Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 72 maart-april 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Arman

Met de opening van het vernieuwde Jeu de Paume, eind 1991, werd Parijs een heuse Kunsthalle beloofd. Het Jeu de Paume is een onafhankelijke vereniging die valt onder de wet van 1901 (te vergelijken met een vzw of stichting) maar onder bescherming staat van de Délégations aux Arts Plastiques of Ministerie van Cultuur. Het accent zou liggen op de internationale hedendaagse kunst. Alfred Paquement en Cathérine David zetten de bakens uit. Belangrijke referentiepunten voor de hedendaagse productie waren Dubuffet en Broodthaers. Nadien kwamen er enkele interessante groepstentoonstellingen met jonge kunstenaars (Désordres met Kiki Smith, Mike Kelley, Jana Sterbak, Tunga en Nan Goldin en Invitations met onder anderen Thomas Hirschhorn en de vroeg gestorven Choreh Feyzdjou), maar vooral monografische tentoonstellingen van kunstenaars als Robert Gober, Ellsworth Kelly, Didier Vermeiren, Jeff Wall en Chantal Akerman.

Kort daarna verdween Paquement naar de Ecole Nationale Supérieure des Beaux-Arts. Toen Cathérine David benoemd werd tot Leiterin van de tiende Documenta was ze, in tegenstelling tot Jan Hoet en ander documentamakers, verplicht haar functie op te geven. Ze werd vervangen door Daniel Abadie, voormalig conservator van het Musée Nationale d’Art Moderne, beter bekend als de collectie van het Centre Pompidou. Een tentoonstelling als Un siècle de sculpture anglaise had dan ook meer weg van een afdankertje van het Centre Pompidou dan van een tentoonstelling voor het Jeu de Paume. Sinds het aantreden van Abadie is het aangezicht en ook de uitstraling van deze zogenaamde kunsthal sterk gewijzigd. Actuele kunst heeft plaats moeten ruimen voor dinosaurussen als César en Arman. Ondertussen verloor het Jeu de Paume ook zijn structurele sponsor, die met de eerste ploeg een contract voor vijf jaar had afgesloten en dat met het rechtse cultuurministerie niet meer vernieuwd werd, zodat de werkingsmiddelen sterk verminderden. Ook dit is een van de redenen waarom het programma opeens een stuk populairder is geworden. Samen met de slag om de kijkcijfers is het programma wel erg ‘franco-français’ geworden. Na de coryfeeën van de Franse kunst, César en Arman, programmeert het Jeu de Paume Les années supports-surfaces, de enige beweging die de Franse kunst de laatste dertig jaar heeft voortgebracht en die in het buitenland nog altijd niet de weerklank heeft gekregen die ze volgens de (Franse) kunsthistorici en critici verdient. Nadien volgen er twee retrospectieve tentoonstellingen, Pierre Alechinsky en Jean-Pierre Raynaud. Ondanks de bovenstaande bedenkingen is de Arman-retrospectieve best genietbaar. Hier niet het overweldigende geschut van César, maar een eerlijke poging om een kunstenaar te situeren binnen zijn eigen oeuvre en zijn eigen tijd. Zijn maniëristische periode van verzaagde en in brons gegoten muziekinstrumenten wordt niet ontkend, maar naar het grote publiek toe ook niet opgehemeld. De Arman die we hier ontmoeten, is vooral deze van de beginperiode, de Arman van het nouveau réalisme, de Arman van de Poubelles (portretten van zijn vrienden Pierre Restany, Yves Klein, Jim Dine en Iris Clert aan de hand van door hen weggegooide voorwerpen) en van de Accumulations (het op elkaar stapelen van gelijksoortige voorwerpen als koffiemolens, vijzen, turnpantoffels en auto-onderdelen). De tentoonstelling eindigt op een vrolijke noot. Een opeenstapeling van caddies uit een grootwarenhuis (La chute des courses, 1997) evoceert een neergaande beweging (Cascades). Een metafoor voor de vrije val van ons economisch systeem, zoals we dat de laatste maanden in Azië hebben mogen meemaken, zowel als van de kunstenaar als kapitalist, als van de kunst als koopwaar.

 

• De retrospectieve Arman tot 12 april in de Jeu de Paume, Place de la Concorde 1, 75008 Paris (01.47.03.13.36).