Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 76 november-december 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Power up

Weliswaar heeft men het in een bijschrift bij een werk van Marlene Dumas in de huidige opstelling van de vaste collectie over ‘negerleiders’, maar verder is het alom politieke correctheid in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. Met Power up gaat de onversaagde strijd tegen de kunstwereld als blank mannenbastion een nieuwe fase in. Centraal staat het werk van in Nederland woonachtige kunstenaars met een andere culturele achtergrond, die ligt in bijvoorbeeld Suriname, Afrika, de Balkan en Indonesië – en, in het geval van Federico d’Orazio, in Italie. Ook autochtone Nederlanders ontbreken overigens niet, dit in het kader van een ‘intercultureel’ in tegenstelling tot een oppervlakkig ‘multicultureel’ uitgangspunt, aldus Jean Fisher. In de catalogus bindt zij de strijd aan met ‘Europese waandenkbeelden’ en zij vindt zichzelf daarbij duidelijk heel erg moreel hoogstaand.

Gillion Grantsaan levert in deze tentoonstelling met zijn installatie Het koloniale pad een nieuw bewijs van zijn vaardigheden als sardonische agitprop-monteur. Op een wand zijn krantenstukken gezeefdrukt en papieren vlinders bevestigd; enerzijds zijn dit tekens van exotisme, anderzijds roepen ze herinneringen op aan naar soort gerangschikte specimen en daarmee aan raciaal hokjesdenken. De vlinders zijn beplakt met knipsels, vooral persfoto’s: zo wordt een jeugdfoto van een jonge en gillende prinses Beatrix op de andere vleugel gecombineerd met een gespierde zwarte torso. Van een geheel andere aard is het werk van Fiona Tan. In de filmprojectie Smoke screen uit 1997 toont zij found footage uit de jaren ’30 van kleine indonesische jongens die een sigaret roken. “Deze zuigelingen profiteren van de gelegenheid dat moeder inkopen doet,” luidde het in een tussentekst vermelde oorspronkelijke commentaar bij dit fragment, dat even later door Tan wordt aangevuld met de zinnen “Boys will and men” en “With my own eyes”. Afsluitend verschijnt Tan zelf in beeld met een speelgoedcamera, waarmee zij het historische materiaal opnieuw lijkt op te nemen. Tan slaagt erin met dit werk shockachtig duidelijk te maken hoe de interpretatie van beelden kan veranderen als het beeld van De Ander transformaties ondergaat: wat ooit leuk en natuurlijk leek, veroorzaakt nu schaamte en verbijstering. Tan toont de ideologische bepaaldheid van de blik, die de moderne kunst zo vaak heeft willen verdingen.

Hans van Houwelingen presenteert zich in Power Up zo nadrukkelijk als het geweten van de Nederlandse kunst dat het gênant wordt. Volgens Van Houwelingen blijft het concept van de tentoonstelling veel te vrijblijvend, en dus laat hij tijdens de tentoonstelling een aantal vluchtelingen uit een asielzoekerscentrum als suppoost waken over een collectie kunstwerken die ‘over oorlog’ gaan – van Dürer tot Armando. Hij bereikt in ieder geval dat asielzoekers een klein beetje zichtbaarder worden gemaakt en dat de bezoekers met een maatschappelijk verschijnsel worden geconfronteerd dat gewoonlijk zo veel mogelijk wordt weggemoffeld en slechts in het nieuws komt als er weer eens iets mis gaat. Het zal ongetwijfeld goedbedoeld zijn, maar toch kan men dit ook zien als de instrumentalisering van vluchtelingen ten behoeve van een carrière als ‘geëngageerd’ kunstenaar. Met iets minder morele overspannenheid van mensen als Jean Fisher en Hans van Houwelingen zou de tentoonstelling niet zo’n rare smaak achterlaten.

 

• Power up liep tot 15 november in het Museum voor Moderne Kunst, Utrechtseweg 87, 6812 AA Arnhem (026/3512431).