Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 74 juli-augustus 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Drieluik Nederlandse kunst

Kunstsponsoring kan uiterst vermakelijk zijn. De jubilerende Rabobank financiert een over drie musea verspreide tentoonstellingsreeks waarin Nederlandse kunstenaars uit drie opeenvolgende generaties centraal staan: Ad Dekkers in het Stedelijk Museum in Amsterdam, René Daniëls in het Van Abbemuseum in Eindhoven, en later dit jaar Micha Klein in het Groninger Museum. Om op haar culturele engagement te wijzen plaatste de Rabobank in de dagbladen advertenties met als motto “Noem ‘t: eigenwijs”. U moet namelijk weten dat het de eigenwijsheid van Daniëls, Dekkers en Klein is die hun werk zo bijzonder maakt, en een moderne, dynamische, innovatieve onderneming kan eigenwijsheid en “verzet, dwars tegen het gangbare in” natuurlijk wel waarderen. In ieder geval als het bekende kunstenaars betreft. Door de wijze woorden van de sponsor bevleugeld, putte de Nederlandse kunstkritiek zich naar aanleiding van de Daniëls-retrospectieve in het Van Abbemusuem uit in hagiografische exercities – er werd nog net niet beweerd dat Daniëls de zoon van God is. Een daadwerkelijke evaluatie van het belang van zijn in 1987 door ziekte afgesloten oeuvre kwam er niet van, en kritische kanttekeningen ontbraken al helemaal. Men kan zich nochtans afvragen of de veelgeroemde meerduidigheid van met name Daniëls’ vroege werk in sommige gevallen niet vooral vrijblijvend is. In Daniëls’ oeuvre liggen briljante inventie en de simulatie van betekenisrijkdom dicht bij elkaar. De globale verheerlijking van Daniëls verdoezelt niet alleen zijn miskleunen, maar maakt ook zijn successen betekenisloos. Prachtig zijn een aantal werken uit de reeks tentoonstellingsruimtes in vlinderstrikvorm, zoals Memoires van een vergeetal uit 1986. De tot simpele kleurvlakken gereduceerde schilderijen zijn in deze werken abstracte tekens voor kunst, alsof de inhoud er in het tentoonstellingscircus nauwelijks nog toe doet. In het late werk is het vermoeden nooit ver weg dat de schilderkunst in de spektakelmaatschappij een dood relikt is. De bravoure heeft plaatsgemaakt voor veel overtuigender ingetogenheid en twijfel – zie de Kades-Kaden-werken, waarin aan een boomstructuur de titels van oude schilderijen worden herhaald. De titels van de verwante Lentebloesem-werken laten hopen dat er na het eindspel een nieuw begin gloort, maar die belofte kon Daniëls niet meer inlossen.

Het Stedelijk Museum koos voor de in 1974 overleden Ad Dekkers. Kenmerkend voor Dekkers’ werk zijn de kleur wit en het gebruik van elementaire geometrische vormen als vierkant, cirkel en driehoek. In reliëfs uit de late jaren ’60 zoals Verschoven driehoeken (1969) leidt dat tot een soort geometrische virtuositeit die ongeloofwaardig aandoet naast de serialiteit in het gelijktijdige werk van Amerikanen als Judd en Andre. Dekkers heeft eens gezegd dat hij uitging van de “innerlijke wetten van de natuur”, en het is vermoedelijk uit deze romantisch-idealistische achtergrond dat de verschillen met de Amerikaanse minimalisten, maar ook met een Nederlandse collega als Peter Struycken voortkomen. Met één been stond Dekkers stevig in zijn tijd, met het andere er even stevig buiten. Buitengewoon fraai is een grote groep extreem eenvoudige werken uit de jaren ’70, die bestaan uit witgeschilderde houten planken die door freeslijnen horizontaal of verticaal (of beide) in twee of meer delen zijn onderverdeeld. De lijn is in deze werken immaterieel, een schaduw in een inkeping die even wit is als de rest van het werk. Toch zijn deze werken in zeker opzicht ook traditionalistisch: de lijn in Horizontale middendeling in rechthoek als zaagsnede (1972) neemt onverbiddelijk het karakter van een horizon aan, terwijl de verticalen in andere werken aan Newmans zips, aan poorten en de rechtopstaande mens doen denken. In het Stedelijk wordt het werk van Dekkers in de context van de geometrisch-abstracte en minimalistische traditie getoond, hetgeen op zichzelf een zinvolle afwijking van de conventies van de monografische tentoonstelling is. Helaas geeft vooral het ‘contextuele’ gedeelte van de expositie vaak de indruk dat er ongeïnspireerd wat werken uit Nederlandse musea bij elkaar zijn gesprokkeld, en helaas zijn de combinaties soms weer hopeloos: zelfs als decorateur faalt Fuchs volledig. Een pimpelpaars metallic wandreliëf van Judd en een frêle Ryman verdragen elkaar nu eenmaal niet als ze zo dicht op elkaar hangen. De echte aanfluiting is echter de catalogus: wie van mening is dat Dekkers een cruciale kunstenaar is, mag niet volstaan met een dergelijk vod, waarin naast een mijmerstukje van Fuchs en een gerecyclede tekst van Jean Leering slechts korte standaardtekstjes over de ‘context’-kunstenaars staan. Dit onding kost dan ook nog 79,50 NFL. Wat zou het Stedelijk in godsnaam met dat sponsorgeld hebben gedaan? Of was de tractatie van de Rabobank Hollands zuinig?

 

• René Daniëls – The Most Contemporary Picture Show tot 30 augustus in het Van Abbemuseum met de schilderijen in het oude gebouw aan de Bilderdijklaan 10 en werken op papier aan de Vonderweg 1, Eindhoven (040/275.52.75).

• Als Golfslag op het strand… Ad Dekkers in zijn tijd tot 23 augustus in het Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, 1071 CX Amsterdam (020/573.29.11).