Petra Brouwer

DE WITTE RAAF

Editie 74 juli-augustus 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Ontwerpen voor het MOMA, NY

Het Museum of Modern Art in New York bereidt zich opnieuw voor op een omvangrijke uitbreiding. In 1932 werd het MOMA gehuisvest aan de 53ste straat, alwaar het sindsdien gestaag zij- en achterwaarts, naar de 54ste straat, uitbreidde. Philip Goodwin en Edward Durell Stone ontwierpen in 1939 het modernistische kerngebouw, Philip Johnson in 1954 de karakteristieke beeldentuin en in 1984 verdubbelde de tentoonstellingsruimte volgens het ingrijpende ontwerp van Cesar Pelli, die onder meer de museumtoren toevoegde. Wat te doen met een volgende uitbreiding – verder met de aan-kleef-aan-methode of kiezen voor een uitbreiding die tevens een totale herstructurering inhoudt? Het MOMA koos voor het laatste en nodigde tien bekende architecten uit voor een ‘charette’, een ontwerpopdracht die gericht was op het ontwikkelen van architectonische en stedebouwkundige concepten, en (nog) niet op een uitgewerkt ontwerp. Programmapunten waren onder meer hoe het museum zich moet verhouden tot de stedenbouwkundige omgeving, die sinds Goodwin-Rendells ontwerp ingrijpend veranderd is; hoe om te gaan met de centrale plaats die de beeldentuin inneemt in het huidige museumgebouw, als de noord-westelijk gelegen uitbreidingslocatie de tuin van zijn centrale plaats ontdoet; en op welke wijze kan de architectuur de belangrijkste museale functies als collectievorming, onderzoek en voorlichting representeren. Wiel Arets, Steven Holl, Toyo Ito, Rem Koolhaas, Dominique Perrault, Rafael Viñoly, Tod Williams/Billie Tsien, Jacques Herzog en Pierre de Meuron, Yoshio Taniguchi en Bernard Tschumi kregen een uitnodiging voor de charette die voor de laatste drie resulteerde in een finaleplaats. Taniguchi kreeg uiteindelijk de opdracht: het museum heeft daarmee voor een welhaast classicistische helderheid gekozen. Terwijl zijn landgenoot Toyo Ito het Manhattangrid opvat als neutrale onderlegger voor het juxtaponeren van losse componenten, met het huidige MOMA als een perfecte representant daarvan, kiest Taniguchi voor een doorbreken van die neutraliteit met een hiërarchisch ruimtelijk concept. Zo wordt de entree aan de te commercieel en onrustig bevonden 53ste straat verplaatst naar de 54ste straat en verschuift de tuin om zoveel mogelijk zijn centrale plaats te behouden tussen twee ‘paviljoens’.

De formulering van de charette-opgave, verslagen van een conferentie over de positie en functie van het MOMA in de volgende eeuw, evenals de visie van de drie finalisten zijn gebundeld in het degelijke boek Imagining the Future of The Museum of Modern Art (in de reeks Studies of Modern Art 7, New York, 1998). Geïnteresseerden kunnen beter dit boek ter hand nemen dan de tentoonstelling in het NAi bezoeken. De tien deelnemers aan de charette komen er namelijk bekaaid van af met elk een paneeltje dat in de meeste gevallen onbegrijpelijk is vanwege het conceptuele karakter. De heldere toelichtingen en uitwerkingen van het boek worden hier node gemist. Wel fraai zijn de maquettes en plannen van de drie genomineerde ontwerpen.

 

• Het moderne heroverwogen. Ontwerpen voor het Museum of Modern Art, New York nog tot 9 augustus in de Balkonzaal van het Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark 25, 3015 CB Rotterdam (010/440.12.00).