Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 63 september-oktober 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Daniel Buren

Sedert bijna dertig jaar is Daniel Buren bezig het ‘kader’ van de beeldende kunst te tonen. Evenals Hans Haacke en Marcel Broodthaers begon hij in de late jaren ’60 de context van de beeldende kunst onder de loep te nemen. Volgens Buren is het museum een instituut waarmee de burgerij kunstwerken van hun oorsprong vervreemdt, om ze in een fictief museaal discours onschadelijk te kunnen maken. Buren koos voor een streepjesmotief als meest ‘neutraal’, on-kunstig middel om de aandacht op de museale of andersoortige kunstcontext te richten. In de nieuwe installatie “Erscheinen - Scheinen - Verschwinden”, die Buren voor de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen heeft geconcipieerd, zijn de vertrouwde strepen bijna verdrongen ten koste van spiegels en grote kleurvlakken. Buren plaatste een rij van acht kubusvormige hokjes in de zeer grote tentoonstellingszaal van het museum; de kubussen staan 45 graden gedraaid ten opzichte van de as waarop ze staan. Van binnen zijn ze elk in een andere felle kleur beschilderd, van buiten zijn ze met spiegels bekleed. De bovenkant is open. In elke muur zit een doorgang; de aldus ‘uitgespaarde’ stukken muur staan op enige afstand voor de opening. De doorgangen vormen twee lange ‘enfilades’, die schijnbaar oneindig zijn - aan de uiteinden staan namelijk twee ‘halve’ kubussen met een achterwand van spiegels. Ook aan het plafond hangen spiegels, die de kijker, staande in een van de kubussen, in staat stellen van boven een blik in het belendende hokje te werpen. En zie, de richel boven de wanden wordt aan de bovenkant gesierd met het vertrouwde strepenpatroon. Burens minimale ‘nul-compositie’ heeft echter grotendeels plaats gemaakt voor een barokke retoriek van spiegel- en kleureffecten. Als “Erscheinen - Scheinen - Verschwinden” iets over het museale kader te melden heeft, dan is het wel dat musea zelfreflexieve spiegelpaleizen zijn, waarin objecten in wezen kunnen worden gemist en waarin de leegte heerst. Die enigszins naargeestige indruk wordt door de vrolijke kleurtjes nauwelijks gecompenseerd. Tot 27 oktober in de Kunst-sammlung Nordrhein-Westfalen, Grabbeplatz 5, 40213 Düsseldorf (0211/8381-0).