Etienne Wynants

DE WITTE RAAF

Editie 62 juli-augustus 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Kunst in Zoersel

Gastcurator Menno Meewis merkt in zijn catalogusinleiding op dat tussen zijn werkplaats - het Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst Middelheim - en het domein Kasteel van Halle zich de wereld bevindt. “Kunst in Zoersel” speelt zich af in een boomrijk parkje rond een tot gemeentehuis omgedoopt kasteeltje in neo-Vlaamse renaissancestijl en temidden van een welstellend villalandschap in Vlaamse cloisonné. Meewis kan niet nalaten even de blik te verruimen via de Chinati Foundation van Donald Judd in Marfa, het Storm King Art Center in Mountainville en het Yorkshire Sculpture Park bij Leeds. Meewis relativeert zijn tentoonstelling zelf tot een laboratorium - zeg maar hoekje - om een zinvolle toenadering tussen hedendaagse kunst en parken uit te testen. De afwezigheid van spektakel, indrukwekkende, chronologisch geordende tentoonstellingsfeiten, ronkende monografische artikels of de belofte aan jong talent valt daarbij op. Een aantal kunstwerken munten alvast uit door de directe en indirecte reflectie bij dit groene decor. Joëlle Tuerlinckx’ bijdrage levert een zeer gearticuleerd scala aan relaties op, zonder daarbij aan schilderachtigheid in te boeten. Eens een schijnbaar lukraak aan de rand van het grasveld gedumpte bouwkeet binnengetreden, overziet de bezoeker doorheen een met folie verduisterd raam een feeëriek schouwspel. Een simpele truuk transformeert een clichématig zicht op het kasteel met park. Alle groene parktinten verschijnen hier in nuances tussen roestig oranje gras en een zeer intens purper boompje. “Nachtpark 96 une île de la nuit” is haar toelichting in de catalogus, waarbij ze de bezoeker “een theorie voor het wandelen” aan de hand doet. In een krap bemeten zijportaaltje van het koetshuis schilderde Guy Mees een vermiljoenrode plint; een aan het groteske grenzend fris schaamlapje dat de afgebakende ruimte tot in de naad doet trillen. Marthe Wéry voorzag enkele lichtspleten in een duistere stal van een scherm waarop het buitenlicht silhouetten projecteert. Een subjectief en intiem voorstel dat bijna diametraal staat op de bijdrage van Leen Voet. Zij suggereert in een kille afrastering tussen de bomen een tweekamer-ruimte met deuren en uitgespaarde ramen. Twee beschilderde panelen binnen deze kooi kleuren een fragmentaire indruk van een schildersatelier in. De valse romantiek van het kunstenaarsatelier platgewalst tot kippenhok zou als interpretatie wat eenduidig uitvallen, ware het niet dat beide taferelen terloops dubieuze blinde vlekken van huiselijkheid vertonen. De aanwezigheid van het werk van Richard Venlet viel me pas ten volle op bij het doorbladeren van de catalogus. Verspreid over het territorium dreunde hij gegalvaniseerde paaltjes in de grond met een ronde, vlakke sokkel zwevend boven de grond. Samen met hogervernoemde bijdragen is dit werk een puntig antwoord op de vraag naar een zinvolle bijdrage voor dit park en, bij uitbreiding, voor de buitenmuseale ruimte. Ze vormen haast illustraties van wat nog gezegd kan worden, na het soort verstikkende inleidingen als het vals omfloerste gedicht van de voorzitter van de vzw Kunst in Zoersel en tevens Minister van Begroting Wivina Demeester, de fladderende frasen van Minister van Cultuur en Welzijn Luc Martens en de maatschappelijke-bruggenbouwende ambities van de burgemeester die deze catalogus openen.

 

• Samen met werk van Marin Kasimir, Marc de Roover, Peter Downsbrough, David Lamelas, Bernd Lohaus en Philip Van Isacker tot 8 september te kijk in het Domein Kasteel van Halle, Gemeentehuis Zoersel, 2980 Zoersel (03/380.13.00).