Bart Meuleman

DE WITTE RAAF

Editie 77 januari-februari 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Mismaakte kinderen

De volgende gast – die er ondertussen is komen bij zitten – heeft al een stapel romans en verhalenbundels op zijn naam staan. Hem introduceren hoeft niet meer. Noem een paar titels, noem zijn naam, of beter nog laat hem even in beeld komen, en een gans literair universum doemt voor ons op.

De publiciteit schuwen doet hij niet – waarom zou hij ook. Voor een goed gesprek of een losse babbel is hij altijd te vinden. Stel hem een paar eenvoudige vragen, en hij is voor een poos vertrokken. Met grote begeestering zal hij ons vertellen over de thema’s die hem bezighouden, maar in het toelichten van zijn personages leeft hij helemáál op. Het gaat niet zozeer over de verhalen, zal hij benadrukken, het gaat om de personages. Om zijn personages. Zijn creaties. Maandenlang heeft hij zitten zweten op het bedenken van juist die handelingen die volgens hem gesteld moesten worden. Maandenlang verzon hij fijnzinnig gesuggereerde motieven die hun handelingen aannemelijk moesten maken. Het resultaat mag er zijn: het is een kunstig vlechtwerk van psychologische drijfveren en filosofische dubbele bodems geworden. Misschien dat niet iedere lezer de verschillende draden onmiddellijk weet los te peuteren, maar dat geeft niet – daarom juist werd de schrijver uitgenodigd. Hij dient ons graag van repliek. Handelingen die we tot dusver niet bijster goed konden plaatsen in het gedragspatroon van de hoofdfiguur, zullen na zijn commentaar vanzelfsprekend zijn geworden. Zelfs als we niks vragen, verschaft hij ons tekst en uitleg. Hij kan er namelijk niet over zwijgen, over zijn personages. Zo vervuld is hij van zijn eigen scheppingen, zijn schepsels, dat hij eindeloos blijft doordrammen, zoals een kersverse moeder over haar kind, doof en blind voor de verveelde zuchten en blikken van de toehoorder. Nee, niet als een moeder; hij cijfert zich niet weg in kommer en zorg. Zijn spreken is dat van een ratelende god. Per slot van rekening heeft hij niet zomaar wat kinderen gebaard, hij heeft er meteen een hele wereld voor geschapen. Geen enkele vraag zal hem uit het lood slaan. Hij kent zijn schepsels immers van binnen en van buiten. Niet de minste geringste twijfel overvalt hem als hij over zijn personages begint uit te weiden. Uit niets blijkt dat hij zich de vraag stelt wat dat nu precies is, zo’n papieren karakter. Voor hem is het allemaal levensecht. Of dat ook kan, komt niet in hem op. Hij wil geloofd worden, omdat hij zichzelf zo graag gelooft. Maar alleen al zijn diep overtuigde, want daarom ook licht afstotelijke verschijning wekt ons wantrouwen. Ook wij hebben hem misschien ooit geloofd – toen hij zich nog schuilhield, achter zijn zinnen, in zijn boek. Daar behielp hij zich met goedgekozen woorden en zinnen, kortom met literaire, stilistische middelen. Daar maskeerde hij zijn onvermogen om mensen van vlees en bloed te creëren dankzij een betoverende taal. Zo ontstond er fictie. In het beste geval blies hij een prachtige zeepbel die onze aandacht vasthield tot het boek uit was, en misschien nog wel langer. Maar in deze praatstoel moet hij zich met veel schralere middelen behelpen. Zijn slechte woordkeus. Zijn doorzichtige redeneringen. Zijn banale praat. Zijn niet weg te branden pretentie. Eigenlijk is zelfs zijn verschijning er al te veel aan. Pijnlijk dat, net op het ogenblik dat hij zich in het openbaar vertoont, en dus verzwakt, zijn pretentie zoveel groter wordt. Dat is de val die altijd weer dichtklapt. Als hij nooit aarzelt, nooit het antwoord schuldig blijft, spreekt hij per definitie over een armtierige, oninteressante wereld. De zelfzekerheid als hij over zijn figuren spreekt, is het beste bewijs.

Fictie is een broos gegeven. Geen grotere desillusie dan de schrijver, in vervoering over zijn eigen schepping. De loslippige schrijver is een mislukte god van onbenullig formaat.