Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 74 juli-augustus 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

The Picasso papers

Het kubisme speelde in de formalistische visie op de moderne kunst een cruciale rol: het was in het kubisme dat de beeldende kunst zich definitief van ‘wezensvreemde’ elementen zou hebben bevrijd. In haar nieuwste boek behandelt Rosalind Krauss het kubistische werk van Picasso daarentegen vanuit structuralistisch perspectief, en ook Picasso zelf ziet zij als een structuralist, die in die collages uit de vroege jaren ’10 op soevereine wijze tekens manipuleert. In The Picasso Papers verbindt Krauss het kubistische hoogtepunt in Picasso’s werk echter nadrukkelijk met wat traditioneel als het betreurenswaardige dieptepunt wordt gezien: de neoclassicistische werken die vanaf 1915 ontstaan. De rode draad in haar betoog vormt de these dat het neoclassicistische werk geen breuk met het kubisme was, geen inconsequentie of verraad, maar juist een logische gevolgtrekking uit de problemen van het kubisme. Overigens is het Krauss niet te doen om een revisionistische herwaardering van het ‘klassieke’ werk, zoals die door sommigen wordt voorgestaan: ook zij beschouwt het als niet geslaagd. Zij wil het echter begrijpen in plaats van het simpelweg te veroordelen.

In de introductie die voorafgaat aan de drie delen waaruit het boek is opgebouwd, ontleent Krauss aan Andre Gides roman Les faux monnayeurs een kader voor de discussie van Picasso’s werk. Gide gebruikt de valsemunterij als metafoor, of beter gezegd als parallel, voor de praktijken van de avant-garde. De valsemunters in zijn roman brengen om een kern van kristal een flinterdun laagje goud aan. Op een soortgelijke wijze zou de moderne kunst een kille, abstracte, doorzichtige kern van kristal hebben. Gide begon in 1919 aan zijn boek te werken, maar de handeling speelt voor de Eerste Wereldoorlog, toen geld nog gekoppeld was aan de goudreserves – geld had nog een ‘referent’. Gedurende de oorlog werd de goudstandaard echter losgelaten en werd geld een zwevend teken. Deze economische ontwikkeling koppelt Krauss aan een ontwikkeling in de kunst: in het kubisme werd de ‘gold standard of visual naturalism’ losgelaten ten gunste van ‘the circulation of the sign.’

Krauss werkt dit verder uit in het magnifieke hoofdstuk over de kubistische collages van Picasso, dat alles wat eerder over het kubisme geschreven is in de schaduw stelt. Zij richt zich met name op de rol die krantenknipsels in die collages spelen. Verwoorden zij Picasso’s opvattingen over bepaalde kwesties, zoals wel is betoogd? Krauss verzet zich tegen deze visie. In de collages worden in haar visie net als in Apollinaire’s gedicht Fenêtres uiteenlopende elementen zodanig naast elkaar gezet dat zij hun disparate karakter behouden in plaats van een tekst te vormen die de intentie van een auteur verwoordt. Picasso laat de tekens circuleren zonder ze een kans te geven tot rust te komen en een vaste betekenis aan te nemen. Dit uit zich ook in de wijze waarop het ‘negatief’ van een uit papier geknipte vorm elders in dezelfde collage terug kan keren en daar een hele andere functie krijgt.

Het neoclassicistische werk betekent slechts schijnbaar een terugkeer naar de ‘goudstandaard’ van de mimesis. In feite gaat het bij dit werk om pastiches: terwijl Gide polemisch de neiging naar abstractie in de moderne kunst aan valsemunterspraktijken relateerde, kan men stellen dat Picasso pas met zijn ‘retour a l’ordre’ écht een valsemunter werd. Hij ging schijngoud produceren. Zoals gezegd weigert Krauss dit echter als een abrupte breuk te beschouwen: zij betoogt dat de wortels van Picasso’s pastiches in het kubistische werk zelf liggen. Daarbij richt zij zich vooral op Picasso’s pogingen om het kubisme kleur te geven. Volgens Krauss verving het kubisme de mimesis door een onderzoek naar visualiteit als conventie, als teken, hetgeen het gebruik van kleur problematisch maakte: kleuren spreken de zintuigen immers zeer direct aan. Picasso greep daarom op een gegeven moment terug op gepointilleerd behangpapier omdat hij in een dergelijke ‘commercialisering’ van Seurats techniek een mogelijkheid vond om bewust met kleur om te gaan: “color […] bracketed as sign, color produced in terms of the secondhand condition of the copy”. Door dit papier te gebruiken, maakte Picasso een soort tweedegraads pastiches. Het principe van de pastiche verbindt dus Picasso’s kubisme en neoclassicisme, met het belangrijke verschil dat de ‘neoclassicistische’ Picassso dat principe niet meer bewust hanteerde: hij maakte zijns ondanks pastiches, terwijl hij poogde de circulatie van tekens te stoppen. Krauss betoogt dat Picasso zich in deze fase zorgen maakte over de consequenties die door anderen uit het kubisme werden getrokken. Zo kwamen Duchamp en Picabia vanuit het kubisme tot een kunst die in het teken stond van “automation, deskilling, and serialisation” in de gedaante van “the photomechanical, the readymade, and abstraction”. In deze constellatie voelde Picasso zich geroepen de traditie te redden, maar Krauss wijst er terecht op dat zijn ‘neoclassicistisch’ werk vaak mechanisch en fotografisch aandoet, en dus Picabia – Picasso’s nemesis in die jaren – in feite in het gelijk stelt.

The Picasso Papers sluit af met een analyse van de biografische ‘verklaringen’ van de (al dan niet schijnbare) breuken in Picasso’s werk. Krauss stelt dat het leven van een kunstenaar minstens evenzeer door het werk wordt bepaald als andersom, en dat verklaringen van het werk vanuit de levensloop daarom vaak het karakter van logische kortsluitingen hebben. Bovendien hangen ook biografische teksten aan elkaar van de pastiches en valsemunterij. Dit laatste hoofdstuk staat enigszins los van de rest van het boek: het is niet zozeer een climax als wel een niet te versmaden toegift na een briljant optreden. Op stilistisch vlak permitteert Krauss zich enkele quasi-literaire maniërismen die wat mij betreft weggeredigeerd hadden mogen worden, maar verder verdient The Picasso Papers slechts loftuitingen en prestigieuze prijzen. Zelf de losse eindjes en de minder uitgewerkte motieven in haar betoog verhogen, doordat ze tot reflectie aanzetten, de waarde van deze intellectuele thriller.

 

• Rosalind Krauss, The Picasso Papers in 1998 uitgegeven door Thames and Hudson, Bloomsbury Street 30, WC1B3OQ London (0171/636.54.88).