Erik Eelbode

DE WITTE RAAF

Editie 74 juli-augustus 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Albert Renger-Patzsch

Dat hij in het begin van de jaren ’20 samen met Moholy-Nagy een van de boegbeelden van de Duitse Nieuwe Zakelijkheid was en dat zijn rigoureuze werkprincipes – die hij tot het einde van zijn loopbaan trouw bleef – van levensbelang bleken voor de Bechers en hun leerlingen, werd in eerdere tentoonstellingen en publicaties al danig beklemtoond. Met een recente studie van Rainer Stamm en een tentoonstelling brengen Ann en Jürgen Wilde, die het Renger-Patzsch Archiv beheren, samen met de SK Stiftung Kultur in Keulen de beginjaren van Patzsch onder de aandacht.

Het was in een uitgeverij dat Albert Renger Patzsch (1897-1966) zijn fotografische loopbaan begon, als medewerker van schrijver en ‘biosoof’ Ernst Fuhrmann. Fuhrmann werd in 1919 door mecenas Karl Ernst Osthaus naar Hagen gehaald als directeur van het Deutsches Museum für Kunst in Handel und Gewerbe en van het Folkwang-Verlag, de aan het gelijknamige Hagense privémuseum van Osthaus verbonden uitgeverij. Na de dood van Osthaus in 1921 brengt Fuhrmann de uitgeverij over naar Darmstadt en zet ze vanaf 1923 voort als Auriga-Verlag, een bescheiden latinisering van zijn eigen naam. Al een jaar daarvoor was de uitgever begonnen met de uitbouw van een fotografisch archief, dat in eerste aanleg de bedoeling had om zijn eigen biosofische inzichten, zoals hij die onder meer in zijn boekenreeks Die Welt der Pflanze zou neerschrijven, ook visueel te onderzoeken en te ondersteunen. Ook Renger-Patzsch die vanaf 1920 voor het Folkwang-Verlag aan de slag was met het fotograferen van etnografische verzamelingen, wordt daarbij ingeschakeld. Fuhrmann weet heel precies hoe hij zijn planten verbeeld wil zien en regisseert zijn fotografen met strakke hand. “Hij heeft me leren kijken,” zou Patzsch later over Fuhrmann gezegd hebben. Kunsthistoricus Rainer Stamm suggereert zelfs dat in deze strak gestuurde eerste werkervaring de kiem ligt van Renger-Patzschs latere cultivering van een “objectieve fotografie, die in de eerste plaats de veelzijdigheid en de specifieke structuur van de werkelijkheid zo exact en ongekunsteld mogelijk wilde vatten”. In elk geval hebben een aanzienlijk deel van deze vroege opnamen hun oorspronkelijke populair-wetenschappelijke en achterhaalde ‘biologistische’ context duidelijk overleefd en kunnen de plantenfoto’s, die Renger-Patzsch samen met collega’s als Fred Koch, Lotte Jacobi, Else Thalemann en Dore Barleben bezorgde voor de boekdelen van Die Welt der Pflanze, met de nodige nuanceringen, als ‘incunabelen’ van de fotografische Nieuwe Zakelijkheid beschouwd worden. In de tentoonstelling worden 120 originele prints uit het inmiddels her en der verspreide Auriga-beeldarchief opnieuw samengebracht. De samenwerking tussen Renger-Patzsch en Fuhrmann eindigt met het eerste individuele Renger-Patzschboek – Das Chorgestühl von Cappenberg – dat in 1925 nog door het Auriga-Verlag wordt uitgegeven. Daarna gaat Patzsch zijn eigen weg. In 1928 publiceert hij Die Welt ist schön, dat vrijwel meteen als bijbel van de Nieuwe Fotografie zal worden opgepikt.

 

• Die Welt der Pflanze. Photographien von Albert Renger-Patzsch und dem Auriga-Verlag: tot 26 juli in Die Photographische Sammlung/SK Stiftung Kultur, Im Mediapark 7, 50670 Köln (0221/226.59.00). Parallel met deze tentoonstelling is er werk van drie jonge kunstenaars te zien: Natascha Borowsky, Claus Goedicke en Simone Nieweg.