrij op weg was naar de “Henry Morton In Memoriam Tentoonstelling”! De wegomlegging die hem ruim twee uur vertraging had opgeleverd, bracht hem niet uit zijn goede humeur. Weliswaar kwam hij nu veel te laat op de opening in Het Einde, maar dat deerde hem niet. Integendeel, het liefst arriveerde hij als allerlaatste gast, zodat iedereen straks kon zien hoe hij met een smetteloos geweten zijn entree maakte.

Toen hij Het Einde naderde hield hij even in. Wat rook hij toch? Nee, hij reed niet met de handrem erop, en het olielampje brandde ook niet. Het leek wel of er rubber schroeide. De banden? Toch maar even uitstappen. Hij opende het portier en werd nu pas echt door een brandlucht bevangen. In de verte stonden drommen mensen en er reed een materiaalwagen van de brandweer voorbij. 

“Is er brand?” vroeg hij aan een voorbijganger.

“En nie zon bietje,” zei deze in zijn moeders taal, “fikken jongen! Ut ende van Ut Ende.” 

Pim voelde hoe zijn Oostenrijkse vrolijkheid hem met de snelheid van het licht ontglipte. Hij liet zijn auto staan waar hij stond en wandelde met een geschrokken blik in de richting van het museum. Omdat de stank en de rook met elke stap toenamen, bond hij zijn sjaal over zijn neus en mond, terwijl hij zijn ogen de kost bleef geven. Toen hij vlak bij het museum was, zag hij de vlammen uit het dak slaan.

Zeker vijf brandweerwagens stonden er. Tientallen brandweermannen, waarvan sommigen in hittebestendig ruimtepak, probeerden het vuur te bestrijden. Vanaf hoogwerkers spoten er zes hun waterstralen het museum in. Intussen hield de politie de aan- en afvoerwegen vrij en de opdringerige menigte achter de dranghekken. Pim had het geluk dat hij van de minst drukke kant was genaderd, waardoor hij kon doorlopen naar een plaatsje op de eerste rij.

Op het achterterrein van het museum zag hij staketsels met zwarte rafelige wimpels eraan. De palen hielden een ster van geblakerde buizen omhoog die alle kanten op staken, als de baleinen van een kapotte paraplu. Daaronder stonden vreemde sculpturen, verwrongen organische vormen waarin Pim half weggesmolten en vervormde plastic tafels en stoelen herkende. Overal lagen borden en bestek, en vooral een grote hoeveelheid flessen.

Hoewel de temperatuur rond dit enorme kampvuur met zeker tien graden was opgelopen, had Pim het gevoel dat hij met de minuut meer verkilde. Hij verkilde en verstarde, en stond daar, onherkenbaar, met zijn sjaal als masker, de ogen gefixeerd in één richting, die van het vuur. En hoe langer hij in die vlammen staarde, hoe mooier ze werden. Prachtig paars waren ze, prachtig paars en oranje, en helemaal in het hart prachtig groen. En toen zijn blik zich definitief in het vuur had genesteld, drong het plotseling tot hem door: paars, oranje en groen, de zuiverste pigmenten van secundaire kleuren die er op aarde gevonden zijn. In Kenia. Door Cor Poulijn.

Laurijsse maakte zich uit de mensenmassa los, rende terug naar zijn auto en verwijderde zich met bovenwettelijke snelheid van de plaats des onheils.

 

6. De Vlaamse pers rukt uit

Terwijl een zomerse wind door het puin woei, waren een paar brandweermannen nog aan het nablussen. Fik Buyck, een Vlaams kunstjournalist met een salamikleurig gezicht, stond erbij en keek ernaar. Hij voelde zich diep ongelukkig. Helemaal hierheen gespoord voor de grote Morton-retrospectieve, bleek alles tot op de grond afgebrand! Godverdomme, waarom had hij niet naar het nieuws geluisterd? Wat een miserie, en waarom hij toch altijd? Als ze hem nu eens allemaal met rust lieten. Als ze nu eens allemaal…

“Ha, Fik,” zei iemand in een blauw polohemdje. “Ook speciaal hier voor de Morton-retrospectieve?” Het was Erwin De Gucht, kunstredacteur bij de Vlaamse krant “De Dag Nadien”.

“Hoe raadt ge’t,” zuchtte Fik. “En ‘t was al zo’n kloteweek.”

“Wat ge zegt!” beaamde De Gucht, die er zo het zijne van dacht. Buyck had zeker weer een avond met een zware depressie en een fles jenever in zijn bed gezeten.

“Ge zult het niet geloven, Fik, maar ik wist ook van niks. Heel de nacht doorgewerkt aan een stevig artikel over de kunstschatten van de heemkundige kring van Opoeteren, en dan als een kip zonder kop naar hier gereden. Zelfs geen tijd gehad om de radio op te zetten.”

“Wij hebben geen leven, jong. Ze maken een mens zot met al die tentoonstellingen. En wij maar knokken voor de kunstpagina’s.”

“Och, iedereen die het goed bedoelt, moet daar vroeg of laat de rekening voor betalen. Neem nu André C. Zwynen. Staat jarenlang op de barricaden voor het kunstonderwijs, en wordt in ruil daarvoor ineens beticht van zwendel. En waarom? Omdat hij, ocharme, met een paar centjes overschot een feest heeft gegeven voor zijn jarige dochter!”

“Zo’n harde werker. Een toekomstgerichte visie. ‘t Is gewoon niet eerlijk.”

De twee leken hun beteutering niet te boven te komen, tot ze een koddig figuur op hen toe zagen hobbelen.

“Hoe is ‘t mogelijk,” schudde Buyck het hoofd, “Janssen & Janssens!” De man in kwestie bedreef kunstjournalistiek voor het Vlaamse dagblad “De Norm”.

“Ha, kerels,” pufte een toonloze stem. “Zeg, maar wat is hier gaande? Het heeft hier gebrand? En goed ook! Er zijn toch geen slachtoffers gevallen?”

“Het nieuws niet gehoord, Janssen & Janssens? Het Einde is in de fik gestoken!”

“Watte? God-den-Here!” De reporter hief de handen ten hemel. “Vanmorgen om zes uur moeten opstaan, boterhammen smeren, bus nemen, trein,… en dat allemaal voor noppes!” 

“Troost u,” zalfde Fik, “wij staan hier ook voor Piet Snot. Precies of die Hollanders het expres gedaan hebben.”

Janssen & Janssens zuchtte nog een paar maal, en begon toen in het rokende puin rond te snuffelen.

“Zullen we dan maar terugrijden?” vroeg De Gucht. “Ik heb nog zoveel te doen.” Eigenlijk had alleen het pikante feit dat hier het werk van een vermoord kunstenaar te zien was, hem doen besluiten om naar het Einde af te reizen. Het liefst schreef hij over echte evenementen, een overzicht van Cézanne bijvoorbeeld, of het schilderijenboek van Toon Hermans. De moeilijke kunst was voor zijn assistent Wielemans, die zulke klussen op wonderlijke wijze in een regel of twintig kon klaren. 

“Waar zijt ge dan mee bezig,” haalde Buyck zijn collega terug bij de les, “nog altijd met die nieuwe promotiecampagne? Hoe heet die nu ook alweer?”

“Kunst in de luiers!” repliceerde De Gucht fier als een kersverse vader. “De Dag Nadien” had een grootse actie op touw gezet. Eerst waren er tweemaal per week bijlagen over de grote meesters van de kunstgeschiedenis opgenomen, en toen was de krant begonnen met het uitdelen van artistieke onderleggers.

“En wat ‘n werk we daar met de kunstredactie al hebben ingestoken! Want ja, ‘t is eigenlijk voor analfabeten. Ge schrijft voor mensen die van nul beginnen. Ge doet feitelijk aan opvoeding, hé.”

“Dedju toch!” hoorden ze plots roepen. Janssen & Janssens, die met een vertrokken gezicht op hen kwam toegestrompeld, was met zijn sandalen in een plas bluswater gaan staan. Kleddernat waren zijn beige sokken. Zijn collega’s kwamen niet meer bij van het lachen.

“Kom,” zei Fik bij wijze van besluit, “we gaan een borrel drinken. ‘t Is toch ook al bijna middag? Dan kunt g’u in de toiletten een beetje fatsoeneren.”

“Een goed idee,” vond De Gucht, die opzag tegen de terugrit.

Nauwelijks hadden ze zich genesteld in de Ka-Kroeg, of ze hoorden een loeiende ambulance in de richting van Het Einde stuiven. Nieuwsgierig rekt het drietal de nek.

“Zou er dan toch iemand in de brand zijn gebleven?” vroeg Janssen & Janssens geëmotioneerd, terwijl hij van zijn alcoholvrij biertje nipte.

 

7. Het verscheurde hart van Pim Laurijsse

Op het kantoor van inspecteur Hamer was het de hele dag al staande receptie. Alle collega’s, van hoog tot laag, die ooit ook maar iets te maken hadden gehad met de inspecteur en zijn assistent, liepen even binnen. Ze leken allemaal met hun eigen ogen te willen zien dat de twee politiemannen ongeschonden te voorschijn waren gekomen uit de museale brand in het Zuiden. Tenslotte kwam ook de hoofdcommissaris, die zich maar zelden liet zien, speciaal van de vierde verdieping naar beneden. De toon waarmee hij het tweetal toesprak, was echter niet bepaald hartverwarmend. 

“Nou, heren, ik ben oprecht blij dat jullie jezelf uit dat vuur hebben weten te redden. Eerlijk gezegd, het verbaast me zelfs. Hoe lang is het al geleden dat jullie nog eens iets tot een goed einde hebben gebracht?”

Hamer wilde antwoorden, maar bedacht zich bijtijds.

“Ik hoop, Hamer, dat er eindelijk schot komt in de zaak Morton,” voegde de HC er voor de duidelijkheid aan toe. “Zoniet, zou het nog weleens heel wat heter onder jouw voeten kunnen worden. Nog een prettige dag verder, heren.”

“Dat was nog eens een hart onder de riem!” maakte Nagel zich kwaad. Hij wou er nog een en ander achteraan gooien, toen er alweer op de deur werd geklopt. Een jonge agente vroeg of Hamer even tijd had voor een man die een verklaring wenste af te leggen in verband met de zaak Morton.

“Laat maar komen.”

Een grijzende man van middelbare leeftijd meldde zich.

“Gaat u zitten,” zei Nagel, die zag dat de bezoeker allereerst een stoel nodig had. “Wilt u koffie?”

“Als u ook thee heeft, liever een kopje thee,” zei Pim Laurijsse.

“Goed, zegt u het maar,” deed Hamer zo geruststellend mogelijk.

“God, dit is het moeilijkste moment van mijn hele loopbaan,… ik ben galeriehouder… ik kom hier… om een van mijn eigen kunstenaars aan te geven. Ik heb een brief in mijn bezit… het verscheurt mijn hart, maar ik kan de last niet langer dragen… waarin staat… wie de moordenaar van Morton is… Cor Poulijn is zijn naam…,” Laurijsse haalde een envelop te voorschijn die de inspecteur heel bekend voorkwam. Met groeiende belangstelling nam Hamer kennis van de inhoud. Daarop richtte hij zich weer tot Laurijsse en vroeg streng: “Hoe bent u in het bezit van deze brief gekomen?”

Toen Laurijsse het hele verhaal had vereteld, wilde Hamer weten hoelang Laurijsse al over de brief beschikte. “U weet toch dat het achterhouden van bewijsmateriaal een strafbaar feit is? Waarom komt u nu pas met deze brief voor de draad?”

Laurijsse haalde diep adem. “Het spijt me, mijnheer de inspecteur… het spijt me echt verschrikkelijk… ik dacht… ik vond… ik zei nog bij mezelf…” De emoties werden Pim nu echt te machtig. De arme galeriehouder barstte in snikken uit. “Gisteren die brand in Het Einde… ik was daar…”

“Dat treft,” zei Nagel, “wij toevallig ook.”

“O ja? Hebt u dan ook... in die vlammen... die kleuren gezien… dat paars…! dat oranje…! en in het hart dat diepe groen…!?”

De rechercheurs wisselden even een veelbetekenende blik.

“Toen ik die kleuren zag, wist ik… dit is het werk van Cor…! Ik moet de politie vertellen wat ik weet!”

“Ja, rustig nou maar,” suste Hamer. “Vertelt u eens, die Cor Poulijn, wat voor iemand is dat?”

Laurijsse bedaarde weer een beetje. “Een aardige jongen. Een doorzetter ook. Maar misschien niet helemaal de kunstenaar die hij eigenlijk wilde zijn. Een beetje te weinig succes. Jaloers ook. Cor is iemand die in sommige dingen kan doorgaan tot het einde… om eerlijk te zijn, volgens mij is het een gevaarlijke gek.”

“Hebt u een foto van hem?” vroeg de inspecteur.

“Nee, maar ik kan hem wel perfect beschrijven.”

Hamer riep de jonge agente bij zich en gaf haar de volgende opdracht: “Deze meneer gaat even met u mee om een robotfoto te construeren. Afdrukken in de gebruikelijke oplage, en verspreiden. Neem alvast contact op met de televisie. En ook een kopietje naar de vierde verdieping graag!”

 

wordt vervolgd