Linda Warmoes

DE WITTE RAAF

Editie 63 september-oktober 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

KUNST - Een feuilleton in afleveringen

Aflevering 5: De kunstenaars zijn alweer nieuwe grenzen aan het opzoeken

De meeste details van dit fictieve verhaal zijn vals, bedacht louter voor het plezier, en de huiver, van de schone schijn.

Georges Perec, in: “Un cabinet d’amateur”

 

Wat voorafging

Nadat de “Henry Morton In Memoriam Tentoonstelling” op feestelijke wijze is geopend, breekt er brand uit in Museum Het Einde. Pim Laurijsse arriveert nog net op tijd om in de vlammenzee het paars, oranje en groen van zijn vermiste kunstenaar Cor Poulijn te herkennen. De radeloze galeriehouder wijst Poulijn aan als brandstichter, èn als moordenaar van Morton. Hij is echter niet de enige die de politie een helpende hand toesteekt. In de zaak Fernando krijgen inspecteur Hamer en zijn adjudant Nagel een tip van Annie Poele-Poele. En de aardige Kapitein Iglo wordt in een kwaad daglicht gesteld door Ilse De Scheper…

 

1. Freddy’s video

Het was snikheet in de krap bemeten videoruimte van het politiebureau. Hamer en Nagel bekeken de videotape van Freddy Vandenbossche die ze pas na herhaaldelijk aandringen, en uiteindelijk slechts na bemiddeling van de Provinciale Gedeputeerde, in handen hadden gekregen. De inspecteur en zijn adjudant waren vooral benieuwd of Cor Poulijn de opening van de “Henry Morton In Memoriam Tentoonstelling” in Museum Het Einde had bijgewoond, zoals Pim Laurijsse had beweerd. De galeriehouder kon bij de viewing niet aanwezig zijn omdat hij kort na zijn verklaring finaal door het lint was gegaan en voor onbepaalde tijd was opgenomen in een Oostenrijks sanatorium.

“Wat sneu voor Laurijsse,” peilde Nagel de opinie van zijn overste. “Eigenlijk was het toch heel erg moedig van hem om hier te komen getuigen.”

“Of zijn visioen ook enige werkelijkheidswaarde heeft, moet eerst maar eens bewezen worden,” repliceerde Hamer, die voortdurend van het scherm naar Poulijns robotfoto tuurde en vice versa.

Zijn ondergeschikte had meer oog voor andere dingen. “Zeg chef, al opgemerkt hoeveel dienbladen er in beeld komen?” zei hij grinnikend.

“Beste Nagel, we zitten hier om een glimp, en liefst iets meer, van Cor Poulijn op te vangen, niet om de drankprestaties van het kunstmilieu te taxeren.” Maar kwam het cateringpersoneel breed in beeld, van de verdachte artiest was geen spoor te bekennen.

“Kijk,” vervolgde Hamer, “daar heb je die galeriehoudster van Fernando, hoe heette ze ook alweer? Liesbeth List, precies. Dubbel geluk voor haar dat ze een waterdicht alibi had, want de prijs van een gemiddelde Fernando zal inmiddels ook wel verdrievoudigd zijn.”

“En niet alleen voor haar, chef, want Fernando had nog veel meer galeries!”

“Wat zeg je me nou, Nagel? En het is nog niet in jouw rechercheurshoofd opgekomen om ook die andere galeriehouders eens aan een klein verhoor te onderwerpen? Hoe durf je hier zo doodgemoedereerd naast me te zitten?”

“Stond nog op mijn lijstje… morgen zijn ze de eersten!” riep Nagel gauw, en hij schakelde snel over naar een ander onderwerp: “Kijk eens wie we daar hebben. Olivier Blaeskens met zijn honden! Jammer dat die zwarte in de brand is gebleven. Echt een mooi dier.”

“Het was die witte,” bromde Hamer, die met de beste vriend van de mens een moeizame relatie onderhield. “Wat een farce. ‘Blaeskens ontroostbaar na smartelijk overlijden van hond Laurent’, de kranten stonden er vol van. Trouwens wie voor een beest een ambulance laat uitrukken, is knettergek of heeft geld teveel.”

“Gek is Blaeskens zeker niet,” wierp Nagel tegen, “ik heb kennis met hem gemaakt op de opening en hij leek mij… Wacht eens even, er schiet me iets te binnen. Hij had het over zwendel, en die bracht hij in verband met Hélène Hübschmidsk! Dat is waar ook! Op dat moment zag ik er alleen maar jaloezie onder galeriehouders in, maar gezien de ontwikkelingen kan het misschien geen kwaad om ook dat eens uit te pluizen.”

“Nu de hele handel in vlammen is opgegaan?” vroeg Hamer.

“Maar we hebben wel deze video en de catalogus! We moeten alleen nog iemand vinden die daar iets mee aan kan. Wie, buiten Hübschmidsk zelf, is voldoende vertrouwd met het werk van Morton?”

Hamer streek zich door de haren met zijn rode potlood, waarvan de punt inmiddels de gouden opdruk summmmMummmm tot op de millimeter genaderd was. Hij dacht even na en sprak toen zeer beslist: “Karel Slaghter natuurlijk. Hem moeten we dit materiaal bezorgen.”

“Zullen we dat dan maar meteen doen, chef? Dan kan ook die video uit. Ik word namelijk zeeziek van de cameravoering.”

 

2. Kapitein Iglo regelt een zaak

Pom-pompom-pompom. Bieber-de-bieb. Kapitein Iglo verkeerde andermaal in een opperbest humeur. De SILHO-baas, in een leunstoel gezeten, de beide benen op zijn bureautafel uitgestrekt, bladerde achteloos in zijn favoriete dagblad “De Eerste Wereld Krant”. Hij likte aan zijn rechterwijsvinger en wilde net de laatste pagina voor de beursberichten omslaan, toen zijn oog viel op een foto met rijke contrasten.

“Wel, wel, wel, als dat Debbie Herrie niet is,” mompelde Iglo.

Op de voorgrond, getooid met een bouwvakkershelm, stond inderdaad de glunderende bovenmeester van Het Einde, terwijl achter hem een aantal bulldozers de laatste restanten van het museum bij elkaar veegden. In het bijgaande artikel sprak Herrie van “een afschuwelijke ramp voor de kunstwereld” en kondigde hij aan dat “de bouw van Het Nieuwe Einde helaas het enige was dat hem te doen stond”. Iglo keek nog eens naar Herrie’s beeltenis, en sloeg aan het mijmeren. Als het SILHO nu eens tot op de grond afbrandde, wat zou hèm dan te doen staan? Een Nieuw SILHO? Ach welnee, er zou niets anders op zitten dan dit volmaakte kunstpaleis van onder tot boven weer in oude staat op te bouwen! Iglo beantwoordde Herrie’s brede glimlach met een triomfantelijke vuistslag. Toen hij zijn hand ophief, merkte hij dat daarbij een vlieg het leven had gelaten, pal op het oog van een vervaarlijk uitziend figuur. Het was een robotfoto… van Cor Poulijn! “Gezocht: de vermoedelijke moordenaar van Henry Morton. Beloning voor de tip die leidt tot de aanhouding van de dader: Bfr. 200.000 Inlichtingen: 0800/007. Anonimiteit gewaarborgd.”

Een immense grijns verscheen op het gelaat van de Kapitein. Hij nam de telefoon en wilde een nummer indrukken, maar bedacht zich en sloop naar de deur van zijn kantoor. Niemand op de gang, goed, want luistervinken kon hij nu even missen als kiespijn. Dat personeel van hem, dat was voor geen haar te vertrouwen! Hij deed de deur op slot zodat hij in alle rust zijn telefoontje kon plegen.

“Galerie Hélène Hübschmidsk,” klonk er aan de andere kant van de lijn.

“Émilie, met Iglo, is Hélène daar?”

Een paar seconden later had hij haar aan de lijn.

“Moet je luisteren, Hélène, zit ik hier aandachtig “De Eerste Wereld Krant” te lezen en zie ik een robotfoto van Cor Poulijn. Die schijnt te worden gezocht als moordenaar van Henry Morton. Beloning: 200.000 Belgische franken! Hé, dacht ik, daar kom ik voor in aanmerking! Want zeg nu zelf, ik heb een paar tips die het onderzoek aardig vooruit kunnen helpen, nietwaar?”

Aan de andere kant bleef het ijzig stil.

“Of vind je, Hélène, dat ik die tips beter voor mezelf houd? Maar ik zit zo krap bij kas!”

“Je pensais… wij hadden toch al een financial agreement? Nicht?”

De Kapitein veranderde van toon. “Luister Hübschmidsk, ik wil het dubbele van wat zij bieden. Dat is de wet van de vrije markt. Daar kan jij toch onmogelijk tegen zijn? Ik geef je bedenktijd tot morgen. Salut.”

Iglo rekte en strekte zich als een tevreden kater. Hoe laat was het? Nog maar half elf. Wat zou hij nu eens gaan doen? Had hij al niet genoeg gedaan vandaag? Hij nam zijn jasje en liep fluitend zijn kantoor uit, op zoek naar een terrasje in de nazomerzon.

Maar nauwelijks had hij zijn kont gekeerd, of een deur verder floepte een gemene tronie te voorschijn. Ilse De Scheper. “Hübschmidsk,” dit keer had ze het goed gehoord. Even inspecteur Hamer bellen…

 

3. Nagel en IJzel

Het was bijna vijf uur in de middag toen Nagel een parkeerplaats vond, recht tegenover het adres op een hoofdstedelijke gracht waar hij zijn moest. Al vier galeries die werk van Fernando aanboden, had hij bezocht. In de moordzaak was hij geen stap opgeschoten, maar hem was wel duidelijk geworden dat de handel in Fernando’s na de moord zo mogelijk op een nog lager pitje stond dan voorheen. Met een diepe zucht stapte hij de galerie van Nora IJzel binnen. Mevrouw was zelf aanwezig. Quasi routineus peilde Nagel naar de vraag en het aanbod.

“Wat Fernando betreft? Oh, ik heb zijn werk voorlopig helemaal uit de handel genomen. Ik vond dat ik dat stukje piëteit aan hem verplicht was.”

“Heel nobel van u, mevrouw. Maar zeg eens, hebt u weet van iets dat de oplossing dichterbij zou kunnen brengen?”

“Geen idee. Alhoewel… nadat ik Fernando voor het laatst had gesproken, twee dagen voor zijn dood, heb ik hem samen met een mij onbekend heerschap in zijn zwarte Mercedes zien stappen.”

“Hoe zag die persoon eruit?”

“Nou eh, gewone lengte, halflang sluik haar, beetje schuine ogen, hoog voorhoofd, forse kin, geen bril… en een zwart leren jack.”

“En waar stond die Mercedes?”

“Hier pal voor de deur.”

Nagel vlooide zoveel mogelijk naar details totdat IJzel zei dat ze niets meer toe te voegen had. De rechercheur bedankte de galeriste en liep welgemutst terug naar zijn auto. Blij dat hij op de valreep nog iets in de wacht had gesleept, en niet met lege handen bij Hamer hoefde aan te komen! Zwierig stapte hij in, maar nog voor hij het portier dichtsloeg, wipte hij alweer uit zijn Clio en rende hij terug naar IJzels galerie. Nauwelijks had hij, nog zwaar nahijgend,  de robotfoto van Cor Poulijn aan de galeriste getoond of ze bevestigde hem in zijn vermoeden: “Ja, dat is hem, dat is de man met wie ik Fernando het laatst zag.”

 

4. Dirty Laundry

Voor de deur van De Peer was het nog nooit zo druk geweest. Normaal was het kunstencentrum een kleur- en geurloos gebouw, waar geen argeloze bezoeker zomaar binnen zou stappen. En nu ineens, na de even mysterieuze als plotselinge aankondiging van een persconferentie, was het wereldberoemd in de kunstprovincie! Journalisten, fotografen en cameralieden, en zo nog het een en ander, verzamelden zich voor de gesloten deuren en stonden er alvast flink tegenaan te drummen. Tussen het aandringende persvolk bevond zich een groot aantal voor de trouwe lezers van kunstpagina’s bekende namen. Daar stond, met uitgestoken nek, de kleine Piet Overzet van “Het Gepeupel” in gezelschap van Pinnie Weis en Selma Flintstöne. Meestal moesten de meisjes het werk alleen opknappen, maar vandaag had hij er zelf nog eens zin in. Vanessa Zegers van de “Nouveaux Riches Courant” zat zo strak in het pak dat ze nauwelijks lucht kon happen. Even verderop stond Tukker Tulp, van dagblad “Heel Fideel”, van het ene been op het andere te wippen, niet ver van Charlotte Schraap en Albert Wendbaar, beiden van het kunsttijdschrift “Gloriamus T”. Allemaal stonden ze op scherp. O, daar was ook Bert Middendorp, wiens journalistieke libido misschien wel de hoogste toppen scheerde, aangezien hij het onderwerp van vandaag, de combinatie van kunst en criminaliteit, tot zijn specialiteit had gemaakt.

Ha, eindelijk gingen de deuren van De Peer open, en als een flinke straal op een bronstige lentedag, zo schoot de mediamassa naar binnen. Toen iedereen al lang en breed in het gebouw was verdwenen, kwamen om de hoek van de straat in allerijl nog drie figuren aanspurten. Het waren Erwin De Gucht, Fik Buyck en Janssen & Janssens. De oude Toyota van De Gucht was weer eens met veel gesputter stilgevallen, zodat er niets anders op zat dan de trein te nemen. Wat een pak van hun hart dat de deur nog open stond! In hun verwarring liepen zij eerst nog voorbij aan de bordjes Persconferentie Dirty Laundry, that way, maar uiteindelijk arriveerden zij toch nog precies op het moment dat de directeur van De Peer, Hendrikje Struik, het woord nam.

“Ik kan zeer kort zijn. De tentoonstelling ‘Dirty Laundry’ is gemaakt onder de volledige verantwoordelijkheid van de curatoren die dit jaar ons curatorenklasje met goed gevolg hebben doorlopen. Stichting De Peer heeft hun vooraf, na rijp beraad, carte blanche gegeven, en wij zien geen enkele reden om die kaart nu, achteraf, alsnog in te trekken. De twee uitgevoerde werken hebben onze volledige instemming, en dus óók het in brand steken van Museum Het Einde. De kunstenaars in kwestie, Jes Brinch, Hendrik Plenge Jakobsen en Maurizio Cattelan, hebben met dit werk natuurlijk een grens overschreden, daarvan zijn we ons bewust, maar wij zijn daar ook zeer gelukkig mee. Want kom er maar eens om! In ons tijdperk is in de kunst niets zo hondsmoeilijk gebleken als het overschrijden, ik bedoel het werkelijk doorbreken van grenzen. Bovendien zijn wij ervan overtuigd dat, wanneer de consternatie over de illegaliteit van het werk enigszins zal zijn geluwd, de kunstwereld opgelucht adem zal halen. Zij zal inzien dat ‘Dirty Laundry’ een machtig bolwerk van provincialistische, ja oerconservatieve burgers, industriëlen en magistraten heeft verslagen, als een slimme David tegenover een sterke Goliath. Daarom geef ik nu graag het woord aan de drie hier aanwezige curatoren, die uw vragen zullen beantwoorden. Links van mij zit Silvio uit Italië, daarnaast Ulrike uit Duitsland en rechts van mij Nick uit Singapore. Wie mag ik het woord geven?”

Meteen staken minstens tien journalisten hun hand op.

“Pinnie?”

“Waarom zijn wel de curatoren hier vandaag aanwezig, maar niet de kunstenaars?” Pinnie Weiss had de vraag ingefluisterd gekregen van Overzet.

Ulrike: “De kunstenaars hadden verplichtingen elders, zij zijn alweer nieuwe grenzen aan het opzoeken. Maar wij zijn heel goed in staat namens hen te spreken.”

“Volgende vraag,” zei Hendrikje. “Vanessa?”

“Hoe is het plan voor de brand tot stand gekomen? Hebben de kunstenaars het geopperd en de curatoren het goedgekeurd?”

Nick: “Inderdaad, Vanessa, zo is het gegaan. Wij hebben wel de voorwaarde gesteld dat er bij de brand geen mensen mochten omkomen. Daar hebben wij wel heel lang over moeten vergaderen, want Ulrike met name wilde aanvankelijk niet kijken op een paar mensenlevens. Maar uiteindelijk hebben wij toch besloten dat er deze keer nog geen doden mochten vallen.”

“U bent?” vroeg Hendrikje aan de eigenaar van een klein vingertje dat al geruime tijd moeite deed op te stijgen.

“Janssen…,” zei een Vlaams stemmetje, “… & Janssens. U sprak van twee uitgevoerde werken. Maar ik weet alleen van die brand.”

“Het tweede werk bevindt zich hier in De Peer,” antwoordde Hendrikje zelf, “daar bent u daarstraks aan voorbijgelopen. Het is de zaal met aan de wand alle ooit verschenen publikaties over de zaak Henry Morton.”

Nu vroeg Bert Middendorp het woord. “Als ik het goed begrijp, beschouwt u het aansteken van de brand als kunst, en wel puur omdat het kunstenaars waren die het gedaan hebben. Zoals het plaatsen van een pispot in een museum loodgieterswerk is, behalve wanneer het gedaan wordt door een kunstenaar. Door dat tweede werk aan de affaire Morton te wijden, suggereert u iets vergelijkbaars, en mijn vraag is of die kunstenaars dat ook bedoelen te zeggen: dat die moord, als die is uitgevoerd door een kunstenaar, geen moord is maar een kunstwerk?”

Hendrikje en de curatoren keken elkaar aan alsof ze het in Keulen hoorden donderen. Niemand wist wat er geantwoord moest worden, en het viertal haalde dan ook opgelucht adem toen er in de zaal een jonge kunsthistorica opstond die de kastanjes voor hen uit het vuur haalde.

“Volgens mij wil ‘Dirty Laundry’ aantonen,” zei Lutje Windvaan, “dat in ieder mens een beest schuilt. Heeft u toevallig ‘Lord of the Flies’ gelezen, van William Golding? In dat boek verandert een groep uiterst beschaafde kostschooljongens, die op een onbewoond eiland is gestrand, na verloop van tijd in een stelletje wilde beesten. De kunstenaars van ‘Dirty Laundry’ hebben die boodschap naar de nineties vertaald. Ze hebben namelijk de moed gehad om het wilde beest in zichzelf op te zoeken en het de vrije teugel te geven! Dat was de enige manier om de knellende banden van de kunst, die nog steeds ontzettend onderdrukkend zijn, voorgoed uit de weg te ruimen.”

In de zaal ontstond geroezemoes. Kennelijk was lang niet iedereen het eens met deze gewaagde stelling. Maar het werd weer stil toen Tukker Tulp zich meldde voor een vraag.

“Ik heb gehoord,” zei hij op hoge toon, “dat er voor ‘Dirty Laundry’ nog een derde werk was voorgesteld door de kunstenaars. Waar bestond dat uit?”

“Dat was ook een heel goed werk,” sprak Silvio, “en bijzonder grensoverschrijdend ook.”

“Waarom is het dan niet uitgevoerd?” wilde Tulp weten.

“Dat kunt u beter aan de directeur van De Peer vragen,” zei de Italiaan met een glimlach.

Alle blikken gingen meteen naar Hendrikje.

“Het is misschien niet… niet echt… het moment… om daarop in te gaan…,” stamelde zij.

Uit de zaal steeg een verontwaardigd gemompel. Hendrikje kleurde hevig rood en begon zich met de handen wat koelte toe te waaien. Er werd luid om opheldering geschreeuwd. De arme vrouw besefte dat alles alleen maar erger zou worden als zij nu geen opheldering gaf.

“Nou ja… de kunstenaars deden het voorstel…,” piepte zij benauwd, “om hier in De Peer een café in te richten waar gratis bier zou worden geschonken… ik zou dan, zeg maar, de rol van gastvrouw op mij nemen…”

Tulp: “Gastvrouw dus. En hoever moest uw gastvrijheid precies gaan? Tamelijk ver, meen ik begrepen te hebben!”

Hendrikje: “Ik euh… tja… zou dan eigenlijk… helemaal ontkleed zeg maar… op de bar plaatsnemen… en euh…”

Tulp: “Ja?”

Hendrikje: “Nou ja… door de kunstenaars… door de curatoren… door het technisch personeel van De Peer… en door een speciaal voor de gelegenheid hiernaartoe gehaalde bus Feyenoordsupporters… één voor één genomen worden, zeg maar…  de gebruikte rubbertjes… want het was wel allemaal safe hoor, daar niet van…  zouden dan allemaal worden opgehangen aan een waslijn die het hele gebouw zou doorkruisen… Een goed idee, echt waar… grensoverschrijdend…  maar persoonlijk vond ik het toch wel een beetje… moeilijk…”

“Burgertrut!” riep iemand, tot grote hilariteit van iedereen, en Hendrikje kromp als een slak in elkaar.

“Ja maar,” probeerde ze nog, “ik heb ook last van m’n stuitje, en dat zou natuurlijk…,” maar haar verklaring ging verloren in een heftig, alsmaar aanzwellend kabaal. Ontredderd draaide Hendrikje zich naar Ulrike, om met tranen in haar ogen te vragen: “Wat denk je? Heb ik nou gefaald?”

Het tumult verstomde abrupt toen in de deuropening een politieagent verscheen, gevolgd door een tweede politieagent en een derde. De dienders stootten bedaard doch beslist door de overvolle zaal naar voren en grepen met z’n tweeën de drie curatoren bij hun lurven, terwijl de derde de polsen van Silvio, Nick en Ulrike in de boeien sloeg. Zonder één woord uit te brengen, verlieten de politiemannen de zaal weer langs dezelfde weg, daarbij de arrestanten met groot overwicht voor zich uitdrijvend. De mediamassa zag de nieuwste ontwikkelingen deels verbaasd, deels geamuseerd aan, en dat nam alleen maar toe, toen Lutje Windvaan gilde: “Hendrikje, doe dan wat!”

“Ik doe helemaal niks!” riep Hendrikje terug. “Dit hoort er ook bij hoor! Ik heb ze van tevoren luid en duidelijk gezegd: als er stennis van komt, als jullie de nor in gaan, dan zullen we ook dat, onverbiddelijk, voor kunst moeten laten doorgaan! Dus waarom zou ik nu… nee hoor… niks daarvan!”

 

5. De Grote Chef doceert

Genoeglijker avonden dan deze kon de Grote Chef zich nauwelijks voorstellen. Gezellig bij hem thuis een beetje ouwehoeren over de stand van de kunst, en petit comité met de jonge honden van de volgende generatie. Tegenover hem, in een grijze tweezitsbank, zat het kettingrokende paar Niek Bosboom en Leonie Vriezeveld, respectievelijk directeur van Het Klooster en filiaalhoudster van Het Kantoor, de dependance van het SumMum. En op de bijbehorende grijze driezitsbank hadden, als drie kleine kleuters op een hek, de kunstenaars Bob Ibiza, Barend Pluim en Martin Schepenen zich genesteld. Allemaal mochten ze ‘jij’ zeggen tegen hun gastheer, die de hele avond al sprekend van de ene kamerhoek naar de andere dribbelde.

“Jullie weten er wel weg mee, jongens!” onderbrak de Grote Chef zijn eigen betoog, “net ingeschonken en nu alweer droog! Maar het is dan ook een goddelijke Veronese wijn, die Soave, vooral als hij, net als jullie, nog tamelijk jong is! Daar maken we dus graag een nieuw flesje van open. Voor straks heb ik ook nog een overheerlijke Inferno uit Lombardije klaarliggen!”

Geroutineerd ontkurkte hij de nieuwe fles en vulde de glazen bij.

“Waar waren we gebleven? O ja, de Bildungsauftrag! Ik zeg altijd, het museum is een school, dat wil zeggen een educatief èn correctief instituut. Mijn collega’s begrijpen dat geen van allen, want wat doen ze? Voortdurend op hun knieën naar het publiek toe kruipen, en het voorspiegelen dat kunst lang niet zo moeilijk is als het lijkt! Gelul natuurlijk…” (op de driezitter werd onderdrukt gegiecheld) “…want kunst is juist oneindig veel moeilijker dan het lijkt! Het is een ‘imagined thing’, zoals de dichter Seamus Heaney het heeft uitgedrukt, waarvan ‘the coordinates correspond to and allow us to contemplate the complex burden of our own experience’. De spijker op z’n kop! Behalve natuurlijk voor degenen die helemaal geen ‘experience’ hébben, laat staan dat ze die als een ‘complex burden’ zouden ervaren. Nou weet ik wel, die mensen zijn er natuurlijk bij bosjes, en ik wil daar ook beslist niet laatdunkend over doen, maar toch…”

“Iedereen heeft experience,” wierp Bob Ibiza tegen. “Het is onmogelijk om in deze tijd te leven en géén experience te hebben.”

“En wat voor een experience!” sloeg de Grote Chef meteen terug. “Allemaal ervaringen die tot stand zijn gekomen in die onafgebroken kakofonie van beelden en geluiden, die overmaat aan akoestische en visuele vervuiling van tegenwoordig! Vanochtend bijvoorbeeld liep ik van huis naar het museum en mijn oren werden geteisterd door een snerpend, zeurderig geluid. De zon scheen, eigenlijk had ik het twinkeleren van vogels in de bomen moeten horen en vrolijke stemmen van spelende kinderen. Maar er was alleen het irritante lawaai van zware, moderne machines waarmee schilders oude verf van kozijnen aan het verwijderen waren. Hoe anders ging dat in mijn tijd! Toen ik klein was, werd verf afgebrand met een blauwe vlam uit een glimmend koperen apparaat dat de schilder als een pistool in zijn hand had. Het maakte een zacht sissend geluid en die hete schrompelende verf rook ook lekker…”

De vijf gasten namen nog een slok, staken nog een saffie op en keken elkaar geamuseerd aan. Dat hadden ze toch maar mooi uit zijn eigen mond vernomen: dat het uiteindelijk de huisschilders waren geweest die de Grote Chef de geur van verf hadden bijgebracht!

“Maar als je het museum ziet als een school,” hernam Niek Bosboom, “wat moet de mensen in die school dan worden aangeleerd?”

“Vooral geen diepte-analyses,” antwoordde de Grote Chef vaderlijk. “Dat stoot maar af, en bovendien, diepte-analyses van hun werk maken, dat kunnen de meeste kunstenaars zelf niet eens! Ik las eens een interview met een Amerikaanse dichter over de geheime bedoelingen van zijn poëzie, een zeer moeizaam gesprek. Tot ze bij toeval kwamen te spreken over vulpennen, papier en potloden. Toen het over schrijfgerei ging, nam het vraaggesprek een zeldzaam hoge vlucht. Ik bedoel maar: als je een voetballer als Kluivert vraagt hoe hij gespeeld heeft, hoor je niet veel bijzonders. Je moet hem vragen wat een mooi shirt is, welk shirt zelfvertrouwen geeft, of dat effen of juist veelkleurig is. Je moet hem vragen welke schoenen het lekkerst zitten en dan met welk soort kousen, wol of katoen of misschien wel dikke zijde. Is een bepaald soort schoen beter op een nat of droog veld? Trouwens, over schoenen gesproken, daar denk ik nu ineens aan, ik moet jullie nog wat laten zien. Een ogenblikje.”

De Grote Chef ging de kamer uit, en alsof zij een grote achterstand hadden in te halen, begonnen de vijf gasten allemaal tegelijk te praten. Een minuut later keerde de SumMum-directeur weer terug, met in zijn hand een rechter herenschoen.

“Van Henry Morton! En omdat nu niet alleen hijzelf dood is maar bovendien zijn hele oeuvre verbrand, heb ik het plan opgevat om deze schoen te laten vergulden en op een fraaie sokkel tentoon te stellen. Wat vinden jullie ervan?”

“Een briljant idee!” kraaide Leonie Vriezeveld.

“Dacht ik ook wel ja,” bromde de Grote Chef. “Zullen wij daarop dan maar eens een goed glas Inferno heffen?”

 

6. Zeer Geëerde Heer Hamer

“Hartelijk groeten wil ik u in de eerste plaats en u danken voor de bijzondere opdracht waarmee u mij bedacht hebt. Met zeer veel aandacht en toewijding heb ik de mij ter beschikking gestelde documenten onderzocht. Maar vooraleer ik u mijn voorlopige conclusies mededeel, kan ik niet nalaten de uitzonderlijke eigenschappen van de kunstenaar, en ja, ook de mens Henry Morton nogmaals te memoreren. Geachte Inspecteur, sta me toe u een persoonlijke herinnering, die me tijdens mijn werkzaamheden voortdurend door het hoofd heeft gespookt, toe te vertrouwen.

We schrijven 10 mei van het jaar ’68. Ik heb zonet kennis gemaakt met de beloftevolle kunstenaar Henry Morton. Parijs staat op zijn kop, in Brussel is de bezetting van het Paleis voor Schone Kunsten volop gaande. (Tussen haakjes: de getrapte metalen constructie in de hall van het PSK, één van de weinige tastbare herinneringen van die periode, hoe monsterachtig ook, is zopas gedemonteerd en naast de ijzeren gebinten van Horta’s Volkshuis, op een vuilnisbelt, gedeponeerd. De restauratie, Beste Inspecteur, waart als een tropische orkaan over onze contreien!)

Dus Morton, de aankomende kunstenaar, barstend van ideeën en projecten, en ik, armlastig student in de kunstgeschiedenis, ontmoeten elkaar. Een driftig en ernstig gesprek, ik herinner me het nog zeer goed, waarin Morton de verdediging op zich neemt van de exclusieve voorkeur van Mondriaan voor blauw, rood en geel - in die volgorde, want ook dat was Henry, geen opsomming zonder regels. ‘Innerlijk zien we anders dan visueel, maar het innerlijk zien is niet altoos bewust,’ ik hoor Morton zijn grote voorganger nog citeren. Die kameraad, waarmee ik sinds die onvergetelijke avond en nacht ben blijven discussiëren en corresponderen, hoe stelt u zich voor dat ik diens afwezigheid ooit te boven zal komen?

Nogmaals wil ik u danken, Inspecteur, voor het vertrouwen in mijn deskundigheid op het terrein van het werk van mijn vriend. Maar beseft u welke afschuwelijke rillingen zich van mij meester gemaakt hebben toen ik het nieuws vernam dat zijn volledige oeuvre in vlammen is opgegaan? In al die bange dagen hebben enkel de uitvoerige gesprekken met mijn jonge vriendin me kunnen sterken. Nauwelijks van deze grote schok bekomen, werd ik getroffen door andere, nieuwe, heftige gevoelens die het gevolg zijn van uw vraag. Uit een eerste voorlopige studie, waarvan ik u de resultaten toevertrouw, geheel tegen mijn rigoureuze natuur in, en enkel omwille van de hoogdringendheid van de zaak, blijkt dat van een groot deel van de in de catalogus van Museum Het Einde vermelde werken uit het laatste jaar zeer sterk betwijfeld moet worden of Henry Morton wel de auteur is. Van alle werken van Henry - tot een week voor zijn tragisch overlijden - beschik ik over fotomateriaal of zeer gedetailleerde beschrijvingen. De catalogusnrs. 247 tot 269 zijn echter niet in mijn archief gerepertorieerd. De betreffende werken passen haast perfect binnen de laatste artistieke démarches van Henry Morton, maar de conclusie moet luiden dat het (meesterlijke) vervalsingen zijn. Ziehier mijn eerste, voorlopige expertise, die me tegelijk gelukkig, ongelukkig en bang heeft gemaakt.

Hopend u hiermee van dienst te zijn geweest bij het onderzoek van deze dramatische zaak, en verschuldiging vragend voor mijn ontoelaatbare persoonlijke bedenkingen in de marge, verzoek ik u kennis te nemen van mijn hoogachting. Karel Slaghter.”

 

7. Artefact&Factuur/Artefact&Facture

In het lokaal van “Artefact&Factuur” zaten enkele redactieleden vol spanning te wachten op het jongste nummer van hun veelgeprezen cultuurtijdschrift. Financiële tekorten hadden het blad al zo vaak in z’n bestaan bedreigd, dat hoofdredacteur Fons Blunders inmiddels behoorlijk bedreven was geraakt in  het zoeken naar vers geld. Dit keer was het failliet voornamelijk afgewend door een liaison met de Regie voor Cultuurreclame, een organisatie die vrijkaartjes aan bedrijven sleet in ruil voor extra centen. Dubbele winst, die joint venture, want het leverde niet alleen meer cash op, maar ook meer inhoud. Vanaf nu ging “A&F” immers ook berichten over de keiharde maar boeiende branche van het cultuurmanagement. Het resterende tekort werd verholpen door een bijzondere afspraak met het Franstalige zusterblad “Arte-fact&Facture”: naast hetzelfde redactielokaal zouden beide periodieken voortaan ook dezelfde foto’s en opmaak gebruiken, dat scheelde heel wat in fotolab- en lay-outkosten!

Samen met enkele jongens van zijn dreamteam, zoals hij zijn redactie noemde, wachtte Blunders gespannen op het resultaat. God, wat zat hij op hete kolen. Hij had er vanmiddag al zeker drie liter Darjeeling doorgejaagd!

Op de gang klonk heftig gestommel.

De aanwezigen veerden overeind. Eindelijk, daar was Gert Uitdeboot, de co-hoofdredacteur, die een loodzware kartonnen doos de kamer binnensjouwde en met veel moeite op de tafel placeerde. In de gewijde sfeer die ontstond, leek het vanzelfsprekend dat Blunders, en niemand anders, de plakband van de kartonnen flappen zou trekken om aldus het geheim te ontsluieren.

Kraaaaatssjjjj.

Voorzichtig nam de hoofdredacteur een exemplaar uit de doos en legde het op tafel. Stilte.

Piet Knotwilg, de man van de poëzie, brak het ijs.

“Amai Fons, het blinkt nogal.”

“Jaja,” knikte Blunders, “het heeft aura.”

Weer stilte.

“Vind je het formaat niet aan de grote kant? Ze kunnen niet meer in de enveloppen,” bemerkte Noedel Lasagne, een kabouterig figuur met een theaterrubriek.

“Vanaf nu zien we de kunst nog grootser!” was het overtuigende antwoord. “Ze kunnen nu niet meer doen alsof ze ons niet gezien hebben. We spríngen gewoon uit de rekken!”

Daar was iedereen het roerend mee eens.

“Daarenboven,” knipoogde Fons, “we mogen dan al van vorm veranderd zijn, fundamenteel blijft alles hetzelfde.”

Hij sloeg de cover om, klaar om een groot raadsel te ontcijferen.

“Bezie die inhoudstafel maar eens. Pure klasse! Dat heb ik allemaal aan jullie te danken, kampioenen! Maar ook een beetje aan mezelf, natuurlijk.”

Pas nu trad er enige ontspanning op in het gezelschap. Als een tevreden schoolmeester bladerde Fons in het nummer en hield halt bij iedere bijdrage om de auteur ervan met lof te overladen. Binnen de kortste keren zat het lokaal vol glimmende borsten. Behalve Floris Fjordendael, die pissig voor zich uit keek.

“Wat scheelt er, jongen?”

Floris trok een pruillip. “Waar is mijn satirische column gebleven?”

Het pseudoniem waaronder hij zijn stukjes pleegde, was inderdaad niet terug te vinden in de inhoudsopgave. Blunders harkte even in zijn baardje voor hij nader inging op deze netelige kwestie.

“Je moet begrijpen,” sprak hij op verheven toon, “dat de Regie niet over één nacht ijs is gegaan in zijn beslissing met ons samen te werken. Alvorens tot een besluit te komen, heeft de Regie eerst uitvoerig gepeild naar de mening van het bedrijfsleven en het publiek. En het mag gezegd, wij scoorden verbluffend goed! Alleen jouw column, Floris, die viel om een of andere reden minder in de smaak.”

“Maar zo scherp was die column toch ook weer niet?” mokte Floris.

“Dat is het ‘m juist,” sprak Blunders nu diplomatiek. “Jouw rubriek werd eerder… nou ja… een beetje te flauw bevonden…”

Sam Bami mengde zich nu in het gesprek. Onder de naam Frank Lissens had ook hij een spotpagina, maar dan in “ROTZOO”, een razend populair en onafhankelijk radio- en T.V.-blad. “Een serieus tijdschrift als ‘A&F’ heeft toch helemaal geen satire nodig! Dat hoort thuis in pulpbladen! Die hebben er ook een aardige stuiver voor over, hoe zou ik anders het betere werk aan Fons kunnen aanbieden?”

Hierop kon Blunders makkelijk inhaken: “Zo is het toch, Floris, voor jouw ernstige beschouwingen houden wij toch altijd een plekje vrij? Jouw stuk over… wat was het ook weer… over schilderkunst, dat was meesterlijk! Alleen al die titel, ‘Met verf en verve’, geniaal, Floris, ‘n geniale vondst!”

En kijk, Fjordendael kon weer lachen. En iedereen lachtte mee. Bij “A&F” zat de sfeer weer snor. Eind goed, al goed.

 

8. Alle wegen leiden naar Hübschmidsk

In de verhoorkamer, op de stoel waar al ontelbare zware jongens door de knieën waren gegaan, zat Hélène Hübschmidsk met grote bange ogen te wachten op wat ging komen. Met diepe halen trok ze de ene dure sigaret na de andere tot as. Tegenover haar zat inspecteur Hamer aandachtig wat notities door te nemen en met een potloodje links en rechts nog wat aan te stippen. De besnorde politieman naast de deur gaf geen krimp. Uiteindelijk keek de inspecteur de frêle dame in het gezicht, streng doch niet onvriendelijk: “Mevrouw Hübschmidsk,” begon hij, “er zijn ernstige aanwijzigingen dat verscheidene werken op de ‘Henry Morton In Memorial Tentoonstelling’  vervalsingen waren. Met name de werken die u zo welwillend in bruikleen hebt gegeven.”

De galeriste trok een verwonderd gezicht.

“Kent u Karel Slaghter? Die hield jaren een inventaris bij van Morton,” ging hij verder. “Tweeëntwintig van de tentoongestelde werken komen daar niet in voor.”

“Ach so. V… v… very merkwürdig,” stotterde ze.

“Ik zal er niet langer omheen draaien, u wordt beschuldigd van vervalsing van goederen en van de bedrieglijke verkoop van die goederen.”

Hamer leunde achterover in zijn stoel. Hij had het gevoel dat het hier niet lang ging duren, hoewel de verdachte voorlopig nog zweeg in alle talen.

“U kunt natuurlijk ontkennen, maar dat lijkt mij niet verstandig. Een eenvoudige labo-test van de restanten wijst precies uit wanneer de werken gemaakt zijn. Of we doorzoeken uw depot. Onvermijdelijk zullen we daar de nodige bewijzen vinden.”

De galeriste trok krijtwit weg. Het leek of ze iets wilde zeggen, maar het kwam er gewoonweg niet uit. Tijd, vond Hamer, om de pil wat te vergulden: “En bovendien, een bekentenis verlost u meteen van de chantage waarvan u het slachtoffer bent. We weten namelijk dat Kapitein Iglo u met de vervalsingen  afperst…”

Dat had evenwel een averechts effect: in plaats van te kalmeren begon Hübschmidsk driftig op en neer te wippen. Toen Hamer haar ook nog eens zei dat in de kamer ernaast, de Kapitein door Nagel aan de tand werd gevoeld, verloor ze alle kalmte en veerde ze van haar stoel op. Recht in de armen van de snor.

“Mais ‘t is niet waar! C’est pas vrai!” griende ze zachtjes, toen de snor haar weer op haar stoel had gezet.

Hamer begreep het niet goed. Hij kreeg het stilaan op z’n heupen. “Luister mevrouw, het is niet fraai wat u gedaan heeft, maar een halsmisdaad is het niet. Als u nu bekent, dan doe ik een goed woordje voor u. Dan komt u er met een fikse geldboete van af.”

In de stilte die volgde, besloot Hélène Hübschmidsk te bekennen dat ze sinds enkele maanden en op grote schaal werken van Henry Morton vervalst had. En hoewel ze God al jaren geleden uit haar leven had gebannen, richtte zij zich nu toch tot Hem met een schietgebedje: “Please laat dat rund van een Iglo mijn Erklärung niet wiederspreken”.

 

wordt vervolgd