Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 73 mei-juni 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Francis Picabia

Het is altijd verleidelijk om te kijken naar de invloed die een kunstenaar zou hebben gehad als het om het bepalen van zijn belang gaat. Museum Boijmans Van Beuningen laat de tentoonstelling Francis Picabia – de late schilderijen 1933-1953 vergezeld gaan van een presentatie van werk uit eigen bezit getiteld Rondom Picabia, waarin precies op die manier te werk wordt gegaan. Enerzijds maakt deze presentatie deel uit van Chris Dercons beleid om de verschillende activiteiten van het museum op elkaar af te stemmen en tentoonstellingen duidelijker aan de eigen collectie te relateren, anderzijds duidt Rondom Picabia op een fundamenteel probleem in de omgang met Picabia. Het lijkt erop dat diens late werk acceptabel moet worden gemaakt door het te relateren aan Andy Warhol, David Salle, René Daniëls, Martin Kippenberger en wie niet al. Dat er maar in enkele gevallen sprake is van aantoonbare directe invloed lijkt er niet zoveel toe te doen: zo wordt Picabia alleen maar profetischer en belangrijker. De tentoonstelling met Picabia’s late werk toont echter een uiterst problematisch oeuvre dat met geen enkele kunstgreep tot de banale status van ‘innovatief’ kan worden gereduceerd. De kitscherige, glad-realistisch geschilderde werken uit de vroege jaren ’40 worden door een verwijzing naar pop art of postmodernisme niet minder bevreemdend. Veel van deze schilderijen, die vaak zijn gebaseerd op foto’s uit ‘ondeugende’ tijdschriften zoals Mon Paris, horen thuis op een rommelmarkt, zelfs al is de schilder Picabia. Nog altijd woedt een kunsthistorische strijd om de manier waarop deze werken moeten worden geïnterpreteerd: gaat het om ironische manoeuvres of simpelweg om handelswaar voor hitsige Noord-Afrikaanse verzamelaars? Voor een eensluidend antwoord is Picabia’s werk uit deze tijd echter te tegenstrijdig. Sommige werken zijn in ieder geval meer dan commerciële pot boilers: fascinerend is Le juif errant uit 1941, waarin naast de ‘jood’ Picabia diens Duitse vriendin Olga als een ijzig blauw visioen verschijnt. Het beste schilderij uit deze tijd is Cinq femmes uit 1942: vijf naakte vrouwen als een hellenistische beeldengroep op de voorgrond, met daarachter een blauwe zee. Picabia fuseert hier zijn pornografische idioom met de pseudo-klassieke Duitse nazi-kunst en de lichaamcultus van Kraft durch Freude. In Femme à la sculpture grecque (1942-43) koppelt Picabia het moderne fotografische naakt expliciet aan de klassieke beeldhouwkunst, als een soort wrange herinnering aan de val die de uitbeelding van het lichaam heeft gemaakt – van artistiek ideaal naar pornografie. Deze werken kunnen echter niet verhelen dat het grootste deel van Picabia’s productie uit deze tijd ver onder elke denkbare maat is. Pal na de Tweede Wereldoorlog komt dan de laatste stilistische omslag in de carrière van Francis, le raté: van kitschrealisme naar een informele abstractie met monochrome vlakken, doorspekt met vaak aan het lichamelijke (fallussen, vulva’s) refererende elementen. De idealistische abstractie van de jaren ’10 lijkt geïmplodeerd te zijn: Picabia’s late werken zijn ruïnes.

Francis Picabia – de late schilderijen 1933-1953 tot 31 mei en Rondom Picabia tot 7 juni in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, 3015 CX Rotterdam (010/441.94.00).