Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 63 september-oktober 1996

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jeff Koons

Thomas Zaunschirm, hoogleraar aan de Universiteit van Essen, is een van de meest toegewijde Duchamp-vorsers van het Duitse taalgebied. Nu heeft hij zich op een onderzoeksobject gestort dat tegenwoordig heel wat minder en vogue is: Jeff Koons, die sinds een aantal jaren in progressieve kunstkringen zowat als de baarlijke duivel geldt - de personificatie van alles wat er niet deugde aan de kunst van de jaren ’80. Een interview van Andrew Renton met Koons uit 1990 is de leidraad in zijn boekje “Kunst als Sündenfal. Die Tabuverletzungen des Jeff Koons”, waarin het “Made in heaven”-werk centraal staat. Ook Zaunschirm kan natuurlijk zijn verbazing over het Koonsiaanse jargon niet helemaal onderdrukken, dat immers nog het meest aan dat van een Amerikaanse TV-dominee onder invloed van geestverruimende middelen doet denken. Koons over zichzelf en zijn toenmalige echtgenote Cicciolina: “We are at one. We are one. We are Adam and Eve after the fall.” De religieuze metaforiek, Koons’ beschouwingen over communicatie en seksualiteit: Zaunschirm kijkt terecht door het bizarre (maar voor de liefhebber ook wel hilarische) taalgebruik heen en neemt Koons’ statements au serieux - hij constateert namelijk dat er van een echte analyse van Koons’ werk en met name van de eraan ten grondslag liggende ideëen nog nauwelijks sprake is geweest. De ambitie van Koons met “Made in heaven”, maar ook reeds met eerder werk, was om het publiek te emanciperen door aan diens desires toe te geven. Koons vervulde bij wijze van voorbeeld zijn eigen verlangens met Cicciolina, en volgens hem was dat allesbehalve pornografie - pornografie is immers uit op de manipulatie van verlangens: “It’s alienation in that it is not directed toward union at all. And I have no interest in that. I am interested in love, a being beneficial to the rest of humankind.” Door alle schaamte terzijde te schuiven, wilde hij ‘de mensheid’ aansporen om hetzelfde te doen en haar dromen te verwezenlijken. Zaunschirm constateert terecht dat dit niet zomaar uit de kunstwerken zelf is af te leiden: zij blijven dicht bij het door Cicciolina ontwikkelde idioom (volgens Zaunschirm heeft zij een geheel eigen pornografie-stijl gecreëerd). In Koons’ vroege werk, stelt Zaunschirm, was er niet zo’n grote kloof tussen verbaal geformuleerde intenties en de kunstwerken. Onder meer met roestvrij staal transformeerde Koons zijn motieven op een dergelijke manier, dat duidelijk werd dat zij andere inhouden hadden gekregen. Bij “Made in heaven” wordt de taal echter een belangrijk onderdeel van het kunstwerk - maar dat is in de 20ste eeuw, de eeuw van ‘het geschilderde woord’, verder niet veel bijzonders. Wie de uitspraken van Koons geërgerd terzijde schuift, berooft het werk van de essentiële spanning tussen woord en beeld. Door de tegengestelde weg te gaan toont Zaunschirm aan dat Koons nog steeds vermag te fascineren, wat de momentele waardering in een zich steeds meer aan het “dit is in, dat is uit”-principe van de popcultuur conformerende kunstwereld ook moge zijn. Thomas Zaunschirm, “Kunst als Sündenfall. Die Tabu-verletzungen des Jeff Koons”, Rombach Verlag, Freiburg im Breisgau, 1996.