Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 76 november-december 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Le Consortium in het Centre Pompidou

Tijdens de verbouwingswerken van het Centre Pompidou werd de collectie van het Musée National d’Art Moderne in verschillende Franse en buitenlandse musea ondergebracht in thematische tentoonstellingen. Terwijl Beaubourg nog altijd in de stellingen staat, ontvangt ze als tegenprestatie de verzameling van Le Consortium uit Dijon. Le Consortium heeft de reputatie een atypisch centrum voor hedendaagse kunst te zijn. Ontstaan vanuit de basis, trachtte men samen met kunstenaars de evolutie van de hedendaagse kunst op een autonome en vooral kritische manier te benaderen. Dat hun collectie vandaag getoond wordt in het meest populaire museum voor hedendaagse kunst is veelzeggend voor de malaise waarin de hedendaagse kunst vandaag in Frankrijk is terechtgekomen. Daar waar de alternatieve centra de museale instellingen nodig hebben om hun collectie te herwaarderen, hebben de instellingen het alternatieve circuit nodig om hun maagdelijkheid af te kopen.

Eind jaren ’70 werd door enkele studenten van Serge Lemoine, de huidige directeur van het Musée de Grenoble, in Dijon de vereniging Le coin du miroir opgericht. Hun belangrijkste objectief, de kritische benadering van de plaats en de functie van kunst in de maatschappij, kaderde perfect in de post-’68 mentaliteit van dat ogenblik. In de kleine maar permanente tentoonstellingsruimte waarover ze op de eerste verdieping van een alternatieve boekhandel konden beschikken, maakten Franck Gautherot en Xavier Douroux vanaf 1978 tentoonstellingen met wat in de nadagen van de conceptuele en de minimale kunst moest doorgaan als radicaal en controversieel: BMPT (Buren, Mosset, Parmentier, Toroni), Rutault, Boltanski, Morellet, On Kawara, Knoebel, Ruthenbeck, McCollum enzovoort.

Begin jaren ’80 organiseerde Le Consortium buiten de muren drie belangrijke tentoonstellingen. Art concret suisse, mémoire et progrès toonde een alternatief voor de abstracte kunst tegenover het Amerikaanse abstract expressionisme, de Ecole de Paris en Support/Surface. Mise en pièce, mise en place, mise à point behandelde in een poging om los te komen van het minimalisme, de problemen van de ruimte. In Présence discrète, waarbij hedendaags werk in het museum van Dijon geconfronteerd werd met de klassieke collectie, werd afgerekend met de conceptuele kunst door het materiële bestaan van deze werken op een pertinente wijze te beklemtonen. Deze drie tentoonstellingen werden beschouwd als een soort manifest, dat het terrein waarbinnen deze vereniging werkzaam was moest definiëren en afbakenen.

Samen met twee andere verenigingen, Déjà vu en A la limite met onder andere de kunstenaar Michel Verjux, vestigden ze zich in 1983 in een voormalige winkel van huishoudapparatuur waarvan ze de naam Le Consortium ironisch genoeg hebben overgenomen. Met de komst van Eric Troncy, die enkele jaren geleden het oorspronkelijke team kwam vervoegen, werd de brug gelegd naar de jonge generatie met kunstenaars als Maurizio Cattelan, Liam Gillick en Steven Parrino. Daar de meeste werken verworven werden naar aanleiding van een tentoonstelling, geeft de verzameling een mooi overzicht van 20 jaar tentoonstellingsbeleid. Deze tentoonstelling, die uiteraard slechts een deel van de verzameling toont, werd ondergebracht in een reeks “complexe ensembles”. Zo worden twee monumentale installaties van Jessica Stockholder, waarin wordt nagedacht over ruimte, vorm en kleur, geconfronteerd met een gelijkaardige problematiek in het werk van Niele Toroni, Imi Knoebel en Isa Genzken. De Rehearsal studio van Rirkrit Tiravanija, een studio waar het publiek wordt uitgenodigd om met professionele muzikanten te komen musiceren, herbergt eveneens een werk van Matthew McCaslin. La tribune de Genève , een installatie van John Armleder wordt gebruikt om schilderijen aan op te hangen. Opvallend schilderij is Bandes verticales blanches et grises uit 1973 van Olivier Mosset. Zoals de titel laat vermoeden, wordt dit schilderij gemakkelijk verward met gelijkaardige werken van Daniel Buren. Bertrand Lavier en Rémy Zaugg, twee kunstenaars die met de geschiedenis van Le Consortium nauw verbonden zijn, kregen elk in de tentoonstelling een kleine retrospectieve. De Red show die Robert Nickas voor Le Consortium concipieerde, wordt hier opnieuw geactualiseerd. Voor de gelegenheid werd aan Daniel Buren gevraagd de ruimte in te richten. Hij verdeelde ze in een rode en een witte wand; een onopvallende decoratieve ingreep die nog weinig te maken heeft met zijn radicale stellingname uit zijn beginperiode.

De tentoonstelling dijon/leconsortium.coll. wordt aangekondigd als de eerste in een reeks tentoonstellingen van ‘plaatsen’ die een belangrijke rol spelen in de verspreiding van de levende kunst in Europa. Dit kadert perfect in de tendens van tentoonstellingen, colloquia en publicaties die niet de kunst tot onderwerp hebben, maar de hele infrastructuur die er tijden de 20ste eeuw werd rondgebouwd. Tom Wolfe schreef het reeds eerder; als van de 20ste-eeuwse kunst iets zal overblijven, zal het “Greenberg, Rosenberg en Steinberg” zijn.

 

• Dijon/leconsortium.coll. loopt nog tot 14 december op het gelijkvloers van het Centre Georges Pompidou, Rue Beaubourg, 75191 Paris (01.44.78.12.33).