Jan Florizoone

DE WITTE RAAF

Editie 73 mei-juni 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Philips Koninck, of een landschap in de vorm van een traktaat

Philips Koninck was in de 17de eeuw beroemd als schilder van historiewerken en portretten. Hij maakte ook landschappen en tekende veel. Een schilderij dat Koninck in 1664 vervaardigde, hangt nu in het Museum Boijmans Van Beuningen. Het stelt een landschap voor: een vlak land gezien vanuit de hoogte, met vooraan een zandheuvel, een boerderij, enkele rustende mensen, bomenrijen en verderop een dorp met een kerkje, velden en een brede rivier. Het landschap glijdt naar een verre horizon waarboven zich een wolkenhemel beweegt. Het schilderij meet 83x104 cm en is omlijst met een goudkleurig kader. Naar dit werk in het museum komt Kees Vollemans sinds jaren kijken. Hij heeft er nu een boek over geschreven: “Dit boek gaat over een gezicht. Een vergezicht. En over een object. Een schilderij.”

In de 17de eeuw vierde de Hollandse schilderkunst hoogtij. Een groep schilders muntte uit in het maken van schilderijen in bepaalde genres die toen weinig toonaangevend waren: het portret, het landschap, het stilleven, taferelen van het dagelijkse leven. Die kunstenaars legden veeleer de klemtoon op de waarneming van hun lokale realiteit dan op de uitbeelding van mythologische of christelijke verhalen, naar het voorbeeld van de Italiaanse historieschilderkunst. Ook dit landschap van Koninck is een voorbeeld van die 17de-eeuwse nieuwe tendens in het Nederland: het is een landschap dat we onmiddellijk als ‘Hollands’ ervaren, een vlak land met veel water en een bewolkte hemel.

Over de historieschilderkunst bestaan veel traktaten, over die nieuwe genres niet. Italiaanse en Nederlandse schrijvers, hebben in de loop van de 16de en 17de eeuw, teksten geschreven die de historieschilderkunst als hoogste artistieke prestatie definieerden en hebben die andere genres als minderwaardig beschouwd. De historieschilderkunst stelt de mens centraal en eist van de schilder cultuur en inspiratie, vernuft en kunnen. Hun ideeën hebben de kunstgeschiedenis sterk beïnvloed. Nu betitelt Kees Vollemans zijn nieuwste boek Philips Koninck, of een landschap in de vorm van een traktaat. Hij wil duidelijk het landschap op een hoger niveau zetten.

Eerst beschrijft Vollemans het schilderij en laat het ons zien. Hij wijst naar de diagonale stroken bestaande uit bomencoulissen, het lichtste gedeelte van de bodem net niet in het midden, de gebogen lijn van de horizon gedragen door een ellips, het doorploegde stuk voorgrond als boogvormig repoussoir, de wolkenhemel waarin het witste licht zich weerkaatst in de rivier. Hij onderkent een doordachte compositie, een harmonie van kleuren, verschillende wijzen van schilderen. Hij noemt het “een bezielde voordracht”, “een ceremonie van de wereld” en gaat op zoek naar de ceremoniemeester. Vollemans stelt zich Koninck voor, staand in een Hollands atelier in 1664. De schilder beschikt over een doek, kwasten en verfmateriaal, binnen zal hij een landschap maken. De werkelijke natuur ‘van buiten’ kent hij goed, tijdens zijn wandelingen heeft hij elementen met het oog geobserveerd en naar het leven getekend. Bomen, waters, dieren, mensen, grassen, stenen, luchten… hij heeft ze getekend van veraf en dichtbij, vanuit verschillende gezichtspunten, lettend op de verschillen en de gelijkenissen. Met die elementen zal hij selectief en inventief omgaan, hij zal ze ordenen tot een nieuw natuurgetrouw beeld, met elkaar verenigen tot een ‘landschappelijke constellatie’. Hij bedenkt zijn landschap en het schilderen is zijn verhandeling.

De geest volgt de hand. De schilder is geoefend, is meester van een subtiel metier, maakt met de hand daadwerkelijk het innerlijke beeld zichtbaar. Hij schildert “het stille, gladde violet van het water”, “de kruimige okeren substantie van het zand”, “het geestdriftige emerald van een veld”. Die manuele uitvoering, geïnspireerd door het verstand, wordt echter bestuurd door het oog. Het is een “kunst van het kijken”. Vóór het schilderen had het oog de fysieke werkelijkheid waargenomen en getekend. Tijdens het schilderen ziet het oog hoe de vormen van de natuur verschijnen uit een chaos van picturale tekens, hoe de bomen zich oprichten uit kleurrijke accenten, hoe de hemel zich bewolkt uit een afwisseling van lichte en donkere partijen. Het is het oog dat aan het roer staat en het schilderen stuurt. “De hand zoekt het denkbeeld en de geest volgt de hand, maar de samenwerking tussen hand en geest wordt voltrokken door het fortuinlijke oog, de ceremoniemeester van de handeling.” Koninck schildert van binnenuit, en niet zoals wij zo vaak denken en dachten: als iemand die naar buiten kijkt en dat exterieur beeld nabootst op zijn doek. Hij schildert niet de zichtbare wereld maar “het raadsel van de zichtbare wereld”. Hij verbeeldt de adem van de natuur en doet zijn landschap opleven, door middel van de sensatie van het schilderen. Als kunstenaar is hij overtuigd van de kracht van de illusie, schept hij genot in de verschijning van de dingen. Staan wij, in de sporen van Kees Vollemans, voor het schilderij in het museum dan genieten wij zo van het verre uitzicht, geloven we in ‘de realiteit’ van het landschap, hebben onze ogen plezier en raken we tenslotte ‘buiten onszelf’.

Vollemans heeft een prachtig boek geschreven over dit werk van Philips Koninck, over het vermogen van het schilderen en over de triomf van het oog. Schilderkunst is een retinale aangelegenheid, wat de 20ste eeuw ook mag beweren. Het boek is trouwens goed geïllustreerd, het landschap doemt op iedere pagina op, in alle mogelijke vormen en fragmenten. Zelden heeft een boek de beweeglijkheid van een schilderij zo goed vormgegeven.

Kees Vollemans, Philips Koninck, of een landschap in de vorm van een traktaat, Uitgeverij 1001, Adm. de Ruyterweg 139, 1056 EZ Amsterdam (020/689.04.94).