Rudi Laermans

DE WITTE RAAF

Editie 73 mei-juni 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Kritiek als frivool provincialisme

Over Maarten Delbekes Aangenaam Verblijf

Over het boek. Maarten Delbeke heeft een boek gemaakt, of juister: een opstellenbundel. Het heet Aangenaam Verblijf, en werd uitgegeven door Vlees en Beton in samenwerking met de architectuurvereniging aa50 en het Centrum voor Architectuur en Design (cAD, Kortrijk). De ondertitel getuigt van nogal wat onbescheidenheid, zeker voor een debutant. Doorgaans moet een auteur immers al enige erkenning genieten opdat de lapidaire uitdrukking ‘teksten 1994-1997’ zou volstaan. Zo’n omschrijving suggereert alvast dat de bijeengebrachte stukken a priori interessant genoeg zijn om geen nadere toelichting te behoeven.

De in Aangenaam Verblijf gebundelde stukken handelen over uiteenlopende onderwerpen, zij het dat stedelijkheid, wonen en architectuur de dominante thema’s vormen. Zo bevat het boek opstellen over het werk van Wim Neutelings, over de officiële Vlaamse architectuurjaarboeken, over de CIAM-idee van minimumwoningen (Ernst May’s beruchte Existenzminimum), en over ‘ontwerpstrategieën voor culturele centra’. Daarnaast zijn er bijdragen over een roman (Vloeibaar Harnas van Peter Verhelst), over een colloquium, over een tentoonstelling, over glas. Het meest opvallend zijn de teksten die aan de populaire cultuur refereren. Delbeke heeft het namelijk ook over de Suske en Wiske-strips van Willy Vandersteen, over de film Max (met de Vlaamse beroemdheid Jacques Vermeire), over de Jommeke-figuur van Jef Nys, en over de BRT-jeugdfeuilletons van de jaren ’60 en ’70 (Kapitein Zeppos, Johan en de Alverman,…).

Aangenaam Verblijf bundelt inderdaad teksten: Delbeke is eerder een opstellenmaker dan een essayist. Hij schrijft een allesbehalve soepel Nederlands, overtreedt regelmatig de ongeschreven regels van het Algemeen Beschaafd Vlaams, en is geen groot stilist. Een citaat ter illustratie: “De herkenbaarheid van de [in de film Max] niet nader genoemde omgeving komt voort uit het feit dat dit type ‘dorp’ algemeen verbreid is, zonder dat de veralgemening die automatisch met deze verbreiding gepaard gaat, aanleiding geeft tot vervreemding. Ze komt voort uit een voor elke potentiële kijker nauwkeurig in tijd en ruimte te situeren ontwikkeling in het ruimtelijk beleid in Vlaanderen, die in gelijk welke omgeving een concreet spoor heeft getrokken: de ‘heraanleg’ en ‘restauratie’ van de dorpskernen, die enkele producenten van roze-rode en lichtgrijze betonklinkers inderdaad geen windeieren moet hebben gelegd. Bij die heraanleg werd het dorp als specifieke en contextgebonden/contextscheppende entiteit erkend of geconstrueerd, om er dan over het volledige grondgebied Vlaanderen hetzelfde beeld op te kleven” (pp. 25-26). Zoveel is dus duidelijk: Aangenaam Verblijf ware zeer gediend geweest met een redacteur annex corrector, maar daar was blijkbaar geen geld of tijd voor. Zoals ze nu voorliggen, doen Delbekes teksten gedurig denken aan de geschriften van de academicus die er slechts met grote inspanningen en veel goede bedoelingen in slaagt om zijn ideeën op een ietwat begrijpelijke manier te verwoorden. Dat resulteert gewoonlijk in een altijd leesbare breuk tussen taal en gedachten, medium en denken. In Delbekes teksten voel je gedurig de kloof tussen de woorden en de hen motiverende ideeën. De gedachten volgen niet op een vanzelfsprekend aandoende manier uit de zinnen, maar moeten meer dan eens geduldig uit het gelezene worden afgeleid.

 

Over Delbekes postmodernisme. Aangenaam Verblijf is exemplarisch voor wat een slecht begrepen idee van ‘postmodern schrijven’ zoal kan aanrichten, een tweetal stukken daargelaten – namelijk Dreaming that one is awake. Over beeldcultuur en de stad, een opstel met een consistente stellingname; en Gevecht met de zonde van het beeld: Vloeibaar Harnas van Peter Verhelst, een evocatieve en beheerst geschreven recensie. Met de zojuist vermelde stijlloosheid valt nog gemakkelijk te leven, ook al groeit die in Aangenaam Verblijf nergens tot een superieur stijlkenmerk uit. Erg storend, ja ronduit irritant is daarentegen Delbekes pomo-achtig gefladder. Het merendeel van de teksten ontbreekt het aan een duidelijke opbouw en betooglijn. Vaak wordt gedachte op gedachte gestapeld, en dat zonder veel directe onderlinge verbanden. Meer nog, Delbekes opstellen missen gewoonlijk een pointe, een of enkele ordenende stellingen of inzichten die het betoog bij elkaar houden en ritmeren. Van een schrijver valt zulks met gemak te verdragen, in een tekst van een ‘taalbediener’ (of een ‘schrijvelaar’) is het evenwel een door niets te compenseren gemis. Wie niet met woorden kan verleiden, moet het hebben van duidelijk onderbouwde, beargumenteerde leitgedachten – en die zijn in Aangenaam Verblijf slechts na lang zoeken te vinden.

Het ontgaat mij bijvoorbeeld ten enenmale wat er zo grappig of interessant is aan het combineren van een beschrijving van de populaire film Max met een bespreking van het Jaarboek Architectuur Vlaanderen 1990-1993. Het op elkaar betrekken van dergelijk heterogeen materiaal zou wél relevant, zelfs boeiend zijn geweest indien Delbeke op een duidelijke manier een onderliggende verwantschap had aangetoond in bijvoorbeeld de manier waarop het wonen en de woonst in Max, respectievelijk het Jaarboek Architectuur Vlaanderen 1990-1993 verschijnen. Nu blijft het bij een suggestie van affiniteit die de auteur blijkbaar op zichzelf al voldoende jolig vindt om er niet nader op te moeten ingaan. Prematuur denken wordt zo gewoonweg synoniem met een quasi-puberale, studentikoze opstelling.

Mij ontsnapt ook volkomen de zin van een tekst als Anatomie van de vloeibare stad. De auteur vertrekt bij Donna Haraways cyborg, staat vervolgens uitvoerig stil bij het genre van de anatomische prent en Piranesi’s gravures van Rome, belandt dan in Los Angeles, en eindigt met flodderige opmerkingen die het gedaas van rapper Ice‑T een schijn van intellectuele plausibiliteit moeten verlenen. Dat zo’n zigzag-wandeling door een overigens wel heel modieus landschap niet vanzelf spreekt, lijkt Delbeke aan het slot zelf ook wel te beseffen. “Een laatstste opmerking,” zo schrijft hij: “Al pratend zijn de stellingen van Donna Haraway en Karin Spaink, die in de eerste plaats de rol en het statuut van het sociaal-feminisme trachten te definiëren, vermengd geraakt met een stelling van Ice‑T, een man waarvan op zijn minst betwijfeld kan worden of zijn belangrijkste bekommernissen daar liggen. De intrinsieke kracht van Haraways betoog lijkt juist te schuilen in het feit dat dergelijke allianties ontstaan door het verder bewandelen van een ingeslagen weg. Het kan gelijk welk debat enkel maar verrijken.” (p. 158). Afgezien van de kromspraak doet het deugd om vast te stellen dat de auteur voor een keer zelf het statuut van de met veel talige moeite aan elkaar geregen inzichten verheldert: het gaat inderdaad om gepraat! De stelling dat zulk gebabbel, dat lukraak enkele boeken aan elkaar kout, ook nog “gelijk wel debat kan verrijken”, komt gewoonweg neer op het zichzelf verlenen van een vrijbrief om lustig verder te babbelen. Of levert een patchwork-tekst per definitie een bijdrage tot eender welke discussie? Aan de lezer dus de keuze? Met permissie, maar ik denk dat ‘het debat’ – waarover? waartoe? – juist niet is gediend met een louter associatief schrijven dat op een puntloze manier aan anderen ontleende gedachten met twee of drie persoonlijke ideetjes mixt.

Maar stap ik hier misschien juist niet al te gemakkelijk heen over de ‘postmodernistische’ schriftuur van Aangenaam Verblijf en de haar kenmerkende cut ups en sampling, polyfonie, intertekstualiteit en – vooruit dan maar – ‘deconstructivistische’ ingesteldheid (contra de ‘modernistische’ lineariteit van het betoog en haar ‘fallocratische’ logos, pro intertekstualiteit en fragmentering, e tutti quanti). Dergelijke ambities zijn misschien waardevol, maar ze resulteren niet noodzakelijk in een geslaagde tekst. En daar gaat het uiteindelijk toch om voor de lezer (voor de afstandelijke beschrijver van schriftuurlijke ontwikkelingen ligt dat natuurlijk anders). Beslissend in dit verband blijft de globale constructie: getuigt die ja dan nee van zoiets als een persoonlijke verwerking van het gebruikte materiaal? Of in minder auteursgerichte termen: normeert de montage zichzelf? Sluiten de gebruikte fragmenten en disparate gedachten zodanig op elkaar aan dat er – Deleuziaans gesproken – een consistente ‘vluchtijn’, een ‘immanent plan’ aan de oppervlakte komt? Is dat niet het geval, dan blijft een tekstuele collage in het luchtledige hangen en leveren de gehanteerde uitgangspunten geen enkele meerwaarde op.

Zoals ze nu voorliggen, doen de teksten die Maarten Delbeke tussen 1994 en 1997 schreef, mij inderdaad meer dan eens denken aan onaf voorwerk, aan een onverwerkte reeks van invallen en citaten. Delbeke heeft voorzeker wat boeken gelezen, in Vlaanderen een beetje rondgekeken (maar niet bijster veel), en af en toe ook wel nagedacht en gereflecteerd. Maar dat alles werd in een spreekwoordelijke tweede ronde niet verder uitgedacht, laat staan nader doordacht. Neem bijvoorbeeld het Neutelings-opstel. Het uitgangspunt dat de ontwerpen van Neutelings bij het stripgenre aansluiten, is al niet bijster origineel, maar kom. Delbeke weet er echter op geen enkel moment een eigen draai aan te geven, op de flauwe vergelijking van strip (het genre) met strip (in de betekenis van strook) na. Ook de bespreking van Neutelings’ fascinatie voor de als typisch Belgisch beschouwde verkavelingscultuur blijft op de vlakte. Uiteindelijk verzandt het betoog in manifest onjuiste uitspraken als de volgende: “Stripfiguren zijn van oudsher een belangrijk nationaal exportprodukt, de kavel is het vormgevend principe van de Belgische vestigingscultuur. Neutelings karakteriseert zijn architectuur met twee kwaliteiten die typisch Belgisch lijken, precies omdat ze een negatie vormen: het stripverhaal is geen literatuur, en toch wacht Claus nog altijd op de Nobelprijs, terwijl de smurfen wereldwijd de televisie hebben veroverd. En natuurlijk is het verkavelingsmechanisme geen nobele stedebouw, maar een neerslag van de steen die iedere Belg in z’n maag draagt” (p. 43). Dit soort van uitspraken overstijgt ternauwernood het niveau van reflectie in een modaal studentencafé na middernacht. Voor het overige is Willem Jan Neutelings: de strip als ontwerpmethode doorspekt met besprekingen van concrete ontwerpen die zich braafjes naar de in architectuurtijdschriften gebruikelijke stijl voegen.

 

Over Delbekes imaginaire Vlaanderen. Wie naar eigen zeggen ‘al pratend’ opstellen schrijft, loopt een groot risico zichzelf tegen te spreken. Dat gebeurt in Aangenaam Verblijf dan ook meermaals, zo bijvoorbeeld als het over Vlaanderen gaat. In het opstel waarin Delbeke op een volstrekt puntloze manier de film Max naast het Jaarboek Architectuur Vlaanderen 1990-1993 plaatst – het draagt, oh ironie, de titel Het principe van de nevenschikking – wordt Vlaanderen als één groot dorp afgeschilderd. Deze gedachte duikt ook op in de teksten over Suske en Wiske, over Jommeke, en over de BRT-jeugdseries uit de-tijd-van-toen. De daarin verbeelde Vlaamse dorpsheid – of dorpse Vlaamsheid? – zou getuigen van “een ongereflecteerde acceptatie van een soort moderniteit die zich met alles wil associëren behalve met de stad (…). Als we de Suske en Wiske-reeks willen lezen als een belichaming van de moeizame omgang met de hedendaagse, en daarmee stedelijke realiteit zoals we die hier aantreffen, vinden we dus het onopgeloste maar omnipresente conflict tussen (anti-)stedelijkheid en onstedelijkheid terug” (p. 20). Enkele bladzijden eerder wordt datzelfde Vlaanderen echter geassocieerd met “de post-metropolitane realiteit” van “steden als L.A.”. Het heet dan dat bij “het aanschouwen van de zondagse taferelen op ‘s lands steenwegen… mechanismen komen bloot te liggen die de basis vormen voor de mondiale suburbane implosie” (p. 12). Goed honderd pagina’s verder, in het opstel ‘over beeldcultuur en stad’, beschrijft Delbeke dan weer een heel andere Vlaamse realiteit: steden bestaan nog wel degelijk, maar dan als per definitie tijdelijk gebruikte pretparken voor de in suburbia levende niet-stedelingen, die er ‘s zaterdags potverteren en er tijdens de zomer op een voorgeprogrammeerde manier feestvieren.

De drie genoemde beelden van Vlaanderen zouden onder de noemer van één enkele, alomvattende diagnose samengebracht kunnen worden. Delbeke doet dat niet, en laat de lezer daarom achter met de stellige indruk dat de auteur van Aangenaam Verblijf zich maar al te graag wentelt in dat “esthetiserend bewilderment over hetgeen ons omringt” dat hij zegt te willen overwinnen (p. 13). Delbeke grossiert veel te graag in associaties om een systematische beschrijving van de ruimte genaamd Vlaanderen uit te werken. Hij poneert liever zomaar wat naast elkaar staande stellingen over wonen en ruimtelijke ordening in Vlaanderen, die bovendien nimmer ofte nooit geconcretiseerd worden. Nochtans had dat weinig moeite gevergd. Ter voorbereiding van het recent in voege getreden Structuurplan Vlaanderen werd in meerdere rapporten zeer veel empirisch materiaal bij elkaar gebracht. Delbeke is het echter niet om het reële ruimtelijke Vlaanderen te doen, wel om een stereotiep beeld daarvan: Vlaanderen als een afwisselend dorpse en post-metropolitische, hoe dan ook gezapige regio. Om dit cliché plausibel te maken, wordt in Aangenaam Verblijf impliciet een ronduit perfide gedachtengang gevolgd.

Misschien is Delbeke echter gewoonweg naïef als hij Max, de strips van Willy Vandersteen en Jef Nys, of een jeugdfeuilleton als Kapitein Zeppos, als spreekwoordelijk bewijsmateriaal voor zijn basisbeeld van ‘het gezapige Vlaanderen’ aanvoert. In deze populaire cultuuruitingen wordt Vlaanderen inderdaad als één groot conviviaal dorp geportretteerd en is de eigen woonst het centrum van het universum. Of dat ‘privatisme’ zo karakteristiek Vlaams is als Delbeke suggereert, valt zeer te bewijfelen. Maar nog los van deze vraag kan men maar moeilijk om het specifieke statuut heen van de door Delbeke besproken voorstellingen. Gaat het in Suske en Wiske of de jeugdserie Johan en de Alverman om representaties van het reële Vlaanderen? Of vieren de bedenksels van een Willy Vandersteen integendeel een beeld dat nogal wat Vlamingen graag over hun eigen omgeving koesteren, en dat eventueel tegen beter weten in? Delbeke neemt nu eens het ene standpunt in, dan weer het andere. Of liever, hij wisselt kortstondige momenten van reflexiviteit keer op keer in voor het genot van het bevestigende beeld (van het gelijk krijgen). Enerzijds ziet Delbeke af en toe zelf ook wel in dat populaire beeldgenres massief appelleren aan gemeenplaatsen die het publiek geacht wordt te onderschrijven, anderzijds leest hij de strips van Vandersteen of Nys als realistische voorstellingen – als min of meer objectieve of ware afbeeldingen van het voor Vlaanderen kenmerkende wonen en bouwen, evenals van de daarmee verbonden wooncultuur. Zo merkt hij over de Jommeke-strip van Jef Nys op dat daarin “de fantasie van het huis zonder buiten” wordt gerepresenteerd, “van een huis dat als vanzelf alles kan opnemen wat het omringt. Deze fantasie is innig verbonden met de cultuur en de cultus van het huis in het land waar Jommeke zich zo vanzelfsprekend thuisvoelt, meer nog, vormt er een essentiële constituante van” (p. 60). Dit soort van uitspraken veronderstelt steevast wat moet worden bewezen. En wel dàt Vlaanderen – en niet Nederland of Frankrijk of Duitsland – een rond de private woonst cirkelende dominante cultuur heeft die hand in hand gaat met ons-kent-ons, met dorpsheid en ‘doe maar gewoon’. Delbeke koestert dit cliché-beeld, herkent het in de door hem besproken strips en jeugdfeuilletons, en vergeet ondertussen de ook door hem gemaakte vaststelling dat het primair een gemeenplaats betreft. Een beetje nadenken had overigens volstaan om erachter te komen dat, zoals enquêtes steevast uitwijzen, de helemaal niet ‘typisch Vlaamse’ gehechtheid aan de persoonlijke woonst voor alles op een sterke betrokkenheid op het eigen gezin wijst. De woning symboliseert kortom een achterliggende sociale realiteit. Die wordt echter gedurig doorkruist door daarvan verschillende sociale logica’s, zoals werk en vrijetijdsbesteding. Juist om deze reden getuigt het van een grenzeloze naïviteit om, zoals Delbeke, Vlaanderen op een tegelijk affirmatieve en ironische wijze te reduceren tot een handvol populaire gemeenplaatsen over ‘zondagse taferelen’ langs Vlaamse wegen, en gezellige want de buitenwereld omvattende woningen.

 

Over Vlaanderen, architectuur en theorie. Alles bij elkaar genomen neemt Vlaanderen in Aangenaam Verblijf voortdurend de gedaante aan van een vermakelijk curiosum, en dat ondanks de mogelijke gelijkenissen met het post-metropolitische Los Angeles. Op een analoge wijze bespreekt Delbeke de recente reflecties van Vlaamse auteurs op de Vlaamse architectuur en ruimtelijke ordening in de door de Vlaamse Gemeenschap uitgegeven architectuurjaarboeken. Hij uit daarover meermaals in hoogst algemene termen zijn ongenoegen: in Vlaanderen wordt zo af en toe wel een architectuurtheoretische gedachte geponeerd, maar ver draagt die niet. Het is de overbekende teneur van Arm Vlaanderen: Baudelaires Pauvre Belgique is zo onderhand in een door Vlaamse intellectuelen gefêteerde formule veranderd. Op andere plaatsen wordt in Aangenaam Verblijf niet zozeer intellectueel Vlaanderen maar de architectuurtheorie als zodanig gegispt. Zo stelt Delbeke met veel pontificaal aplomb en zonder enig argument dat “het architectengild er zelden in slaagt om de beeldvorming over stad en dorp te bevragen op een niveau dat het beeldaspect overstijgt. De immense geldingsdrang van een discipline die nog worstelt met de trauma’s van het modernisme, blijft haar fundamenteel parten spelen. Die geldingsdrang maakt het haar onmogelijk om de frictie geloofwaardig te maken die vanzelfsprekend zou voortkomen uit een voortdurende arbeid van zelfbevraging” (pp. 36-37). Zo’n bewering is meer dan boud in een boek dat slechts sporadisch verwijst naar architectuurtheoretische reflecties in het buitenland.

Maar laten we nog even bij het door Delbeke gekoesterde Vlaamse architectuurbedrijf blijven. Daarbinnen stelt Delbeke een manifeste breuk vast tussen de modale ontwerppraktijk en het zowel door academici als de Vlaamse overheid nagestreefde ideaal van een kwalitatief hoogstaande architectuur- en wooncultuur. In het opstel Tableaux in woord en beeld illustreert Delbeke deze kloof via een confrontatie tussen de door de Orde van Architecten uitgegeven publicatie Plan en het Jaarboek Architectuur Vlaanderen 1994-95. Deze oefening resulteert in een hoogst voorspelbare vaststelling: in Plan verschijnt de architect als een moeilijk te passeren vormgever van natte-droom-villa’s, terwijl het genoemde jaarboek enerzijds bol staat van de jammerklachten over het gebrek aan architectuurcultuur in Vlaanderen maar anderzijds toch voldoende realisaties vindt om de uitdrukking ‘architectuur in Vlaanderen’ te legitimeren. Delbeke vermeit zich meerdere (vervelende) bladzijden lang in de tegenstelling tussen modale en kwaliteitsgerichte architectuur, en besluit met de retorische vraag “hoe het mogelijk is dat er twee werkjes spreken over de ‘architectuur’ van letterlijk hetzelfde, kleine grondgebied, zonder ooit maar eventjes in elkaars blikveld te verschijnen” (p. 121). Zoveel Schadenfreude kan alleen opgebracht worden door iemand die blijkbaar totaal geen besef heeft van de én in àlle culturele genres, én in àlle westerse naties of landen of regio’s bestaande differentiatie tussen een primair professionele en een dominant commerciële praktijk. Of heeft Delbeke dan nog echt niet opgemerkt dat er ook buiten Vlaanderen in de sfeer van mode, design, architectuur, muziek, enzovoort een functioneel verschil bestaat tussen – om met Pierre Bourdieu te spreken – een beperkt en een uitgebreid veld van productie en receptie?

We raken hier aan een meer algemeen gegeven, tevens pijnpunt binnen de Vlaamse cultuur- en kunstkritiek. De afgelopen jaren tekent zich almaar duidelijker een spanning af rond de vraag hoe men nu juist met de Vlaamse situatie dient om te gaan. Is Vlaanderen een gemoderniseerd land als ieder ander, zij het natuurlijk ook met eigen kenmerken? Of vormt het eerder een onontkoombare horizon, een uitzondering op alle denkbare buitenlandse voorbeelden, en dus ook op internationale of transnationale ontwikkelingen? Dient de ondertussen verzelfstandigde kunst- en cultuurkritiek zich kortom nog altijd primair op de Vlaamse context te richten, en zo ja: hoe? Delbeke kiest ondubbelzinnig voor de strategie van het particularisme of de ‘vervlaamsing’. Hij beschouwt bijvoorbeeld het ‘Vlaamsche’ wonen en de hier te lande gevoerde discussie over architectuur als idiosyncratische gegevens. Deze impliciete stellingname wordt verder onderstreept door de bespreking van Vlaamse strips, ‘Vlaamse filmkes’ (Vlaamse jeugdfeuilletons) en Vlaamse jaarboeken over architectuur.

Zoals gezegd vind ik een grote gehechtheid aan de eigen woning, of het manifeste verschil tussen een peer- en een massagerichte architectuur, allesbehalve ‘typisch Vlaams’. De door Aangenaam Verblijf gedurig gewekte suggestie dat zulks wel het geval is, reproduceert simpelweg dat Vlaamse intellectuele provincialisme dat zich nu al enkele decennia lang wentelt in het aan de kaak stellen van als Vlaams voorgestelde eigenaardigheden. Deze ‘pathologisering’ van Vlaanderen is noch meer, noch minder dan een hoogst doorzichtige tactiek om zichzelf te distantiëren van een zorgvuldig in stand gehouden beeld, en zo op een gemakzuchtige wijze enig distinctieprofijt te incasseren – uiteraard in Vlaanderen! Ze ontslaat ook per definitie van een vergelijking met andere landen (de uitkomst staat toch bij voorbaat vast: ‘Vlaanderen is anders’) of van het zich inschrijven in een internationale discussie (die is toch niet relevant voor deze lap grond). Door de strategie van de ‘vervlaamsing’ kan men er tenslotte klakkeloos van uitgaan dat er alhier tot op heden niets zinnigs werd gezegd: het provinciale Vlaanderen heeft alleen maar provinciale gedachten opgeleverd. En dus acht Delbeke zich ontslagen van iedere serieuze reflectie over wat er tijdens de voorbije jaren over architectuur zoal werd gedacht en geschreven in niet-Vlaamse publicaties. En dus vindt de auteur van Aangenaam Verblijf het niet nodig om stil te staan bij het verzameld werk van Geert Bekaert: het lezen van Jommeke volstaat. En dus moet er met geen woord worden gerept over het Structuurplan Vlaanderen. En dus kan een Vlaams provincialisme – eerder dan nationalisme – worden gereproduceerd dat in een en dezelfde beweging aan de kaak wordt gesteld. Delbeke heeft, zoals zovele inheemse klaagzangers, het beeld van Arm Vlaanderen nodig om armoedige gedachten te kunnen ventileren: een veronderstelde ‘Vlaamse eigenheid’ moet de quasi-afwezigheid van eigen gedachten verdoezelen. Aangenaam Verblijf bundelt teksten die aangenaam verblijven in een imaginair Vlaanderen.

 

Over kritiek als ‘durverij’. Aangenaam Verblijf is tenslotte ook illustratief voor de omgang met de vraag betreffende het hedendaagse statuut van de kritische reflectie op kunst-en-cultuur. De kritiek weet zich al een tijdje kentheoretisch en politiek niet langer door de (neo)marxistische traditie gedekt. Ze kan zichzelf daarom niet meer begrijpen of beschrijven in termen van ideologiekritiek. Deze onmogelijkheid verplicht de kritische praktijk de facto tot het ontwikkelen van andere modellen en strategieën, vooral ook in retorisch-schriftuurlijk opzicht. We zouden daarbij altijd ook de mogelijkheid dienen te overwegen dat het schrift thans niet langer een adequaat medium van kritiek kàn zijn, dus dat het schrift, misschien zelfs de taal überhaupt, geen op de huidige situatie geënte kritische praktijk meer toelaat – maar dit terzijde.

De radicale implosie van het ideologiekritische project heeft een vreemd soort van desolate leegte gecreëerd. Delbekes opstellen kunnen gelezen worden als een zichzelf verijdelende poging om aan deze leegte te ontkomen. En wel door ze retorisch te verhullen, ja letterlijk te overschreeuwen. Aangenaam Verblijf is in die zin exemplarisch voor een kritiek die het eigen statuut blijkbaar kan noch wil verhelderen en daarom volstaat met frivole provocaties en in het luchtledige fietsende overdrijvingen, met geposeerd cynisme, en vooral met een ironie die zich nooit op het eigen denken of schrijven terugbuigt. In Vlaanderen vindt deze praktijk voornamelijk in het tijdschrift Andere Sinema een veilige thuisbasis – driekwart van de in Aangenaam Verblijf gebundelde teksten verschenen trouwens oorspronkelijk in dit blad.

Dirk Lauwaert heeft eerder al in de terecht geruchtmakende tekst Hedendaags sofisme en de arme ervaring (De Witte Raaf, nr. 62, juni 1996) het proces gemaakt van een tot loutere pose gestolde kritische praktijk. Zijn basisstelling is onverkort van toepassing op haast alle in Aangenaam Verblijf verzamelde teksten: kritiek die zich niet door weerbarstige ervaringen gebonden weet, verzandt in een vrijblijvende retoriek. Die wil zich dan alsnog een zekere allure aanmeten, zelfs een reële inzet simuleren, door een nu eens puberaal, maar altijd narcistisch aandoende durf. Kritiek wordt zo synoniem met het op de spits drijven van de houding van de lefhebber. Het doet er niet langer toe wat er nu juist wordt beweerd: wat telt, is de attitude, de branie, de letterlijke of figuurlijke ‘grote bek’. In het genre van de gangsterrap bereikte deze simulatie van ‘een kritische houding’ een voorlopig hoogtepunt. Maarten Delbeke doet het in Aangenaam Verblijf beduidend kalmer aan, zeker wat taalgebruik betreft: hij scheldt noch fulmineert. Maar altijd is er die ondertoon van ‘kijk, ik durf!’ ter compensatie van een alles welbeschouwd ontzettend vermoeiende intellectuele en (cultuur)politieke vrijblijvendheid.

En ja, Delbeke durft – een beetje. Hij durft een amusementsfilm op één lijn stellen met een officieel jaarboek over architectuur; hij durft de Jommeke-strip en de BRT-jeugdfeuilletons tot voorwerp van architecturale reflectie promoveren; hij durft beschouwingen over een advertentie voor Thermoplus (‘extra isolerende dubbele beglazingen’) combineren met kanttekeningen bij een tekst van Richard Sennett over glas. Delbeke durft, doch anders dan in de teksten van bijvoorbeeld Marc Holthof is de durf volstrekt doelloos. Nergens neemt hij echt consequent stelling, bijvoorbeeld tegen andere opvattingen of tegen een socio-politieke context. Zo wordt in Aangenaam Verblijf wel gedurig het Vlaamse architectuurwereldje op de korrel genomen, maar niet met analyses of argumenten: de suggestieve, ironische stijl moet volstaan. Delbeke polemiseert dan ook haast nooit: dankzij z’n ironie weet hij zich perfect beschermd tegen reële confrontaties met confrères. In Aangenaam Verblijf zijn durf en ironie in laatste instantie slechts een handig middel om de handen nooit echt vuil te maken. Delbeke is uiteindelijk geen criticus maar een makkelijk te gedogen hofnar.

Bij teksten als die van Delbeke – en ook bij talrijke opstellen in Andere Sinema – vraag ik mij gedurig af wie of wat nu juist wordt geviseerd met de vele overdrijvingen, de ontelbare boude beweringen-zonder-argumentatie, of het onophoudelijke koketteren met populaire cultuuruitingen. Voor wie zijn deze teksten, die theoretisch of cultuurpolitiek nauwelijks wat bijbrengen, dan toch bedoeld? In welke constellatie willen ze interveniëren? Het voortdurende durven en ironiseren doet mij vermoeden dat een puur imaginaire, zoal niet fantasmatische verhouding dit soort van kritiek structureert. De afgeschoten retorische pijlen gelden – om kort te gaan – een verbeelde gemeenschap van ‘Oude Zakken’, een denkbeeldig ‘Vlaams Establishment’, een imaginaire ‘Academische Architectuurtheorie’. Tegelijk richt Delbeke zich wellicht tot geloofsgenoten en wil hij andere durvers laten zien hoeveel lef hijzelf wel heeft. Dit imaginaire scenario klinkt natuurlijk bekend: het verwijst naar de onderlinge concurrentie in peergroups van mannelijke adolescenten.

Op een ongezegde, en vooral ook onreflexieve manier wordt Aangenaam Verblijf gedragen door het verlangen om te schokken en te verbazen – door de wens naar erkenning, ingelost door boe-geroep of vriendschappelijk applaus. (Maarten Delbeke zal deze bespreking allicht met veel instemmend gegrinnik lezen: soit.) Kritiek staat hier gelijk met een ‘durverij’ die onnadenkend zichzelf geniet en voor alles wordt gemotiveerd door het spiegelbeeld van de provocateur. Kritiek als imaginaire provocatie: er wordt primair gemikt op het intellectuele veld – en uiteraard niet op de modale Suske en Wiske-lezer – door populaire genres te ‘intellectualiseren’ en de intellectuele reflectie tegelijkertijd te banaliseren. Indien dat, zoals in Aangenaam Verblijf, zonder veel nadenkendheid of literair talent gebeurt, is het resultaat behalve goedkoop, gemakkelijk en studentikoos vooral ook oninteressant.

 

Het boek Aangenaam Verblijf. Teksten 1994-1997 van Maarten Delbeke is een uitgave van Vlees en Beton in samenwerking met de architectuurvereniging aa50 en het Centrum voor Architectuur en Design. Vlees en Beton, Lange Nieuwstraat 29, 2800 Mechelen.