Eric Hulsens

DE WITTE RAAF

Editie 72 maart-april 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Het kind heeft honderd talen

Een verdieping van de nieuwe vleugel van het Stedelijk Museum is gevuld met de creatieve productie van kleuters uit de Italiaanse stad Reggio Emilia: tekeningen, sculpturen, uitspraken, ontwerpen… Maar tekenen, boetseren en knutselen kinderen niet overal? Dat is toch geen kunst? Wat is er bijzonder in Reggio Emilia? Hoe komt het dat de pedagogiek van deze stad de voorbije decennia internationaal bekend werd, en een modelfunctie kreeg?

Toen mijn kinderen nog kleuters waren, kreeg ik van hen elk jaar met vaderdag een geschenk. Een zelfgemaakt cadeau, dat ze in de kleuterschool hadden vervaardigd. Het concept was door de school bedacht, de kinderen werkten het uit. Zo staat er in mijn werkkamer een taart uit piepschuim: vijf schijven met afnemende diameter zijn op elkaar bevestigd met cocktailprikkers, en het randje van elke schijf is gekleurd. En ik heb ook nog een conservenblik, oren en een neus aangeplakt, ogen en een mond opgeschilderd. Op de kin van het zo geconstrueerde gezicht de enthousiaste uitspraak: ‘LEVE VADER’. Niet bewaard gebleven zijn de verschillende constructies met de kartonnen cilindertjes van rollen w.c.-papier. Je plakt daar oren aan en een snor op, en kijk: een hoofd. Van de sleutelrekjes heb ik er één bewaard: een stevig plankje waar met volwassen hand keurig drie haken in bevestigd zijn, met daartussen een paar door het kind geschilderde figuren die ik prachtig vind.

Natuurlijk heb ik niets tegen het recycleren van blikjes of kartonnen buisjes van w.c.-rollen. De moderne kunst heeft trouwens al langgeleden de hiërarchie van de materialen opgeblazen, en de gedachte getorpedeerd dat kunst altijd moet worden gemaakt uit edele stoffen. Dus het (her)gebruik van waardeloze materialen in de kindercreativiteit is behalve goedkoop, ook nog modern. Maar wat mij stoort, is de beperkte ruimte voor de creativiteit van de kinderen. Een concept van volwassenen, een helpende hand van volwassenen, instructies van volwassenen – de creatieve inbreng van het kind blijft beperkt tot een randje kleuren, een groter of een kleiner oor aanplakken, een oogje of een mondje meer zus of meer zo. Veel volwassen sturing, een stereotiepe productie, en heel weinig kindercreativiteit.

Wat leren kleuterleidsters en -leiders eigenlijk in hun opleiding, op artistiek gebied? Als ik toevallig nog eens in een kleuterschool binnenkom, valt mij op dat een eigen tekenstijl ontbreekt. Tekeningen voor kleuters zijn imitaties. Als het al niet de suikerzoete stijl van Lie is, dan de veel leukere van Fiep Westendorp. Maar imitatie blijft het. Hoe kunnen pedagogen die zelf nooit creatieve individualiteit ontwikkeld hebben kinderen helpen om zichzelf uit te drukken? En na de kleuterschool komt de artistieke verschrikking van de echte school: een kind dat prachtige tekeningen kon maken op zes jaar, zie je naderhand krampachtig manoeuvreren met latjes en een passer om een huis of een zon te tekenen. Is er al eens onderzocht hoe schadelijk onderwijs is voor kinderen?

Met dit soort ergernis in mijn achterhoofd bezocht ik de tentoonstelling over de kinderen van Reggio Emilia. Wat een feest! Fraaie kleisculptuurtjes, indrukwekkende tekeningen van huizen en steden, installaties die een stad uitbeelden, of de communicatie tussen Italië en Amerika – een explosie van creativiteit. Wat is het geheim van Reggio Emilia?

Wat in Amsterdam te zien is, wortelt in ruim dertig jaar pedagogische ervaring. Een spilfiguur in de eigen aanpak van de opvoeding van jonge kinderen die in Reggio Emilia ontwikkeld is, was de pedagoog Loris Malaguzzi (1920-1994). Nieuwsgierig lees ik hoe hij zijn pedagogisch model toelicht. “Overactiviteit van de kant van de volwassenen is een risicofactor. De volwassene doet te veel omdat hij te bezorgd is om het kind; maar dat creëert een passieve rol voor het kind in zijn eigen leerproces.”

Dat is me uit het hart gegrepen. Bij Malaguzzi mag het kind zèlf leren, en de bemoeienissen van de volwassenen zijn zo beperkt mogelijk. Zij construeren situaties waarin het leren mogelijk is, en zij schenken aandacht – zonder te beoordelen. “We willen de kinderen niets leren wat ze zelf kunnen leren. We willen ze geen gedachten geven waar ze uit zichzelf op kunnen komen. Wat we willen doen, is bij de kinderen het verlangen en de wil activeren, het grote plezier dat ontstaat als je zelf de schepper bent van je eigen leren.”

Zo’n visie op het leren vertrekt natuurlijk van een ijzersterk vertrouwen in wat kinderen zelf kunnen. “We moeten geloven dat het kind heel verstandig is, dat het kind sterk is en mooi en dat het heel ambitieuze verlangens en wensen heeft. (…) In plaats van kinderen altijd maar te beschermen, moeten we hun rechten en hun sterke kanten erkennen.” Voor Malaguzzi heeft het kind een enorm reservoir van mogelijkheden om zich te uiten, maar worden die gefnuikt door een verkeerde opvoeding: “Het kind heeft honderd talen (en nog eens honderd honderd honderd) maar de school en de samenleving stelen er negenennegentig.”

Belangrijk is een mooie en aangename omgeving voor de kinderen. Een gepersonaliseerde omgeving ook, waarin hun eigen werkstukken het decor vormen. Dat lijkt me ietwat vanzelfsprekend. Nieuwer vind ik het bijbehorende idee van de ‘klas’ als atelier, een artistieke kinderwerkplaats, en van de pedagoog als atelierista, ateliervrouw of -man. De atelierista is een virtuoos in het ontketenen en aanmoedigen van creatieve processen.

Essentieel in de Reggio-benadering van jonge kinderen is dat die samen leren in kleine groepjes, meestal niet groter dan vier. Kinderen leren het meest door samen bezig te zijn, over de werkelijkheid, maar ook over zichzelf en de ander. In hun samenwerking ontwikkelen ze sociale vaardigheden, leren ze wat onderhandelen is en wat vriendschap, en vormen ze hun eigen identiteit. Dat samen leren staat in het teken van het plezier. Zelf iets kunnen geeft voldoening en schept vreugde.

Het leerproces bestaat niet alleen uit interactie tussen de kinderen onderling, maar ook uit interactie met hun milieu, en natuurlijk met de volwassenen. Het leren is vooral projectmatig. Zo zie je op de tentoonstelling in Amsterdam een prachtige collectie beeldjes van leeuwen. Maar daarachter schuilt een project. De kinderen die deze beeldjes gemaakt hebben, hadden eerst een bezoek gebracht aan een marktplein in hun stad, en aan de stenen leeuw die daar al eeuwen in het centrum staat. Zij bekeken hem van alle kanten, klauterden erop, betastten hem, tekenden hem. Terug op school bespraken zij hun ervaringen, bekeken ook nog foto’s van de leeuw, en gingen dan creatief aan het werk. De beeldjes zijn de uitgekristalliseerde beleving van een vrij langdurige omgang met het thema ‘leeuw’.

Als ik de fascinerende tentoonstelling over Reggio Emilia verlaat, en afdaal naar het gelijkvloers, wacht me daar nog een verrassing. Een grote maquette toont een nieuw concept voor de aanleg van een Amsterdams plein. Ze is het resultaat van een initiatief van het Amsterdams Fonds voor de Kunst, dat zich liet inspireren door Reggio Emilia. Daar is het een lange traditie dat kunstenaars en schrijvers betrokken worden bij het onderwijs. Het Fonds gaf de kunstenaar David Veldhoen de opdracht om samen met kinderen ideeën te ontwikkelen voor de heraanleg van het Hygiëaplein. Hij werkte daarbij nauw samen met Margot Meeuwig van de Stichting Pedagogiekontwikkeling voor het jonge kind, een organisatie die zich tot doel stelt de Reggio-benadering naar de Nederlandse situatie te vertalen.

Naar het voorbeeld van Reggio richtte David Veldhoen een atelier in, met uitzicht op het plein, waar zes groepjes kinderen met een evenwichtige verdeling in leeftijd, sekse en school een keer of drie een paar uur samenkwamen. Ze kregen vragen voorgelegd als: wat vind je van het plein, wat zou je er willen veranderen, waar speel je graag, droom je weleens van het plein? Alle gedachtenwisselingen en ideeën werden geregistreerd, alle objecten en tekeningen werden bewaard, en er werden voortdurend foto’s gemaakt. Het hele denkproces werd mooi samengebracht in een boekje: Het plein moet zachter. Een fragmentje uit de gesprekken:

David: “Stel dat er iets veranderd zou kunnen worden aan het plein, waar denk je dan eerst aan?”

Rini: “Kleur.”

Thijs: “Auto’s eruit.”

Jelmer: “Verlichting.”

Rini: “Meer gezelligheid.”

Jelmer: “Voor ons zijn er alleen voetbalvelden.”

Thijs: “En basketbalvelden.”

Jelmer: “We zouden eigenlijk wel een hangplek willen.”

Thijs: “Dan gaan we lekker hangen. (…)”

Rini: “Misschien moet er iets komen van een doordeweekse markt, terrasjes of zo… Het is niet goed zoals het is, er moet meer kleur komen en het moet vrolijker. Dat het iets wordt voor de hele buurt waar iedereen komt.”

De ontwerpen voor een heraanleg van het plein die de kinderen gemaakt hebben – met bomen, een klimboom, verlichting, een groot beeld van een draak – zijn heel wat anders dan vrijblijvende creativiteit, dan pure luchtkastelen. Het gaat om creativiteit die voortkomt uit de directe ervaring met de eigen leefomgeving, en die rechtstreeks gericht is op het verbeteren daarvan. De ideeën van de kinderen werden als uitgangspunt gebruikt in een ontwerp voor een vernieuwd Hygiëaplein. Het lot van dit plan ligt nu in handen van de politici. Ik ben benieuwd hoe dit verdergaat.

In de trein naar huis overweeg ik wat me van de hele tentoonstelling het best is bijgebleven. Het is een kleien beeldje van een zwangere vrouw. In haar dikke buik zitten gaten. De uitleg van het kind dat dit sculptuurtje gemaakt heeft, is even inventief als overtuigend: “De baby moet immers kunnen ademen en naar buiten kijken”. 

 

De kinderen van Reggio Emilia loopt nog tot 12 april in het Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, 1071 CX Amsterdam, 020/573.29.11. Naar aanleiding van de tentoonstelling verschijnt het boek De honderd talen van kinderen. De Reggio Emilia benadering bij de opvoeding van jonge kinderen, Uitgeverij SWP, Utrecht. In de marge van de tentoonstelling vindt ook een reeks lezingen en symposia plaats. Voor meer informatie over dit programma, wendt u zich tot de Stichting Pedagogiekontwikkeling, 020/622.86.55.

Het boekje Het plein moet zachter, Ideeën van kinderen over hun Hygiëa-plein in Amsterdam, samengesteld door David Veldhoen en Margot Meeuwig, is uitgegeven door het Amsterdams Fonds voor de Kunst in samenwerking met de Stichting Pedagogiekontwikkeling voor het jonge kind en Stadsdeel Zuid en is verkrijgbaar in het museum.