Petra Brouwer

DE WITTE RAAF

Editie 73 mei-juni 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Aldo en Hannie van Eyck

Afgelopen maart werden Aldo en Hannie van Eyck tachtig jaar – een aanleiding voor het NAi om het architectenpaar uit te nodigen zelf een tentoonstelling samen te stellen over hun werk. Hoe krampachtig de Van Eycks zich de laatste jaren ook als koppel presenteren, het decennia-bestrijkende oeuvre wordt nota bene op hun eigen tentoonstelling nog steeds gepresenteerd als Aldo’s oeuvre. In de begeleidende – Engelstalige – citaten is er alleen een ik-persoon aan het woord. Zolang niet duidelijk wordt gemaakt hoe “met het vorderen der jaren” Hannie “steeds nadrukkelijker bij zijn werk betrokken werd” (citaat uit persbericht), stemt deze dubbelpresentatie nogal meewarig.

Het zijn dan ook Aldo’s welhaast legendarisch geworden omkeringen waar de bezoeker van de tentoonstelling het eerst tegenaan loopt: “Tree is leaf and leaf is tree – house is city and city is house.” In 1959 formuleerde Van Eyck in het tijdschrift Forum hiermee zijn aanklacht tegen de naoorlogse zuinige, ‘functionele’ stedenbouw en architectuur. De wederopbouwwijken werden door stedenbouwkundigen van een verkavelingspatroon voorzien, dat vervolgens door architecten werd ingevuld. Rijen flats en plompe bouwblokken, aaneengeschakeld in abstracte en betekenisloze ruimtes, hadden Nederland in ruimtelijke zin onbewoonbaar gemaakt. Huis en stad, aldus Van Eyck, waren net zoals blad en boom onlosmakelijk met elkaar verbonden. Die verbondenheid moest weer zichtbaar worden gemaakt: de tak, de drempel. Van Eyck formuleerde het ‘ertussen’, de overgang van het een naar het ander, als ontwerpopgave. Een opgave die op elk schaalniveau zijn geldigheid behoudt, of het nu de overgang van vertrek naar vertrek, van binnen naar buiten, van straat naar plein betreft. Van Eycks retorisch en beeldend vermogen als aanvoerder van de Forumredactie zijn bijna dertig jaar na dato nog even aanstekelijk. De tentoonstelling – ingericht op zilverkleurige houten wanden, die met hun gebogen vorm associaties oproepen met het ontwerp voor het Sonsbeekpaviljoen in Arnhem (1966) – is een beeldverhaal met citaten die het plichtmatige van fotobijschriften overstijgen. Palladio’s S. Giorgio Maggiore, koffiedrinkers in Zanzibar en New Orleans, de adobe binnenruimtes in de Sahara en de transparante architectuur van Duiker, Van der Vlugt en Rietveld worden begeleid door spannende, belerende en soms zelfs ontroerende observaties. Het is een ontroering die voortkomt uit een vertrouwd weerzien, zoals bij het doornemen van oude fotoboeken of bij het luisteren naar de jeugdverhalen van je grootouders. De scherpe kantjes van het verleden zijn er af, waardoor van wat voorbij is met een veilige gretigheid kan worden genoten.

Ongetwijfeld was het niet Van Eycks bedoeling de atmosfeer op te roepen van een weldadig gevulde zolder waar het tussen stapels dozen aangenaam toeven is op een regenachtige zondag. Afgewezen ontwerpen als de herinrichting van het Minervaplein in Amsterdam en het Centrum voor Beeldende Kunst in Middelburg worden met bittere verwijten getoond, alsof de brief met afwijzing van Burgemeester en Wethouders gisteren op de deurmat is gevallen. Het recente meesterwerk van de Van Eyks, de nieuwbouw voor de Algemene Rekenkamer in Den Haag, krijgt ruime aandacht. In combinatie met een selectie van oud(er) werk – de speelplaatsen in Amsterdam, het Sonsbeekpaviljoen in Arnhem, het Hubertushuis in Amsterdam en de Molukse kerk in Deventer – valt op hoe consistent Van Eycks oeuvre is, en hoe onverminderd actueel zijn gedachtengoed is voor zijn recent werk. Maar voor wie niet in dat gedachtengoed is ingevoerd, vermoed ik dat beeldverhaal en citaten historische en sentimenteel antropologische abracadabra zijn en de consistentie in het oeuvre onzichtbaar blijft als gevolg van de belabberde documentatie en presentatie van de projecten. Dat de Minervalaan in Amsterdam ligt, moet de bezoeker kennelijk weten, en wat de opdracht was, hoeft blijkbaar niet vermeld. De mogelijkheid voor het ontwerpen van een villa met “two (twin)staircases” werd geboden door “Moscow”. Het enige dat we verder te weten komen over dit Moscow-house is dat het trapontwerp een lang gekoesterde wens was en dat het nooit is uitgevoerd. Dit keer volgt daarop geen scheldcannonade. Het is geen gelukkige keuze van het NAi om de hommage aan Van Eyck aan hemzelf over te laten. Het tentoongestelde is bovendien vrijwel een herhaling van de presentatie op Documenta X, vorig jaar in Kassel. Voor Van Eyck zelf is het ook een gemiste kans. Onwillekeurig illustreert de tentoonstelling de noodzakelijkheid van een meer afstandelijke benadering van een oeuvre-overzicht door een tentoonstellingsmaker/architectuurhistoricus. Maar het risico van een meer afstandelijke benadering kent Van Eyck als geen ander. In het tijdschrift Archis zag hij de nieuwbouw van de Rekenkamer in Den Haag geanalyseerd aan de hand van de conceptuele noties die hij in de jaren ’60 ontwikkeld had ten behoeve van de bouw van nieuwe steden, noties die bovendien ook nog foutief geïnterpreteerd waren. Met gevoel voor drama werden de boosdoeners door Van Eyck als heuse verdachten opgevoerd van geschiedvervalsing. Bovendien is het volgens Van Eyck veel te vroeg voor geschiedschrijving: “Generatiegenoten van Bernard C. maar ook de volgende generatie in Delft en elders – JULLIE ZIJN WAT MIJ BETREFT ALLEMAAL TIJDGENOTEN.” Van Eycks reactie is wellicht onnodig agressief, maar ze is ‘wat mij betreft’ verpletterend oprecht. Voor een dialoog zijn er echter twee partijen nodig en de vraag is of de tijdgenoten hem tegemoet komen met een ‘wat ons betreft ook’, of genoegen nemen met het verpozen op zolder, tijdens een regenachtige zondag.

The ball I threw. Hommage aan Aldo en Hannie van Eyck is tot 24 mei te zien in de Balkonzaal van het Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark 25, 3015 CB Rotterdam (010/440.12.00).