Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 66 maart-april 1997

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Texte zur Kunst en de contextuele marge van het kunstwerk

Texte zur Kunst is geen kunstig blad. Is het omslag het meest visuele moment van het tijdschrift (soms wordt hij door kunstenaars ontworpen), dan wijkt ook daar de ‘mooie prent’ veelal voor no nonsense esthetiek. Door het overtrekken van fotografische beelden met een monochrome film wordt een esthetische magerte bereikt die haaks staat op de schoonvormelijkheid van het trendy kunsttijdschrift. Texte zur Kunst heeft een gebruiksvriendelijk schriftformaat, de tekst is over twee kolommen afgedrukt. Ook de prozaïsche, enigszins typmachine-achtige letter verraadt nuchtere intenties. De illustraties zijn overwegend klein en nooit in kleur. Het zijn niet zo vaak reproducties van kunstwerken, maar zaalzichten van tentoonstellingen, de gereproduceerde flap van een catalogus of boek, de tentoonstellingsruimte van een galerie. Vele prenten zijn overgenomen beelden: TV-stills, covers en illustraties uit magazines, gereproduceerde advertenties. We zien veel mensen die betrokken zijn in een sociale activiteit, discuterend, deelnemend aan een manifestatie, een politieke of artistieke actie, of figurerend binnen een institutionele context. Op de foto’s zien we vaak de kunstenaar of de theoreticus zelf, privé of in werkomgeving of op een representatief moment. Hij geeft bijvoorbeeld een lezing, of we zien haar zoals zij afgebeeld staat op de cover van een magazine.

In wat hierna komt, tracht ik aan de hand van deze opvallende formele kenmerken en op basis van de lectuur van teksten, enkele krachtlijnen van de kritische praktijk van Texte zur Kunst op het spoor te komen, om ze te koppelen aan problematiserende opmerkingen en vragen. In het volgende nummer van De Witte Raaf volgt een interview met de redactie van Texte zur Kunst.

 

Het programma

Het eerste nummer van Texte zur Kunst verscheen in de herfst van het jaar 1990. Tot op heden zijn 24 nummers gevolgd. In het voorwoord van het eerste nummer verklaren redacteurs Stefan Germer en Isabelle Graw er onder meer van uit te gaan dat ‘avant-garde’ en ‘massacultuur’ weliswaar van elkaar te onderscheiden zijn, maar dat productie én receptie van beide domeinen thans voortdurend in elkaar grijpen: rockconcerten en kunsttentoonstellingen lokken hetzelfde publiek, trash-esthetiek keert terug op het niveau van ‘hoge kunst’, terwijl een Japanse bazaar galeriekunst uit Soho binnenhaalt. Met de termen ‘hoog’ en ‘laag’, of ‘avant-garde’ en ‘massacultuur’ geeft Texte zur Kunst de uiterste grenzen van haar reflexieve praktijk aan. Deze praktijk wortelt zowel in artistieke als in maatschappelijke randvoorwaarden en beiden glijden op wisselende manieren in elkaar over: institutionele structuren dragen, verkrijgen of genereren immers ook maatschappelijke betekenis. Zelfs het meest hermetische kunstwerk is nog op een publiek betrokken, en kan derhalve vanuit zijn sociale functie worden begrepen: met die richtinggevende conclusie eindigt het eerste voorwoord.

Uit dit en het voorgaande blijkt dat Texte zur Kunst artistieke producten in een breder veld van culturele betekenisproductie wil situeren. Naast kunst, besteedt het tijdschrift inderdaad veel aandacht aan architecturale en stedebouwkundige projecten, openbare ruimte en media. Deze aanpak doet echter al een eerste reeks vragen rijzen: wat is voor Texte zur Kunst het specifieke statuut van beeldende kunst? Beschouwt men kunst slechts als één register van culturele betekenis-productie, naast andere? En zo niet, waar ligt het verschil? In een surplus aan reflexiviteit?

Texte zur Kunst houdt zich bezig met reflectie over de randvoorwaarden van de artistieke praktijk, en dat betekent zowel de als ‘kunsteigen’ beschouwde structuren (tentoonstellingen, musea, kunsthistorische modellen) als de inherent aan kunst verbonden economische, ideologische en maatschappelijke context. Gezien de nadruk op de maatschappelijkheid van kunst en het kunstsysteem, is het logisch dat Texte zur Kunst op theoretisch vlak in een denker als Pierre Bourdieu al makkelijker een referentiefiguur ziet dan in iemand als (bijvoorbeeld) Maurice Blanchot of Martin Heidegger.

Voor wat de beeldende kunst betreft, wordt de bijzondere aandacht van Texte zur Kunst weggedragen door de artistieke productie, die haar eigen mogelijkheidsvoorwaarden, haar contextuele beddingen thematiseert: de kunst van Fareed Armaly, Christian Philipp Müller, Andrea Fraser, Mark Dion, Clegg&Guttman, Renée Green, Thomas Locher en anderen. Ook in dit opzicht kan men het tijdschrift als duidelijk programmatisch of, in de woorden van Stefan Germer, als “gezielt antipluralistisch” omschrijven. Texte zur Kunst is echter een kritische partner. Daarvan getuigt bijvoorbeeld de bijdrage Unter Geiern - Kontext-Kunst im Kontext (Nr. 19), waarin Germer, uitgaande van recente ontwikkelingen - het relatieve succes van een groep in Keulen werkzame ‘context-georiënteerde’ kunstenaars, waarvan werken werden opgenomen in privé-verzamelingen, met alle ‘decontextualiserende’ gevolgen vandien - de discussie over deze context-kunst bijstelt. Germer stelt dat er van de kritische openbaarheid, één van de grondvoorwaarden van context-kunst, nog slechts ‘discoursgemeenschappen’ overblijven. Opvallend is het belang van de receptie in Germers betoog: contextuele werken zijn in hun structuur per definitie op antwoord en participatie berekend, ze krijgen betekenis in het moment waarop hun propositie gerecipieerd, de uitwisseling gerealiseerd wordt. Daardoor zijn ze meer aan verandering onderhevig, van zodra de context wijzigt. Vraag is echter in welke mate deze ‘zwakte’ teruggaat op de conceptie van deze werken als een soort van bruikbare ‘communicatie-units’ voor kritische reflectie, zoals Germer ze bijna beschrijft. Wordt hier tussen de regels niet ook aangetoond dat in de gerichtheid op het publiek de problematische kant van deze kunst ingebakken zit? Is met name niet juist het gepretenteerde niveau van bewuste contextuele reflectie een problematische illusie? En moet kunst niet ook haar verwisselbaarheid (dit wil zeggen haar approprieerbaarheid als fetisj) op een tegendraadse wijze affirmeren - als iets waarop ze niet zomaar, quasi souverein, kan reflecteren maar waarin ze verstrikt is?

 

De kunstenaar

In Texte zur Kunst wordt de kunstenaar gezien als een bij uitstek maatschappelijk subject. De kunstenaar is iemand die, binnen maatschappelijke referentiekaders, culturele betekenis (re)produceert. Loopt men daarbij niet het gevaar om het werk als de loutere neerslag te zien van een maatschappelijk bepaald subject, de kunstenaar? In welke mate herleidt men de kunstenaar tot een soort doublure van zijn randvoorwaarden? Houdt de nadruk op dit opereren als maatschappelijk subject niet het gevaar in, dat men het onmerkbare verschil tussen de kunstenaar en ‘zijn’ oeuvre uitwist?

 

Kunst en identiteit

De benadering van de kunstenaar als (cultuurpolitieke) actor in een complex maatschappelijk veld verklaart de aandacht die Texte zur Kunst besteedt aan de wijze waarop maatschappelijke identiteit op een cultureel niveau gedefinieerd wordt. Vandaar de interesse voor structuren en mechanismen die leiden tot de constructie van seksuele en sociale modellen, de belangstelling voor cultural studies en voor een politieke omgang met het persoonlijke en de aandacht voor theoretici als Michel Foucault, Stuart Hall, Gayatri Ch. Spivak, om maar enkele te noemen.

Deze analyses, die identiteit, cultuur en politiek op elkaar betrekken, determineren ook de visie op kunst als cultureel ontwerpterrein van een ‘betekenispolitiek’. Is de kunstenaar een maatschappelijk subject, een sociaal verankerde cultuurproducent, dan bestaat zijn actief wederwoord in een reflexieve omgang met culturele betekenis. In welke mate gaat deze visie op de kunstenaar als agent van een culturele betekenispolitiek uit van een verlicht bewustzijnsfilosofisch standpunt? In welke mate bepaalt de visie van Texte zur Kunst op de kunstenaar als culturele betekenisproducent, een keuze voor kunst die, zo men wil, als quasi letterlijke (beeld)vertaling van een bepaalde betekenispolitiek kan gelezen worden? In hoeverre geldt voor Texte zur Kunst de wenselijkheid om kunst op een louter illustratieve manier - als kritisch (gemanipuleerd) beeldmateriaal - te kunnen lezen?

 

De plaats van kunst: de autonomie-kwestie

Texte zur Kunst neemt stelling tegen de opvatting dat kunst ‘autonoom’ zou zijn. Hoe begrijpt men echter ‘autonomie’? In het voorwoord van het tweede nummer situeren Stefan Germer en Isabelle Graw hun belangstelling voor de productievoorwaarden van kunst in het licht van een heroplevend autonoom kunstbegrip, en merken ze op dat “kunst nog steeds wordt begrepen als iets dat vanuit zichzelf kan worden verklaard, en niet als een afgeleid bestaan. Elke verklaring van kunst aan de hand van kunst, loopt echter uit op de fetisjering van datgene wat moest worden verklaard”. Alleszins spreekt uit deze formulering een tendens om het autonomieprobleem in oppositionele termen te lezen: autonomie wordt tegenover het maatschappelijke betekend-zijn van kunst geplaatst. Autonomie is een ideologische camouflagetechniek om de maatschappelijke voorwaardelijkheid van het kunstwerk toe te dekken. De vraag is echter of we ‘autonomie’ niet kunnen lezen als een moment in kunst, waarop haar maatschappelijke inschrijving - haar noodzakelijk fetisjkarakter incluis - op een paradoxale wijze wordt geaffirmeerd of, anders gezegd, op zichzelf wordt teruggeplooid. In welke mate schuift kunst die pretendeert haar mogelijkheidsvoorwaarden afdoende te reflecteren, datgene wat haar fundamenteel bepaalt - haar ‘maatschappelijke voorwaardelijkheid’ - voor zich uit? Is het souvereine standpunt van waarop kunst dit ‘zelfdoorzicht’ meent te kunnen etaleren, niet juist de opperste, gedachteloze bevestiging van (schijn)autonomie?

 

De fictie van transparantie en het comfort van de marge

“Ons is het er niet om te doen om de mechanismen van het kunstbedrijf of het kunstdiscours te doorzien, dit wil zeggen om volgens het oude ideologiekritische recept datgene wat zich ERACHTER verbergt, voor zij die verblind zijn, zichtbaar te maken.” Heeft Texte zur Kunst de bedoelde illusie van de ideologiekritiek met deze negatieve intentieverklaring (de tweede zin uit het eerste voorwoord van Stefan Germer en Isabelle Graw) daadwerkelijk van zich afgeschud? Texte zur Kunst zet systematisch een ‘stap achteruit’: van het werk naar de arbeidsvoorwaarden, naar de mediatisering van een oeuvre langs instituten en diverse media, naar de achterliggende representatiestrategieën, de strategische bespelingen van receptievoorwaarden door instituten en kunstenaars. Systematisch toont het tijdschrift hoe de zaken (strategisch, politiek, ideologisch) in elkaar steken. Het gevaar daarvan lijkt me dat men niet enkel de illusie van een relatieve emancipatie schept, maar zich ook het comfort van een marge-positie verschaft - van de kritische, onbetrokken waarnemer. Dat Texte zur Kunst haar positie tracht te reflecteren - Tom Holert verwijst naar autoreflexiviteit als “onze lievelingsdeugd” (Nr. 18) - belet niet dat deze randbevragende strategie ook een manier kan zijn om aan de interne paradoxen van het kunstwerk voorbij te gaan. In welke mate is deze uittrede uit de kunst naar de rand gestoeld op een deterministisch fantasma om de zaak in haar totale oorzakelijkheid te overschouwen? In welke mate pleit men zich daardoor - ongereflecteerd - vrij van het geloof in de schijn, en ontkent men ‘schijn’ als een constitutieve on-grond van kunst? Wacht Texte zur Kunst niet een andere val: de schijn van het schijnloze?

 

Kunst als kritisch activisme

Isabelle Graw besluit een bijdrage getiteld Privatsachen. Modelle des Persönlichen im Werk von Mary Kelly, Barbara Kruger und den V-Girls (Nr. 24) met de suggestie van een ware artistieke strategie. Gezien het feit dat de complexe identiteitsbeelden van Kelly en de V-girls - zo luidt de gedachtengang - niet buiten een kring van ingewijden geraken, en Kruger de publieke werkzaamheid van haar ‘identiteitsbepalingen’ met polemische eenzijdigheid bekoopt, lijkt haar een combinatie van beider potentieel opportuun: de nieuwe identiteitsbepalingen van de ene, gevat in “eine publikumswirksame Form im Stil Krugers”. Ook de slotverzuchting waarmee Graw een bijdrage over Pierre Klossowski (Nr. 19) afsluit, zegt iets over een onderhuidse hang van Texte zur Kunst. Dat Klossowski’s werken poststructuralistische principes (ambivalentie, transgressie, meervoudige identiteit) omzetten, betrokken op het ‘vrouwelijke’, is één zaak. Dat, zo luidt het, de vrouwen in het echte leven daar weinig of niet van profiteren “ist ein anderes Kapitel”. Naast deze quasi normatieve oprispingen demonstreert Texte zur Kunst een algemene belangstelling voor mengvormen tussen kunst en activisme. Van kunst en theorievorming blijkt min of meer te worden verwacht dat de geproduceerde betekenis inzetbaar zou zijn in een semantische politiek. In welke mate echter dreigt kunst te worden geïnstrumentaliseerd? Wordt kunst niet de agit-prop van de theoretische reflectie?

 

Het recentste nummer van Texte zur Kunst handelt over mode, met bijdragen van onder meer Andrew Ross, Stefan Germer, Josephine Pryde, Isabelle Graw en Lukas Duwenhögger. Texte zur Kunst, Gereonshof 30, 50670 Köln (221/1 39 04 45).