Renée Steenbergen

DE WITTE RAAF

Editie 63 september-oktober 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De verzamelaar als autobiografisch project

8 interviews

Want het is altijd zichzelf dat men verzamelt.

Jean Baudrillard

 

Talloos zijn de manieren waarop een kunstverzameling aangelegd kan worden, en veelvoudig de drijfveren van de verzamelaar. Zijn motieven zijn niet makkelijk te achterhalen en bovendien zelden ondubbelzinnig. Stellen dat een verzameling een rechtstreekse afspiegeling is van de persoonlijkheid van een verzamelaar, is te eenvoudig. Maar de schepper van de collectie is uiteraard een sleutelfiguur, zonder wie de afzonderlijke werken vaak als los zand zijn; de verzamelaar is de bindende factor, zijn visie smeedt de stukken aaneen tot zoiets als een verzameling.

Tijdens de eerste interviewronde die ik dit voorjaar met acht verzamelaars hield in het kader van een dissertatie over collectioneurs van hedendaagse kunst in Nederland, viel vooral op dat het in de meeste gevallen de verzamelaars zelf zijn die de link leggen tussen hun collectie en hun private leven. En zeer tegen mijn verwachting in lijkt de neiging tot projecteren net zo groot ten aanzien van abstracte kunst als jegens figuratieve en realistische.

Als er kennelijk een biografische band bestaat tussen - sommige - collecties en hun schepper, hoe ziet die verhouding er dan precies uit? Immers, kunst is geen betrouwbare spiegel van de ziel, ze spreekt veelal in vormen- of symbolentaal die voor velerlei uitleg vatbaar is. Maar juist daarom is ze zo ideaal als projectiescherm: ze is de beste spiegel die er is, want ze liegt. Ze vertekent, flatteert, camoufleert. Jean Baudrillard zegt hierover: “Het verzamelobject is ideaal omdat het geen beeld van de werkelijkheid reflecteert, maar verlangens en wensdromen.” Dit geldt volgens mij in hoge mate voor collectioneurs van beeldende kunst, omdat het - behalve bij oplagen uiteraard - gaat om unieke objecten. Hoe unieker (zeldzamer, duurder, enzovoort), des te groter de neiging van de verzamelaar om het kunstwerk een strict particuliere betekenis te verlenen, zo laat zich uit de interviews aflezen.

De verzamelaars vertelden hoe zij bepaalde kunstwerken hebben ‘ontmoet’ en verworven, waarbij steeds de conclusie was: dit kunstwerk komt mij toe, het kan niemand anders toebehoren want… Baudrillard verwoordt dit verschijnsel aldus: “De absolute uniciteit van het object hangt volledig af van het feit dat ik het bezit - wat mij, vervolgens, in staat stelt mezelf erin te herkennen als een absoluut uniek wezen.”

In wat volgt, wil ik een aantal uitspraken van verzamelaars voorleggen die - zonder met Baudrillards ideeën te zijn geconfronteerd - zeer dicht deze hypothese lijken te naderen. Het ‘spiegelen’ van autobiografische aspecten in een verzameling wordt door hen kennelijk niet als freudiaanse nonsens van de hand gedaan. En waarom eigenlijk ook? Aardig is het statement van een geïnterviewde verzamelaar die tevens kunstcriticus is: “Met verzamelen is het net als met psychoanalyse: als je niet zelf betaalt, werkt het niet.”

De citaten hieronder zijn anoniem, omdat de verzamelaars slechts toestemming hebben gegeven voor publikatie in het uiteindelijke proefschrift.

 

De kunst/collectie als een reflectie van de eigen persoon(lijkheid)

Tijdens een rondgang door het huis zei een verzamelaar tegen me: “Het is niet belangrijk wat er hangt: het zijn allemaal stukjes van mezelf. Een aankoop heeft altijd te maken met dat waar ik op dat ogenblik mee bezig ben, of een reflectie daarover.” Van elk verworven stuk weet hij nog precies welk gevoel zich indertijd met een schok aan hem voordeed, toen hij het kunstwerk voor het eerst zag. Zijn aankopen noemt hij “kleine traumaatjes”, hevige emoties die hij “fixeert” door het werk aan te kopen. Als hij nu zo’n werk weer bekijkt, voelt hij die emotie opnieuw. Verzamelen noemt deze man daarom “het afzinken van gemoedstoestanden”. Zijn sterke emoties voor kunst komen voort uit herkenning. Meerdere malen stelt hij: “Die man op dat schilderij, dat ben ik.” Of hij verhaalt hoe op een cruciaal moment in zijn leven precies dit kunstwerk op zijn pad kwam dat exact zijn stemming van dat moment weerspiegelde. Die herkenning, het om zo te zeggen samenvallen met een kunstwerk, ziet hij als overduidelijke aanwijzing dat dit kunstwerk alleen hèm toekomt. De prijs van zo’n stuk maakt dan niet meer uit: hij moet en zal het hebben, hoezeer hij zich er ook voor in de schulden moet steken. Een andere collectioneur schreef in een brief: “Verzamelen is voor mij het schrijven van een essay in beelden voor en over mijzelf” (cursivering door hemzelf).

 

Kunst als een aanvulling op het eigen leven

Voor andere verzamelaars, die misschien bescheidener zijn dan de hierboven aangehaalde, of minder tevreden met hun leven, is kunst een manier om de eigen werkelijkheid aan te vullen. Een verzamelaarsechtpaar dat van huis uit geen enkele culturele opvoeding meekreeg, vertelde: “Door kunst hebben we een ruimere manier van denken gekregen. Een andere, niet-letterlijke manier van kijken, en het vermogen om je in de geest van een ander, de maker, te verplaatsen.” Deze geestelijke en intellectuele ontwikkeling die zij door kunst hebben ervaren, scheidt hen definitief van hun eigen achtergrond. Hun familieleden reageren met onbegrip en zelfs agressie op de in hun ogen ‘dure rotzooi’ die aan de wanden hangt. Kennelijk wordt feilloos begrepen dat het echtpaar zich hiermee van hen onderscheidt, en dat zien de ‘achterblijvers’ als een vorm van ontrouw.

 

Kunst als spiegel van het arbeidsleven

Een advocatenechtpaar dat veertig jaar heeft verzameld, stelt: “In de advocatuur ben je goed voorbereid op het verzamelen: je kunt inschatten of je een zaak kunt verdedigen tegenover anderen die niet jouw overtuiging zijn toegedaan. Op dezelfde wijze beoordeel je een kunstwerk of het oeuvre van een kunstenaar: of je hun ‘zaak’ naar eer en geweten kunt behartigen. En of je er door de tijd heen achter kunt blijven staan.” Een self-made man legde met een aanzienlijk budget een grote collectie aan zonder adviseurs in te schakelen of te steunen op intensieve contacten met galeriehouders: “Je moet je eigen lessen leren, je eigen fouten maken,” meent hij - zoals hij dat ook in zijn carrière heeft gedaan. De eerder aangehaalde verzamelende kunstcriticus trekt een opmerkelijk parallel met zijn werk: “Schrijven is eigenlijk hetzelfde als kopen.” Beide ervaart hij kennelijk als een vorm van toeëigening.

 

Kunst als tegenhanger van, en aanvulling op het werkende bestaan

Een vrouw die een hoge functie heeft in de financiële wereld typeert zichzelf als ‘Jekyll and Hyde’ vanwege het enorme verschil tussen de ‘koele’ kant van haar persoonlijkheid die op het werk tot uiting komt en de ‘warme’ kant die in het privéleven - waarvan de verzamelactiviteit een groot deel in beslag neemt - de boventoon voert. Ik citeer: “Uit het werk krijg ik ten dele een kick, maar het is een wereld die verstoken is van emotie. En dan zoek je toch de warme aspecten, en die vind ik heel erg in de kunst. Dus het zal wel een vorm van sublimatie zijn, zeker.” Tot nu toe sprak ik geen andere vrouwelijke collectioneurs; uit verdere interviews kan blijken of vrouwen vaker een breuk tussen werk en verzameling/privéleven ervaren als mannen, en of dit af te lezen is van hun collecties.

 

Kunst als substituut voor een (ideale) partner of voor seks

De zojuist geciteerde vrouw stelt dat “verzamelen is: elke keer opnieuw verliefd worden. Het is een verliefdheid die later overgaat in houden van. Als je het werk een tijdje thuis hebt, is de prikkel er vanaf. Dan komt er een nieuwe verliefdheid.” Zij heeft, vanwege haar hoge functie, problemen met het vinden van een partner: een man vindt het volgens haar nog steeds moeilijk als een vrouw een hogere maatschappelijke functie en een hoger salaris heeft dan hij. Haar kunstenaarsvrienden daarentegen noemt ze ‘kindred spirits’ voor wie haar hoge functie geen belemmering is voor een gelijkwaardige uitwisseling. Wellicht omdat kunstenaars niet in een arbeidshiërarchie zijn in te delen.

Geïnterviewde mannelijke verzamelaars benadrukten tot nog toe eerder het seksuele dan het relationele compensatie-aspect van het collectioneren. “Hoe meer seks, hoe minder er verzameld wordt,” stelt één van hen boudweg. Hoewel hij zich in het vraaggesprek aanvankelijk verzette tegen elke freudiaanse duiding van de verzamelactiviteit, betoont hij zich hier een Freud-adept in optima forma.

Een ander suggereerde dat als zijn vrouw hem beter zou begrijpen, “de hele verzameling misschien niet zou bestaan.” En een derde collectioneur wees op een voorstelling van Judith die het afgehouwen hoofd van Holofernes triomferend in haar hand houdt, en sprak: “Zo [als dat afgehouwen hoofd] voelde ik me ook toen mijn vrouw van mij wilde scheiden.”

Pittige uitspraken, maar wat zegt dit alles nu over de psychologie, en met name de autobiografische componenten van het verzamelen? Hier begeeft het onderzoek zich onherroepelijk op het terrein van het fictionele. Want of de verhalen die verzamelaars mij (en zichzelf) vertellen wáár zijn, is niet te achterhalen. Met deze fictie zal de onderzoeker het moeten doen, want de verzameling, het enig tastbare in het onderzoek, zal zelden ‘spreken’ zonder de persoon die haar tot stand bracht, zoals aan het begin van dit artikel al werd gesteld.

Dit alles in beschouwing nemend, lijkt de verhouding tussen de verzamelaar en zijn verzameling het best verbeeld te worden in het bekende schilderij “La reproduction interdite” (1937) van René Magritte. Wij, de toeschouwers, zien een man op de rug die in een spiegel kijkt - maar zichzelf op de rug ziet. Verzamelen is als jezelf in de spiegel op de rug zien: je weet dat jij het bent, maar wie ben jij? [en wat is kunst?]

De onderzoeker die verzamelaars interviewt, kan niet méér autobiografische trekken in hun verzameling onderscheiden dan de verzamelaar zelf ziet (en wil tonen). Andersom zou dat ook kunnen verklaren waarom verzamelaars dikwijls graag en intiem met mij over kunst willen spreken: behalve hun liefde voor de kunst en hun trots over de collectie, willen ook zijzelf beter begrijpen wat hun motieven zijn.

Daarbij gebruiken zij onderzoeker dezes als spiegel, die weergeeft hoe merkwaardig de verhouding tussen de verzamelaar en zijn persoonlijkheid is, en tussen de verzamelaar en zijn collectie. De onderzoeker is dus onderdeel van het psychologische proces geworden dat altijd gaande is bij verzamelaars: zij is de spiegel in het schilderij van Magritte.

Pirandello beschrijft in zijn roman “Iemand, niemand en honderdduizend” een personage dat zichzelf wil betrappen in de spiegel op een onbewuste handeling of mimiek, omdat hij zichzelf wil kunnen zien zoals een ander hem ziet: objectief. Als een voorwerp, een object. Omdat dit niet kan, zijn er verzamelaars. En ik verzamel hun verhalen.

 

De proloog van het onderzoek over collectioneurs van hedendaagse kunst in Nederland verscheen in aflevering 58 van “De Witte Raaf”, dat overigens hoofdzakelijk handelde over het private verzamelen.