Pierre Michon

DE WITTE RAAF

Editie 76 november-december 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De Koning van het woud

Voor Gérard Macé

 

Hun gezicht ademt woede;

ze uiten geen woorden maar gegrom;

als kamers bewonen ze de bossen.

Ovidius

 

Ik, Gian Domenico Desiderii, heb twintig jaar gewerkt met die oude gek. Ze vertellen me dat hij nog steeds niet dood wil; ik hoor weleens wat over hem, hoor hoe hij wordt geprezen, en zo nu en dan krijg ik een van zijn nieuwere maaksels te zien met dezelfde bomen, dezelfde schaapskooien, dezelfde paleizen wanneer de zon opkomt, en daarboven de hemel als een gat. Dezelfde luister, dezelfde luchtspiegelingen – het zal best. Ik heb er mijn buik vol van. Hij kan er maar geen genoeg van krijgen, de oude gladjakker, de kwezel. Laat hij vooral doorgaan met schilderen, als hij zonodig wil. Laat hij verkankeren in zijn vrome arbeid. Ook ik was een schilder, en nu ben ik een prins. Bijna een prins: ik heers over de drijvers en de meuten, de equipages en de livrei, de koetsen; ik heers ook over de bossen; ik ben in dit ondermaanse opperstalmeester en innemer, factotum van hertog Karel, monseigneur van Nevers, die Mantua bezet.

Het regent over Mantua. Het is een trieste stad, die naar modder smaakt zelfs als de zon schijnt. In die moddersmaak houd ik me bezig. Waar is de hoopvolle verwachting die me ooit tot schilderen dreef, met zon op mijn hoofd en in mijn ziel, in het geuren van dennen? Waar zijn jullie, mannetjes die ik naar mijn hand zette, gewillige goden, boeven met grote vilthoeden op en peinzende zeelui, passanten die riviertjes doorwaadden? Maar daar zijn ze immers, ik roep ze bijeen in de regen bij de stallen, ze ruiken naar drank en nat hondenhaar, mijn boeven, mijn drijvers. Hun vilthoed druppelt over hun ogen, ik zie de gezichten bijna niet – iets omnevelt ze, hun baard misschien, of de regen, de angst van de ochtend als de wolven afdruipen. Die daar, is dat Jan of Giovanni? Maar die ander herken ik toch, dat is Hakem: hij is zwart als roet. Vooruit maar, te paard. Laten we nog eens van leer trekken in de bossen, laten we in de jachthoorn blazen en met onze armen zwaaien, en mogen onze zielen vanavond in onze uitgeputte lichamen eindelijk slapen. Kijk goed uit je ogen, mijn boeven: in die dikke mist zitten beestjes die je niet ziet, en als je ze ziet, is dat om ze dood te maken; om ze te zien en ze dood te maken worden jullie betaald, en met wat jullie verdienen, bedrinken jullie je en slapen jullie beter. Wat een schaduwen om ons heen. En evenveel schaduwen dragen ons. Ze zeggen dat het ochtend is. Ze zeggen dat het zomer is. Wij galopperen, zoveel is zeker. Zelfs de vilthoeden zie ik niet meer, bij al dat vallen hoor ik de hoefslagen niet. Er zullen wel takken kraken daarboven, ook die hoor je niet. Everzwijnen doemen op, of stammen, welke beweegt, welke blijft liggen? En die grote ontwapende prooien, van kruin tot voet gewikkeld in nevel, in onmacht, jullie, oude bomen, bezwijken jullie ook al?

 

*

 

Ik heb geschilderd om een prins te zijn.

Ik zal een jaar of twaalf zijn geweest. Het was midzomer, het uur van de avond waarin het nog warm is maar de schaduwen wentelen. Ik hoedde varkens in een eikenbos niet ver van Nemi, vlak bij een brede weg; ik had een stok van zijn bast ontdaan en veel plezier beleefd aan het slaan van die grote domme beesten wanneer ze binnen mijn bereik kwamen. Toen ik daar genoeg van had gekregen, beperkte ik me tot het neermaaien van de varens, de hooghartige bloemen van het kreupelhout, die door mijn geransel sterker geurden; ik hanteerde die gesel graag. Uit de verte hoorde ik een rijtuig aankomen, in een kalm gangetje; ik verstopte me en hield me koest: de volle zon viel neer op de weg en ik zat daar in de schaduw naar die zonovergoten weg te kijken, vlak tegen de grond, onzichtbaar. Tien passen van mij en mijn varkens vandaan stopte in het zomerse licht een koets beschilderd met azuurblauwe stroken, voorzien van een naamcijfer; uit die met een wapen getooide rijtuigbak sprong een weelderig gekleed meisje te voorschijn dat lachte, ze rende alsof ze op me toe kwam; ik zag hoe ze haar tanden ontblootte, het vuur van haar ogen; nog steeds lachend greep ze zich vast aan de zoom van de schaduw, draaide me resoluut de rug toe, een eindeloos moment lang plantte ze zich in die door bladeren gemarmerde zon waarin haar haardos, haar immens azuurblauwe rokken, het wit van haar handen en het goud van haar polsen opvlamden, en toen die handen als in een droom naar haar rokken reikten en ze oplichtten, werden de wonderbaarlijke dijen en billen mij geschonken, alsof het licht was, maar een dichter licht; abrupt hurkte dat alles neer en piste. Ik sidderde. De gouden straal viel duister neer in de zon, maakte een gat in het mos. Het meisje lachte niet meer, zo ingespannen was ze bezig haar rokken hoog vast te klemmen en dat bruuske licht uit haar te voelen stromen; met haar hoofd een beetje gebogen keek ze wezenloos naar het gat dat dan ontstaat in het gras. De azuren plunje stond bol om haar nek, knisperend, opgepoft, haar lendenen waren ongemeen zichtbaar. Het beschilderde portier van de koets klapperde nog een beetje, zo vlug had de piskous het opengeduwd – daarachter leunde een man achterover, in een losgeknoopt zijden wambuis, die naar haar keek. Hij droeg evenveel kant om zijn hals als zij om haar billen; hij glimlachte zoals je glimlacht wanneer niemand je ziet, met minachting en een dubbelzinnig plezier, bescheiden en tegelijk verwaand, meedogenloos teder. De koetsier keek een andere kant op, beschaafd, als een dier. De stevige straal van het knappe meisje werd dunner; de prins zei iets liefs tegen haar, waar hij een schunnig woord aan toevoegde dat alleen wordt gebruikt voor lichtekooien van het laagste allooi; hij glimlachte openhartiger, tederder. De handen van de vrouw knepen krampachtig samen in het opgestroopte kantwerk, en ze uitte een misschien onderdanig, smekend of verrukt gekir, dat mijn hart deed zwellen; ze had haar hoofd opgericht en keek hem op haar beurt aan. Ik stelde me die blik voor als bloed. Hoge witte bloemen bloesemden tegen mijn wang. Dit alles was vol van onverschillig geweld, als de hemel op het middaguur, als de kruin van de bossen.

Met een sprong was de vrouw opgestaan, de gewone gloed van de rokken bedekte die van de dijen; ze liep terug naar de koets, langzamer dan daarstraks, zelfvoldaan en met iets aanstellerigs in haar tred; ze zag rood; ze sloeg haar ogen neer, ze glimlachte niet. De prins wel. Met een geruis van zijde ging ze tegenover hem zitten. Hij kuste haar de hand, greep haar eventjes onder haar rokken, en vormelijk, afwezig, liet hij buiten het portier twee vingers klakken. De paarden en de koetsier, die stukken rijtuig zijn, gehoorzaamden aan dat geluidje dat ze kenden; gedwee voerden ze naar Rome hun delicate lading die bestaat uit een andere substantie dan het hout van de rijtuigen en het leer van de leidsels, uit een ander vlees dan dat van koetsiers en paarden, een vlees dat niettemin net als het vlees van paarden pist en kijkt, maar dat de tijd en de geest heeft om van die dingen te genieten, om dierlijker te pissen dan een paard en ervan te genieten, om intenser te kijken dan een koetsier die in het holst van de nacht zijn weg zoekt, maar ervan te genieten, een vlees dat kant om de buik draagt teneinde nog nadrukkelijker vlees te zijn, of dat het om de hals draagt teneinde geen vlees meer te zijn maar alleen nog naam, staatsie, neerbuigendheid, het suprême vlees van prinsen. Die uiteenlopende vlezen dus verwijderden zich en deden bij het wegrijden stof opdwarrelen, als een kudde schapen. Ik weet niet of ik die dag aan mijn gerief kwam, zoals dat heet, ik was nog klein. Ik liep naar de plek waar ze haar rokken had opgelicht; ik liep naar de plek waar de koets halt had gehouden, het kleine gewijde plekje waar volgens mijn berekening de prins had gezeten; vandaar keek ik naar de bosrand, de precieze boom waaronder het meisje ter wille van zijn ogen had gepist. Ik kuste wat ik me van een blanke hand voorstelde, zei hardop het woord dat gemene hoeren aanduidt, liet twee vingers klakken. De bomen in het licht waren immens, hun aantal onafzienbaar groot. Het ligt in onze aard dat naakte dijen ons daaronder nog omvangrijker lijken. God, die alles ziet met eendere blik, benijden we niet; de blik die we benijden, is er een die gericht wordt op datgene waarvan hij aanstonds het genot heeft, al ging de wereld eraan kapot. Terwijl ik daar in de snikhete zon op die weg zat waar een prins, die misschien ook maar een markies was, vluchtig had geglimlacht, begon ik luidkeels en met grote uithalen te huilen. Ik had willen branden. Mij droeg een zinneloze verrukking, die misschien verdriet was, of woede, of de verscheurende lach van wie onverhoeds God vindt, op een weg. Het was vast de toekomst, die bom tranen. Het was God evengoed, op de hem eigen merkwaardige wijze.

Ik had heel wat andere vrouwen naakt gezien. Ook wist ik hoe tomeloos ze kunnen zijn in hun naaktheid, wanneer ze onder een man bewegen, opengespreid maar met inspanning van al hun krachten samengeperst, vechtend met dat niets dat ze vervult. Maar hoe mooi ze soms ook waren, de vrouwen die ik zo bezig had gezien hadden geen blanke dij en geen wrongen in hun haar, en de japonnen waaronder koeienjongens hun vertier zochten, waren gemaakt van het soort onbestemde stoffen waarin mensen als wij alles inpakken wat geconsumeerd wordt en verdwijnen moet, maar nog niet meteen, niet helemaal, ons graan net als onze vrouwen, onze drie daalders, onze doden, onze kaas. En vooral, ze schaamden zich, en wisten niet hoe ze daarmee moesten spelen, misschien omdat ze dachten dat de schaamte die zij voelden niets verhulde; en hoe hadden ze zich ook kunnen verbazen en verheugen over de clandestiene vuiligheid die ons vervult en die misschien onze oergrond is – hun immers kleefde vuiligheid aan als was het hun huid, met de lucht die ze insnoven boven de kuddes en de rottende aarde die in de schuren tussen hun tenen spoot, en voorgoed ingevreten in hun vel was de smeer van het laag-bij-de-grondse lichaam dat werkt, en dat zelfs bereden, opengespreid, schreeuwend, nog lijkt te werken – en in die hoedanigheid stinkt. Je moet schone handen hebben om duister te pissen. Ja, het was een ander vlees, een andere soort. En dat was mij in het volle daglicht verschenen; ik had mijn Visitatie gehad; een hemelse dame van kant en azuur was uit zo’n koets neergedaald waarin ze in processie worden rondgereden, was gracieus op mij toegelopen onder bomen op het satijn van haar muiltjes, had met alle pracht en praal haar rokken hoog opgetild en had, bevend in het besef dat ze zich door eigen toedoen ontwijdde, het satijn van haar muiltjes een beetje bespat. Mijn leven had ik willen geven om dat nog eens te zien. Ik wilde dat nog eens zien, maar niet weggedoken achter bomen. Nee, aan de andere kant. Niet als een nijdige, roerloze koetsier, die op bevel daarheen kijkt waar zijn begeerte niet is, en uit een ooghoek toch nog heel even kijkt naar wat hij niet krijgen zal. Nee, helemaal aan de andere kant, zoals de dag kijkt naar de aarde, zoals hij de aarde beregent of laat verdorren, al naar hij belieft. Ik wilde degene zijn die dat wonder elke dag, op elk uur van de dag laat gebeuren, door een simpele knip met de vingers; ik wilde degene zijn die door de sacrosancte, in volle pracht ontwijde vrouw wordt aangekeken, wordt verwacht; die duistere man met een brok in zijn keel, die toch onbeschaamd genoeg is om te glimlachen, lieve woordjes te zeggen, een gehurkte schoonheid te tooien met de striemende koosnaampjes die je geeft aan lichtekooien. Een prins noemde ik dat, in mijn prille jeugd.

*

Mijn ouders waren arme drommels, die niets bezaten en zich uiteraard nooit bezonnen, daar hadden ze de tijd niet voor. Ik geloof dat ik van ze hield. Ze verhuurden hun armen en de mijne, die van mijn broers, aan de welgedane boeren van de Castelli, die zelf maar een klein beetje méér graan in voorraad hadden, varkensvlees op tafel en op hun strozak als ze dat wensten meiden die jong en struis waren maar stonken naar smeer, zonder azuur om hun boezem of kant om hun dijen: die boeren waren ook maar arme drommels. Ik hoedde de varkens, de schapen, die nog stommer zijn, en de meelijwekkende, vadsige koeien. En zo, van kudde naar kudde, werd ik het volgende seizoen verhuurd in Tivoli, op grazige hellingen waarboven grootse palazzo’s tronen. Het is van belang dat die grootsheid nadrukkelijk wordt getoond en bevestigd, met bergen vlees, met stapels leer, met rijdieren: daarom staan er hutjes op de hellingen, met beesten erbij die andere beesten bewaken. Een van die beesten was ik. De paleizen ging ik niet in, maar ik weidde het vee langs de wegen die erheen voeren; er kwamen veel koetsen langs, waarin ik geheel in het rood geklede Monsignori met kanten kragen zag, kapiteins met blinkend staal en kanten kragen, edellieden met slappe handschoenen, slappe laarzen, wambuizen van slappe zijde en kanten kragen, en allemaal hielden ze tegenover zich Madonna’s, dellen van azuur in de greep van hun blik, zoals de onnozele koetsier daarboven op de bok zijn ogen gevestigd hield op zijn paarden. De met wapens getooide rijtuigbakken reden de poorten van de villa’s in, die beschilderde dingen waren traag als een sacramentsprocessie, log als een hooiwagen, bruut als een zweep, ze stegen op langs steile hellingen van zand fijner dan meel, en het gedruis van de wielen en zwepen vervluchtigde in het massievere gedruis van het water dat neerklatert uit leeuwenmuilen en ossensnuiten, uit urnen die oude baardige goden en vrouwen onvermoeid uitgieten, de duizendkoppige fonteinen waar al die machthebbers dol op zijn. Helemaal daarboven op de trappen zag ik ze uitzwermen, de japonnen, rondzwieren over de bordessen en de terrassen, een beetje lucht verplaatsen, wegduiken achter de hoge façades waar men ze kooide; een Monsignore hield zich wat terzijde, talmde onder de grote bomen, geheel in het rood en even machtig en indrukwekkend als zij, misschien stond hij te dromen of zelfs te bidden, want God is groot net als de bomen, want de bomen doen opzien tot God – en op zijn beurt liep hij de laatste trap op, langzamer, helemaal scharlakenrood, ging de volière binnen waar men al die azuren vogels voederde, plukte en opat.

De hele middag zag je niets meer, de grote bomen ruisten onophoudelijk tegen de leegte van de wereld, de neerklaterende fonteinen vloeiden onopgemerkt zoals legers voorbijgaan, seizoenen. De koeien suften in de schaduw, ik sneed uit boombast een fluitje en floot daarop één noot tot de avond. Daarboven kwam het hele spul pas weer naar buiten als het koeler was geworden, de duifjes, die men had geplukt, verkleedden zich als feniksen voor een klein souper, de onverzadelijke Monsignori hadden nog trek. Er werden bij kaarslicht lange tafels gedekt onder de olmen, duizend lakeien eromheen. Ik bracht mijn varkens op stal.

*

En dan had je de ridders.

Niet de ridders die de teerhartige charmeur gingen uithangen naast de koetsen en al doende de tere hartjes ontroerden van de vrouwen die erin zaten, niet de jonge prelaten of markiezen, de gunstelingen. Díe ridders bleven op de weg of sprongen alleen de weilanden in om wat hoefgetrappel ten beste te geven dat de tere hartjes sneller deed kloppen en mijn beesten op de vlucht joeg, ze reden snel weer terug naar de weg, hielden gekscherend de pas in naast het portier en vlogen pas daarboven uit de stijgbeugels, onder het grote dreunen van de hydraulische orgels. De mannen over wie ik het wil hebben waren terughoudender, ook zij sloofden zich uit maar niet met zoveel ongeduld, want ze sloofden zich niet uit voor azuurblauwe prooien; ze waren zonder vrouwen en raadselachtiger. Het waren geen boeren, maar uit blufferij gaven ze zich een houding van boeren die in het bezit zouden zijn van paarden en slappe laarzen, hoewel hun laarzen minder slap waren dan die van de gunstelingen, en aan dat nagemaakte boerenuiterlijk hingen ze de glimlach van een gunsteling, al even nagemaakt. Ik verbaasde me daarover. Het kwam voor dat ze de paleizen binnengingen, en de lakeien die ze zagen langskomen hadden dan dat uitgestreken gezicht, als een dier, dat ze opzetten wanneer er prinsen passeren. Het kwam ook voor, en vrijwel dagelijks, dat enkelen van hen zich op mijn weiden begaven; ze stegen af; ze maakten een grapje met me, ik holde weg en ging een eindje verder op mijn hurken zitten, waar ik ze op de zenuwen werkte met mijn fluitje. Ik gluurde naar ze tussen de bladeren. Zonder haast gingen ze daar staan, staken hun neus in de wind, snoven de lucht op, omvatten met een grote neutrale blik de verten, de vluchtlijnen van de paden, de kuddes; ze wisselden wat woorden, aarzelden of ruzieden, maakten plotseling grote gebaren en iets, daar verderop, leek hen reuze te interesseren, in de buurt van een mager bosje waar een magere cascade viel, vlak voor een bosrand waar licht en schaduw elkaar het gebladerte betwistten zoals ze de godganse zomer doen zonder dat uit die botsing iets anders voortkomt dan gebladerte: ze wezen elkaar dus op het een of het ander en ook ik keek die kant op, ik sperde mijn ogen wijd open om te zien wat er zo verbazend was, een schone slaapster in dat bos en waarom niet een schone piskous, of een echte Madonna die ten hemel steeg, maar het enige wat je zag, was bladeren en water, blauwe lucht. Ik blies op mijn fluitje de longen uit mijn lijf. Hun merkwaardige extase nam wat af, uit hun foedralen haalden ze hun spulletjes te voorschijn, papier en houtskool, ze installeerden zich uitgebreid, in kleermakerszit op hun laarzen of neerzittend op een hobbel, en maakten eindeloos kleine tekeningen. Jawel – het waren de schilders.

Het waren de schilders. Het waren – maar niet allemaal samen, niet allemaal tegelijk, want daarbinnen had je verwantschappen, clans die elkaar naar de keel vlogen, en onderling vraten ze elkaar op als wespen in een pot – de oude Cavaliere d’Arpino en Pietro Testa, Sacchi en Pietro Berrettini da Cortona, Valentin de Boulogne, Gherardo della Notte, Poussin, Mochi, Swanevelt en de twee Claudes, Claude Mellan en Claude le Lorrain, en soms zelfs zag je in hun midden, maar met minder slappe laarzen en zich niet erg uitslovend om op een boer te lijken, want hij hoorde er niet echt bij, die beschonken, mismaakte, aftandse pias, Pieter van Laar, genaamd il Bamboccio, de dikzak; maar nooit Cavaliere Bernini, die dit hele zootje om zijn vinger wond en wel andere dingen aan zijn hoofd had. Het was de Congregatie der Virtuozen, de Academie van Sint-Lucas, eerder horig aan Barberini dan aan Sint-Lucas, de kliek van Barberini; de Barberini’s die je daar niet zag, want zij psalmodieerden in de Sint-Pieter; de twee Barberini’s, Maffeo die op zijn hoofd de tiara droeg met de touwtjes van achteren, en Taddeo die achter diens rug de verderreikende touwtjes van de beurs in handen had; die twee, en de honderd anderen, de eindeloze gunstelingen, Francesco en de twee Antonio’s, en alle voornamen eigen aan de Italiaanse taal, die allen op hun lijf gevlamde zijde droegen en allen touwtjes hadden aan hun hoed, allen de mijter op, de koorpels aan, de ring om, die vooral allemaal de drie bijen in hun blazoen hadden en in die hoedanigheid honing zogen in de Sint-Pieter, in Castel Gandolfo, in het Lateraan, in de lommerrijke villa’s van Tivoli, in Frascati, en tot op de eerste de beste heuvel waar genoeg water was om het in de hoogte te spuiten en daarna met veel geklater in bekkens op te vangen – al die mannen dus die in hun wapens de drie bijen hadden, die zagen hoe het water neerstortte en zonder andere inspanning dan die blik honing zogen uit de grote honingrijke caissons van de paleizen, de tuinen, de kerken, al die mannen gaven jaargelden aan schilders. Want om die caissons, kerken of paleizen te bepleisteren en te versieren, om de was aan te maken waarin Maffeo en Taddeo, de twee Antonio’s, de hele zwerm, zich konden wijden aan het innemen van vleesgerechten, vrouwen, alle boeken geschreven in alle talen sinds Sint-Pieter, en zich in ruil daarvoor wijdden aan het afscheiden van goud, van Schriftstukken die doden, die vergeven, die degenen die ze doden absolutie verlenen, van pauselijke bullen die bliksemen over Europa, van Latijn dat de engelen doet toestromen en van kerkgezangen die de verrukte zielen van de stervelingen wagenwijd openzetten voor de engelenstemmen – om die korven van God te bekleden, heb je veel schilders nodig die in de honing werken, die proberen de wereld honingkleurig te zien of doen alsof, en die bij dat handeltje terloops ook zelf wat honing winnen. Maar zij kunnen daartoe niet volstaan met het innemen, eten van boeken, vleesgerechten en vrouwen, ze moeten de hand aan de ploeg slaan, wat vooroverbuigen en roeren, zich verlagen, zich vermoeien, zich in het zweet werken. Dat is waarom ze met hun boeltje naar Tivoli kwamen, waarom ze hun stuifmeel verzamelden in mijn weiden, waarom ze de prinsen een beetje na-aapten door uit de hoogte naar de verten te kijken, maar thuisgekomen ploeterden als boeren, met goudverf tot aan hun ellebogen zoals ik tot aan mijn ellebogen bloed en etter had, wanneer mijn ooien lammerden, wanneer ik ze verloste. Maar waar bevielen zij dan van?

Nu weet ik dat allemaal, maar de koeienjongen, de varkenshoeder, wist er niets van. Ik wist niet hoe ze heetten, ik wist niet eens dat Barberini de heilige vader was. De varkenshoeder keek naar mannen met grote hoeden en baarden die fijn priegelwerk deden, zoals wanneer vrouwen linnen verstellen.

Ik raakte aan hun gedoe gewend, maar bewaarde afstand. Soms wachtte ik ze ongeduldig op, als er dagen achtereen niemand was gekomen – vaak gaven ze de voorkeur aan de andere kant, bij Le Cascatelle, de mooie nutteloze rotshellingen waar niets groeit. Ik wachtte ze op, riep ze op met bezwerende gebaren: ik deed alsof ik een van hen was, strekte weids mijn arm naar een willekeurig punt aan de horizon en probeerde daar langdurig en aandachtig naar te kijken, met het hoofd een beetje scheef, heel geconcentreerd en heel beduusd, maar er gebeurde niets. En als ze dan op een mooie dag kwamen, was ik verdrietig dat ze er waren. Ik was een verward kind, pruilend tegen datgene wat hem plezier geeft en datgene koesterend waartegen hij pruilt. Ik wist niet wat me plezier gaf. Ze waren er dus, en ik dreef mijn kudde op, we scharrelden elk op eigen houtje rond zonder nog langer te doen alsof we elkaar zagen, ik met mijn fluitjes en drie gaaienveren, een paar wilgentenen, en zij met hun papier en hun houtskool; het blauw van mijn gaaienveren kwam me triester, kleiner voor. Dat alles zal wel in de orde der dingen hebben gelegen – maar op een dag stortte die orde in.

*

Op een ochtend, in alle vroegte, ging ik fluitjes snijden in een kreupelbosje, in zo’n vochtige laagte waar bevend geboomte groeit dat zich bij de minste windvleug roert, wilgen en espen, en waaronder armzalige beesten huizen, slangen en kikkers: van de bast van die bomen maak je de beste fluitjes, ze klinken klaaglijk en ijl maar overdreven als paddengeroep. Ja, God weet dat ik daar alleen maar goede fluitjes kwam zoeken. De geur van rottende bladeren steeg op en voorovergebogen liep ik daarin behoedzaam voort, volledig in beslag genomen, mijn blik ter hoogte van de grond. Zo begon mijn junidag in dat hakhout. Plotseling zag ik via een doorkijk de voorgevel van een paleis in de opkomende zon boven op de heuvel: niets bewoog, niemand was op, het was helder en onbewoond als een rots; hier hielden de nachtnevels nog aan, het bladerdek hing neer, alles was donker. Ik was in mijn schik. Ik begon een liedje te zingen van eigen makelij, dat ik in het geheim koesterde, dat ik dikwijls herhaalde en naar believen verfraaide in de kreupele taal die toen de mijne was; het zal over mijn azuurblauwe piskous zijn gegaan; over de andere rijkdommen; en over de Madonna die in haar grote goedheid die rijkdommen uitstort over het hart van een varkenshoeder. Dat gebed sleepte me mee, ik vertrapte in mijn opwinding heel wat meer twijgen dan ik voor mijn fluitjes nodig had: ik zong uit volle borst; ik zwaaide met mijn armen; het paleis daarboven vlamde op alsof het mijn zang was; het riep me, ik vloog ernaartoe, ik hield het in mijn hand, ging erop liggen en omarmde het; de drie noten van de hop gaven antwoord, blond en ver weg als een slapend paleis. Er kwamen tranen in mijn ogen: zo huilde mijn moeder, het arme mens, wanneer de Madonna voorovergebogen boven haar in processie voorbijkwam. De hemel vloeide open: het was nu helemaal dag, er kwam wat licht onder de wilgen en in dat halfduister was er een wit masker dat glimlachte. Mijn tranen stolden op mijn wangen. De roep van de hop klonk dichterbij. Het masker had een pikzwarte snor, dikke lippen en stevige tanden die glommen in zijn glimlach; in het schemerdonker was er nog iets anders dat wit oplichtte, het papier dat het masker vasthield. Papier en masker tekenden zich levendig af, vormden twee forse vlekken, helder en effen, als de dubbele oogvlek van een enorme zwarte vlinder – de onzichtbare vleugels ruisten in de wilgen. Ik stond onder dat geruis. Ik weet niet of ik bang was, het was goedgunstig; het was niet het soort dat kon vliegen: het was een erg donkere, potige man die ik al eerder had gezien. Het was de dikke bleke kop en het gitzwarte haar van Claude, genaamd Le Lorrain.

Er vloog iets op tussen de bladeren; ik draaide me om en zette het op een lopen. Nog voordat ik het bosje uit was, greep een hand me bij mijn kraag en tilde me van de grond. Tegenstribbelen deed ik niet, ik had hem vaak genoeg gezien om te weten dat de grote zwarte vlinder een reus was. Hij zette me neer, draaide me zonder me los te laten om mijn as en sprak me zachtjes toe zoals je praat met een angstig dier. Ik luisterde niet: in de grote bomen, waarop de zon nu schitterde en die met al hun bladeren beefden in dat buitenkansje zoals ze ook doen in de grootste rampen, als het windstil is, op het middaguur evengoed als bij dageraad, in de hele ruimte tot aan het eindelijk ontwaakte paleis waar luiken klapten, door handen werden opengedaan, in mijn houten kop net als in de hemelen, ruisten, galmden, wiekten de laatste woorden van het gebed aan de Madonna, dat ik van mijn moeder had, net als mijn leven, net als mijn angst, net als mijn schaamte: nu en in het uur van onze dood. Die woorden kalmeerden niets maar wendden alles af als wild kleppende klokken. Diep in mijn binnenste herhaalde ik ze, als een vogel die eindeloos dezelfde drie noten zegt. Misschien zei ik ze ook wel hardop. Al die tijd hield Claude me vast, zijn adem tegen de mijne. Ik kwam weer bij zinnen, zag van dichtbij het soort raap dat bij hem voor gezicht doorging; misschien begreep ik dat hij zich, terwijl hij naar me keek, iets heel ouds herinnerde, of zich probeerde te herinneren. De blos kwam op mijn wangen terug, hij glimlachte. Terwijl hij me bleef aankijken, begon hij te neuriën, en ineens zong hij een hele poos, met een mooie stem, zonder er één over te slaan, de woorden van mijn liedje – de koets, de blauwe jurk, de gouden straal. Het was voor het eerst dat die woorden over andermans lippen kwamen. Hoe langer hij zong, hoe meer hij zijn lachen moest inhouden, en toen hij beland was bij het onnozele refrein waarin ik mij biddend tot de koningin der hemelen richtte, schaterde hij het uit. Hij klemde mijn kraag steviger vast en zei dat de rijkdommen van mijn liedje me zouden toebehoren, als ik maar wilde. Met zijn vlakke hand maakte hij een breed gebaar naar de zichtbare horizon, de zon, de bomen en het paleis, en het was alsof hij ook liet zien wat je in het paleis niet ziet, de duifjes, de madonna’s: “Dat is allemaal van jou, zei hij, als je bij mij in dienst komt”. Hij had zijn greep laten verslappen, ik was vrij; ik viel neer waar hij me losliet, ik snikte het uit. Hij zat te wachten zonder naar me om te kijken. De hop liet geloof ik zijn drie noten nog eens horen, drie zakjes honing in het bos. Ik liep niet weg en volgde hem.

*

Zijn dat valken die jullie loslaten, mijn kiekens? Goed zo. Ook daarmee wordt gejaagd, inderdaad, als je geen hand meer voor ogen ziet. Het is geen honing die ze in de lendenen van konijnen klauwen, en ook de hoppen hebben met honing niets van doen, genoeg flauwekul! Mooie vette vogels zijn het, die zingen om te paren en die stinken, zij ook al, onzalige beesten. Jij hebt verstand van hoppen, hè, Hakem? Eetbaar zijn ze niet, je bent tactvol genoeg om het niet over ze te hebben. Vooruit, kiekens! Je ziet geen hand voor ogen, maar je hoeft ook niets te zien om daarin iets dood te maken: de valken kijken voor ons, ónze ogen en ónze snavels vliegen als door een wonder samen met hen de hoogte in, wanneer we ze afhuiven. En als ze terugkomen zitten ze onder het bloed, met gevogelte dat amper dood is. Kwartels? Iets anders? Ja hoor, de hertog zal tevreden zijn, vanavond krijgt hij hazelhoentjes opgedist. En ik krijg zijn vrouw. Ik laat mijn plunje drogen, drink voor twee, zoek rustig haar kamer op en neem een duik in die kom melk. Wat is rondom die melk alles donker en eenvoudig.

Er zit niets in de bossen. Jullie weten best, mijn patrijzen, dat daar alleen maar vlees zit. Misschien trekken jullie daarom ‘s avonds zo’n grote huif van wijn over je hoofd, en slapen daaronder in. Dat bevalt jullie maar half, maar het is het waarmerk van de goede jagers. Wat is er soms dan toch loos met jullie als het mooi weer is – je staat stil met je neus in de wind, een haas die je beethad schiet ervandoor, de bijl bungelt aan je arm, het musket zakt neer, het paard voelt dat het ook een beetje mag rusten en snuiven, je weegt niet meer zo zwaar als voorheen, je bent niet meer die bal verkrampt vlees waar het eeuwig en altijd bang voor is, dat gewicht van dodelijke verschrikking dat het overal meetorst, nee, als de verschrikking geweken is, ben je licht, je kijkt naar het toverstof dat de zon uitstrooit op een open plek, je staat er middenin en daar blijf je staan, warm word je ervan, en je lijf niet alleen – wat is er loos? Luister je naar de andere cavalerie, daarboven? Waar die op jaagt, dat is je zieltje, tenzij ze het zachtjes, heel behoedzaam, neervleit onder een baldakijn. Nog hoger steek je je neus, het is veel te blauw, ook daar zie je niets; maar wat lijken de varens nu groener – en jullie gezichten, mijn prinsen, zijn die dan nog hetzelfde? Wind is het. Het gaat er snel vandoor, je geeft het ros de sporen en weg ben je, heel dat gewicht van verschrikking maakt een groot gat in de struiken, en in die opening zijn er alleen nog takken die kraken, bevende botjes die aan de valk ontsnappen en knappen tussen de kaken van de vos, en hield je de hele wereld in je vuist, dan knapte die evengoed. Kiekens.

Geen toverstof vandaag: niets dan die dikke mist die nog gramstoriger maakt, hatelijke dingen die neerregenen en ons de dampen aandoen. Nooit zullen paardenhoeven de aarde genoeg slaan. Vervloek de wereld, hem kan het niets verrotten.

 

Vertaling uit het Frans: Rokus Hofstede

 

In 1996 gaf Éditions Verdier bovenstaande tekst uit in boekvorm, met als titel Le Roi du bois.