Erik Eelbode

DE WITTE RAAF

Editie 73 mei-juni 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Alain Géronnez

“Was student in de hoogtijdagen van de conceptuele kunst en tijdens de eerste oliecrisis, en de catalogus die hij hier voorlegt (of is het een kunstenaarsboek?) heeft die documentaire kwaliteit, die we toen zo bewonderden in het werk van Vito Acconci, Dennis Oppenheim of Jan Dibbets. Hij heeft geen rijbewijs, rijdt door Brussel op een solide fiets van het Zwitserse leger en weigert de Eurostar naar Londen te nemen omdat de TGV-lijn door de Ardèche de Rhônevallei verknoeid heeft. We kunnen hem dus geloven wanneer hij zegt dat hij iets wil doen voor de ecologie van de schilderkunst.” Zo opent Thierry de Duves tekst Portrait de l’Artiste en Anaglyphe, zijn amicaal voorwoord tot het vorig jaar verschenen boek met een gedocumenteerd overzicht van de tentoonstellingen en projecten die Alain Géronnez (Brussel, 1951) tussen midden de jaren ’70 en 1996 ondernam. De inleiding zet meteen de toon voor het hele boek, een even mild ironische klank vang je ook op in de door Géronnez zelf geschreven terugblik op zijn ‘carrière’. Een retrospectie die in eerste instantie vandaag plaatsvindt, zoals bijvoorbeeld blijkt uit zijn inleiding tot het minimalistische parodie-project Floor-Flex, in 1980 in de Brusselse Galerie Charles Kriwin. “Wide White Space: le nom de la célèbre galerie anversoise signale bien le paradigme moderniste de la galerie ou du musée. Le cube blanc, vide, nécessaire à la présentation des oeuvres modernistes. Notons au passage que s’il est facile de peindre en blanc, il est moins facile de faire le vide: le Muhka, d’Anvers aussi, trop ‘post-mode’ a beau être plus blanc que blanc, c’est plus le vide de l’idée que celui de l’espace qu’on y sent, hélas.” Einde citaat. Floor-Flex vond plaats naar het einde toe van Géronnez’ activiteiten onder de groepsnaam 50/04 (verwijzend naar de lengte- en breedtegraadligging van Brussel), waarin hij onder meer samen met Paul Van Ré een soort ‘Kwik en Flupke’-achtige kwajongenshumor verbond met een politiek-kritische en tegelijk ‘zelf-referentiële’ omgang met kunst. Galerie Kriwin bijvoorbeeld was ook zo’n witter dan witte ruimte. Van de eveneens spierwitte marmeren galerievloer werden negen tegels op ware grootte gefotografeerd en vervolgens op de exacte plaats van opname op de vloer gekleefd. Een werk in situ dat en passant beklemtoonde dat er niet zoiets bestaat als ‘puur wit’.

In de loop van verdere geschreven aanloopstrookjes tot projecten, worden nog de nodige vinnige commentaren meegegeven: over This is the show… in Gent bijvoorbeeld
– “à ce petit jeu il ne fallait pas nous faire la leçon” – of over de Brusselse fotoruimte Contretype en het fotografendom, waar Géronnez zich ondanks zijn affiniteiten met het medium steeds mijlenver van verwijderd wist. De meeste beelden die hij in zijn projecten gebruikt, worden inderdaad fotografisch gegenereerd. Thierry de Duve noemt het, zonder ironie, zijn grootste ‘talent’: “Géronnez is een superb fotograaf.” Zo is Démission photographique (Paleis voor Schone Kunsten, 1993-’94) – naast een kleine sneer naar de door Contretype, nota bene onder de titel 04/50, opgezette ‘Mission photographique’ rond Brussel – vooral ook een goed voorbeeld van zijn fotografische demarches. De wijze waarop Géronnez de straten van Brussel in beeld brengt, voluit en zo gecadreerd dat weinig of niets van wat in het beeldvlak gebeurt aan onze aandacht ontsnapt, kan niet beter omschreven worden dan als: “Lee Friedlander op zijn best nadat hij een les in eenvoud heeft meegekregen van de architectuurfoto’s van Dan Graham” (De Duve). De door Géronnez zelf ontwikkelde kleurprints van 40x50 cm werden schijnbaar nonchalant op de muur gespeld. Géronnez vindt immers dat passe-partouts foto’s alleen maar sacraliseren. Hij wil dat zijn drukken hun karakter van ‘bloc-notes’ behouden: “Document et composition plastique, qui est pour moi la raison d’être de la photographie.” Hoewel zijn foto’s soms minder uitgesproken anti-picturaal lijken, sluiten ze in strategie en presentatie nauw aan bij de complexe fotografische traditie van de conceptuelen: foto’s worden gebruikt als document, met de bedoeling een idee te reconstrueren of een ideologie te deconstrueren.

In plaats van een verdere beknopte shuffle doorheen de diverse voorbije projecten van Alain Géronnez – dat doet dit boekje beter dan wie ook – bieden we een korte situatieschets van zijn recentste project. Het betreft een presentatie in de Brusselse galerie Vincenz Sala, die gelegen is tussen het CIVA (de aan de gang zijnde uitbreiding van de Fondation pour l’Architecture) en het sluimerende voormalige INR/NIR-gebouw (Flageyplein). Architecturale ‘conservatie’ is het thema, terwijl de ‘stilistische degradatie’ van diverse Brusselse gebouwen de grondstof vormt voor uiteenlopende benaderingen via fotografie, fotokopie, digitale verwerkingen en lichtbeelden. Vier ‘sleutelwoorden’ bepalen de opbouw van de tentoonstelling. Déporter, Work in -situ is letterlijk het eerste woord: bij het binnenkomen van de galerie, valt de opengaande deur van de galerie exact samen met een levensgrote op de wand aangebrachte fotokopie van diezelfde deur. Défenestrer bestaat uit een serie ink-jet prints die Brusselse raamkozijnen, vroeger en nu confronteren. Désacraliser wil ten derde een aantal architecturale problemen in de hoofdstad schetsen, aan de hand van acht foto’s, “montées de manière un peu kitsch sur toile à la façon des amateurs”. En Décadrer tenslotte omvat een dia-installatie voor twee projectoren en scharnierend scherm, waarbij één projector steeds de leegte in schijnt.

Het boek Alain Géronnez. Expositions-Exhibitions 1980-96 is een uitgave van Keepsake Editions, Guillaume Keyenlaan 7, 1160 Brussel (02/672.36.80). De tentoonstelling Zu Gast bei Vincenz Sala is van 9 tot 30 mei te zien in Galerie Vincenz Sala, de Henninstraat 9, 1050 Brussel (02/538.25.66).