Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 76 november-december 1998

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Dominique Gonzalez-Foerster, Pierre Huyghe, Philippe Parreno

Dat jonge kunstenaars zich verenigen om samen tentoon te stellen is een fenomeen dat de laatste jaren duidelijk vorm krijgt. Een strategie die op het gebied van de mediatisering duidelijk zijn vruchten afwerpt, maar als tentoonstellingsconcept ook leidt tot een zekere nivellering. De groepstentoonstelling die in het Musée d’art moderne de la Ville de Paris door Dominique Gonzalez-Foerster, Pierre Huyghe en Philippe Parreno werd opgezet, kreeg als titel de naam van de drie afzonderlijke kunstenaars. Ze lijdt dan ook onder het gebrek aan evenwicht tussen het groepsgebeuren en de afzonderlijke werken. Het is niet omdat deze drie kunstenaars, die behoren tot dezelfde generatie, heel wat gemeen hebben (hun fascinatie voor de hedendaagse media, het vermengen van realiteit en fictie, hun belangstelling voor het design en de opstelling van hun werk), dat de gemeenschappelijke presentatie de afzonderlijke werken op een hoger niveau tillen. De zogenaamde rode draad van de tentoonstelling, die nergens verantwoord wordt door een gemeenschappelijke stellingname, een manifest of een eenvoudige intentieverklaring, bestaat zogezegd uit een “verteller”, die de toeschouwer uitnodigt om de tentoonstelling te bezoeken als een verhaal. Volgens de persmap biedt deze tentoonstelling de toeschouwer dan ook talrijke mogelijkheden, “verborgen scenario’s”, die door de verbeeldingskracht van de toeschouwer kunnen worden ingevuld. In de praktijk is daar helaas weinig van te merken.

Dominique Gonzalez-Foerster (1965) reconstrueert met meubels en decoratieve elementen fictieve ruimten met een sterke psychologische geladenheid. Sommige werden ontleend aan (auto)biografische elementen of literaire beschrijvingen. Ze evoceren zowel private verlangens als het beeld dat de bewoner van zichzelf naar buiten toe wil overbrengen. Hier creëerde ze aan de hand van kleurrijk voltapijt en speciale lichteffecten een zweverig new age-sfeertje. Het werk van Pierre Huyghe (1962) is sterk beïnvloed door de geschiedenis van de cinema. Zijn werk heeft iets documentairs. In Sleep interviewt hij de acteur die zich door Warhol gedurende zijn acht uur durende slaap liet filmen. In de ene ruimte zien we een fragment van de film. In de andere horen we de stem van de geïnterviewde. In Blanche Neige Lucie ontmoet Pierre Huyghe Lucie Dolène die haar stem leende aan de Franse versie van Disney’s Sneeuwwitje. Hiervoor had ze echter nooit auteursrechten gekregen. Dank zij een proces tegen de Disney Voice Character Company, dat ze onlangs gewonnen heeft, heeft ze het eigendomsrecht over haar eigen stem eindelijk gekregen. Niet alleen deze interessante anekdote is een ontluistering van een van de weinige jeugdherinneringen die ons nog resten. Het beeld dat we met deze charmante stem geassocieerd hadden, heeft nog weinig te maken met de overjaarse blondine die hier wordt opgevoerd. Lucie Dolène is niet het Sneeuwwitje uit onze kinderjaren. Philippe Parreno (1964) recycleert het alledaagse via de media (videoclips, televisie, radio,…) en organiseert ‘sociale momenten’ zoals verjaardagen en bruiloften. De pseudo-amateurfilms van een twaalfjarig meisje dat haar twintigste verjaardag viert, is een interessant idee, dat in de film niet echt tot zijn recht komt. Het verhaal van de fictieve Anna Sanders, een gemeenschappelijk project van Pierre Huyghe en Philippe Parreno, heeft dan weer wel zijn juiste drager gevonden. Het onbestaande personage krijgen we nergens te zien, maar in het tijdschrift Anna Sanders verschijnen foto’s uit haar naaste omgeving. Via haar leefwereld krijgen we een vrij goed idee van haar persoonlijkheid en haar levenswijze.

Het probleem van deze tentoonstelling, die moeilijk kan kiezen tussen een groepstentoonstelling en drie afzonderlijke solotentoonstellingen, is dat de kunstenaar wordt verward met de tentoonstellingsmaker, het kunstwerk met zijn commentaar, de drager met het werk, de auteur met de toeschouwer. In zijn geheel biedt deze tentoonstelling eerder een stemmige atmosfeer waarin de toeschouwer vrijblijvend kan vertoeven, dan een context waarin het werk geïnterpreteerd en kritisch geduid kan worden. Het geheel staat niet altijd ten dienste van de individuele werken. Vooral het complexe werk van Pierre Huyghe verdwijnt hier in een nivellerende omgeving, die meer oog heeft voor de vorm dan voor de inhoud. Het design van de televisietoestellen en de luidsprekers lijkt soms belangrijker dan het beeld of het geluid dat wordt voortgebracht. De audiovisuele naambordjes, een klein scherm met een omroepster die de werken becommentarieert, is een leuke vondst, maar draagt weinig bij tot de vernieuwing van het traditionele tentoonstellingsconcept, wat nochtans de oorspronkelijke ambitie was.

 

• Dominique Gonzalez-Foerster, Pierre Huyghe en Philippe Parreno nog tot 10 januari in het Musée d’art moderne de la Ville de Paris, Avenue du Président Wilson 11, 75116 Paris (01.53.67.40.00).