Merijn Rengers

DE WITTE RAAF

Editie 77 januari-februari 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De loopbanen van beeldende kunstenaars

De loopbaan van beeldende kunstenaars is vaak het onderwerp van mystificatie. Biografen, dichters en niet in de laatste plaats de kunstenaars zelf bewerken de carrière tot een romantisch epos vol genialiteit, ontberingen en tragiek. Door de mythische waas die het kunstenaarschap omgeeft, is het beroep van beeldende kunstenaar lange tijd als een buitenissigheid beschouwd. Het gevolg daarvan is dat de analyse van de kunstenaarsloopbaan zich doorgaans buiten de gebaande paden van de sociale wetenschappen voltrekt.

Dat is ten onrechte, om ten minste twee redenen. Als het beeldend kunstenaarschap werkelijk zo verschilt van andere beroepen, dan valt daar voor de sociale wetenschappen veel uit te leren. Uitzonderingen zijn immers interessanter dan de grijze middelmaat. Daarvan is de kunstgeschiedenis het levende bewijs: de gemiddelde kunstenaar moet het – als het meezit – met een verwijzing in een voetnoot stellen, terwijl de sterren alle aandacht krijgen. Ook wanneer de afwijkende positie van de beeldende kunstenaar het gevolg is van mythevorming, zijn we gebaat bij een heldere analyse van de loopbaan van de kunstenaar. Dat bevredigt de nieuwsgierigheid en is daarnaast van belang voor galeriehouders, critici en kunstinstellingen. Het is ook voor de kunstenaars zelf relevant. Wie zich in de beroepsuitoefening baseert op een verkeerd beeld van de kunstenaarsloopbaan, kan daar veel hinder van ondervinden.

Dit essay geeft een overzicht van de beschikbare kennis over de loopbaan van beeldende kunstenaars. De bevindingen zijn niet aan de kunstgeschiedenis ontleend, maar het product van tien jaar sociaal-wetenschappelijk onderzoek onder beeldende kunstenaars, dat verricht is bij de overheid, de subsidieverstrekkende fondsen, de belangenorganisaties en aan een aantal universiteiten in Nederland.

 

Proloog: de definitie van de beroepsgroep

Een eerste en cruciale stap bij empirisch onderzoek onder kunstenaars is de definitie van de beroepsgroep. Sociale wetenschappers baseren hun definitie doorgaans op officiële registraties, bijvoorbeeld bij de overheid, de belangenorganisaties, of bij kunstinstellingen. Daarmee omzeilen zij de (onbeantwoordbare) vraag wie er wel en wie er geen kunstenaar is. De uitkomsten van het sociaal-wetenschappelijke onderzoek zijn daardoor alleen geldig voor de onderzochte groep kunstenaars, en niet volledig onderling vergelijkbaar. Het hanteren van een andere defininitie van de beroepsgroep heeft daardoor enige invloed op de uitkomsten, al zijn die nog steeds vele malen exacter dan de uitkomsten van kwalitatief onderzoek. De hier gepresenteerde bevindingen over kunststudenten zijn derhalve representatief voor alle studerende kunstenaars, maar niet voor de gehele beroepsgroep – inclusief de autodidacten. De bevindingen over de inkomsten van de kunstenaars zijn representatief voor de 11.500 beeldende kunstenaars die deel uitmaken van de centrale registratie van de rijksregelingen van de Nederlandse overheid. Alle kunstenaars die ooit in aanmerking zijn gekomen voor een van de regelingen, zijn opgenomen in dit bestand. Het bestand is daarmee het meest uitgebreide en gedetailleerde van Nederland (en wellicht ter wereld), aangezien het leeuwendeel van de kunstenaars ergens in de carrière met de overheid in aanraking komt.

 

Deel 1: Scholing

Waar begint de loopbaan van een beeldend kunstenaar? Bij de eerste kindertekening? Bij de beslissing om het kunstenaarschap als beroep of roeping te beschouwen? Of is de eerste expositie het werkelijke startpunt? Deze vragen hebben een hoog filosofisch gehalte. Er zijn opnieuw anekdotes te over. Als door een hogere hand ingegeven lijken toekomstige coryfeeën zich tot de kunst te bekeren. Niettemin is het mogelijk om aan de hand van demografische en sociale gegevens over kunstenaars determinanten van de keuze voor het kunstenaarschap te identificeren.

 

De kunstenaar in de dop

In de eerste plaats komen kunstenaars veelal uit goede milieus. Dat ligt voor de hand. Talent en interesse bestaan immers niet, zolang zij niet worden aangesproken. Een toekomstig beeldend kunstenaar moet ergens in zijn leven op het spoor van tekenen, schilderen of handenwerk worden gebracht. Dit geldt nog sterker voor andere kunstvormen als ballet en muziek, waarbij het van essentieel belang is vanaf jonge leeftijd getraind te worden.

De belangstelling voor de beeldende kunst kan op een aantal manieren gewekt worden, al deze manieren zijn evenwel steeds sterk gerelateerd aan sociale afkomst. In eerste instantie wordt deze interesse meegegeven in de jeugd. Schilderijen aan de muur, kleurpotloden thuis, aandacht voor een kindertekening – zeg maar het beeldend klimaat in de opvoeding – zijn indicatief voor hogere sociaal-culturele milieus. Een tweede mogelijkheid om in contact te treden met tekenen, schilderen, en het kijken naar kunst is de school. Hierbij geldt dat bepaalde scholen actiever zijn in hun culturele opvoeding dan andere. De keuze voor een dergelijke school hangt samen met sociale herkomst. Een volgende mogelijkheid om de kunstzinnige vaardigheden van kinderen te trainen zijn buitenschoolse activiteiten zoals privéles of cursussen in een kunstcentrum. Deelname hieraan wordt opnieuw beïnvloed door sociale herkomst, en daarnaast door financiële barrières. Lang niet iedereen heeft geld (over) voor de privéles van zijn kinderen. De getallen onderstrepen het belang van deze vormen van vroege training. Zo heeft meer dan de helft van de toekomstige kunstenaars een expressievak in het eindexamenpakket, en volgde 40% van de kunststudenten buitenschoolse kunstlessen in hun jeugd.

Naast het beeldend klimaat tijdens de opvoeding is het van belang dat ouders en school een professionele carrière in de kunsten niet bij voorbaat afwijzen. In sommige milieus wordt, ondanks een hoge mate van cultuurparticipatie, de keuze voor het kunstenaarschap onverstandig geacht. Vaak wordt de leerling aangemoedigd ‘een echt vak te leren’. Deze adviezen worden vaak ingegeven door de aantrekkelijkheid van de alternatieven. De leerling met hoge cijfers voor exacte vakken vertrekt doorgaans niet naar de kunstacademie, ongeacht zijn tekentalent.

Een laatste reden dat kunstenaars vaak uit de hogere kringen afkomstig zijn, ligt in het feit dat de kunstacademie een HBO-opleiding is. Het hoger beroepsonderwijs is alleen toegankelijk voor goed opgeleide studenten.

Meer dan 90% van de beeldende kunstenaars begint aan een opleiding aan de academie. De eerste afvallers zijn dan al genoteerd. Het hierboven geschetste proces leidt ertoe dat niet alle potentiële kunstenaars zich aanmelden voor de academie, maar dat sommigen kiezen voor een carrière als zondagsschilder. Een tweede stap in de selectie van de kunstenaars is de beperkte toegang tot de academie. Niet alle kunstenaars in de dop worden toegelaten, deels om de kwaliteit van de opleidingen te waarborgen, en deels om de toegang tot de beroepsgroep in te perken.

 

De kunstopleiding

Op de academie worden verschillende opleidingen tot beeldend kunstenaar aangeboden. Naast de traditionele, vrije richting die op artistieke gronden het hoogst staat aangeschreven, hebben de kunstopleidingen een aantal gerelateerde trajecten. Ruwweg worden vier typen opleidingen tot beeldend kunstenaar onderscheiden: de autonome richting, de opleiding tot docent beeldende kunst, en daarnaast twee toegepaste varianten: design (mode, industriële en grafische vormgeving), en audiovisueel.

Het debat over strengere selectie aan de poort wordt – net als de gehele beeldvorming over beeldende kunst, en met uitbreiding zelfs over de gehele kunstsector – sterk beïnvloed door het stereotiepe imago van de autonome beeldende kunstenaar. Het hardnekkige beeld van de middelmatige en luie BKR-kunstenaar, die voortdurend aanklopt bij de overheid, is echter een erfenis van de jaren ’70. Het merendeel van de afstuderende kunstenaars richt zich in het geheel niet op een loopbaan als autonoom kunstenaar. Ongeveer een kwart van de studenten beeldende kunst volgt een autonome afstudeerrichting, en een groot gedeelte van deze kunstenaars kiest na de academie een ander beroep.

Een kunstopleiding mag dan geen vereiste kwalificatie zijn voor het kunstenaarschap, de recente cohorten kunstenaars zijn vrijwel zonder uitzondering afkomstig van de academies en Hogescholen voor de Kunsten. Daarvoor zijn twee redenen. Ten eerste is het belang van scholing voor een succesvolle loopbaan in de kunsten toegenomen. De kunstwereld en de kunstopleidingen zijn meer en meer geformaliseerd. Het was vroeger eenvoudiger om een carrière te starten zonder formeel diploma, terwijl de academies heden ten dage een bijna onaantastbare rol spelen als toegangspoort tot het kunstenaarsberoep. Naast de investering in artistiek kunnen, heeft de kunstopleiding ook een consumptief karakter. Beginnende kunstenaars vinden de opleiding een goede, en prettige opstap naar het kunstenaarschap, los van het feitelijke belang. De afweging tussen het meteen aanvaarden van het kunstenaarsberoep en de mogelijkheid om eerst vier jaar te investeren in artistieke kennis en een beschermd kunstenaarsbestaan te leiden, valt veelal uit in het voordeel van het laatste. Opvallend is echter dat de kleine groep autodidacten (ergens tussen de 5 en 10% van de beeldende kunstenaars) qua succes, verdiensten en exposities weinig onderdoet voor de wel in de kunsten geschoolde kunstenaars. De autodidacten zijn waarschijnlijk veelal de succesvolle overblijvers uit eerdere lichtingen kunstenaars.

Daarnaast is de academie de plaats bij uitstek voor de beginnende kunstenaar om contacten op te doen in het kunstenveld. Tussentijdse tentoonstellingen en de presentatie van het eindexamenwerk kunnen de getalenteerde kunstenaars lanceren. Daarbij speelt dat docenten op de academies veelal geslaagde beeldende kunstenaars zijn, die goed zijn opgenomen in het circuit. Tenslotte heeft de gevolgde opleiding een signaalfunctie bij subsidiënten en galeriehouders. Het is namelijk – zo blijkt in de volgende paragraaf – moeilijk om beginnende kunstenaars te beoordelen. Een diploma van een bepaalde opleiding is daarbij een mogelijke indicator van de oriëntatie en kwaliteit van de beginnende kunstenaar.

Beeldende kunstenaars zijn relatief oud – achter in de 20 – wanneer zij afstuderen. De eerste jaren van het kunstenaarschap zijn moeizaam, met name voor de autonome kunstenaars. Ook de toegepaste kunstenaars kennen een aarzelende intrede op de arbeidsmarkt, maar hun ontwikkeling is doorgaans voorspoediger dan die van hun autonome collega’s. Dat ligt voor de hand. De opleiding van de autonome kunstenaar is vrijwel zonder uitzondering gericht op de artistieke ontwikkeling. De kunstenaars moeten na afstuderen hun werk aan de man weten te brengen, hetgeen andere vaardigheden vergt. Overigens verklaart het gebrek aan kennis over de artistieke bedrijfsvoering de moeizame aansluiting tussen kunstopleiding en de arbeidsmarkt voor kunstenaars slechts ten dele. De werkelijke bottleneck is de geringe omvang van de markt voor beeldende kunst. De vraag naar beeldende kunst – of dat nu avant-garde of stillevens betreft – is moeilijk te beïnvloeden. De kopers en opdrachtgevers van kunst vormen namelijk een zeer selecte groep. Het gros van de mensen is niet bereid om een substantieel bedrag voor een kunstwerk neer te tellen.

 

Deel 2: De loopbaan na de academie

Zodra de opleiding aan de kunstacademie is afgesloten, vangt de feitelijke loopbaan van de beeldende kunstenaar aan. Het is de vraag wat deze loopbaan precies karakteriseert. Het beschikbare onderzoek onderscheidt drie aspecten: ten eerste de gerealiseerde activiteiten, waarmee de kunstenaar in contact treedt met het publiek (exposities, opdrachten), ten tweede de gesubsidieerde loopbaan, die bestaat uit de (opeenvolgende) toekenning van verschillende subsidies, aankopen en opdrachten van de lagere of centrale overheid, en tenslotte het inkomen van de kunstenaar tijdens zijn loopbaan.

 

Exposeren

Het expositiecircuit, waar de beeldende kunstenaar de resultaten van zijn arbeid toont en te koop aanbiedt, is wijd vertakt. De beeldende kunstenaars exposeren uiteraard in Nederlandse en buitenlandse galeries en musea. Het minder in het oog springende tentoonstellingscircuit in winkels, cafés, gemeentehuizen, kunstinstellingen en talloze andere ruimten is echter minstens zo belangrijk voor de loopbaan van de kunstenaars.

Expositieloopbanen van kunstenaars laten zich goed begrijpen met behulp van de notie ‘padafhankelijke traject’. Dit duidt op een proces, waarbij de koers in de carrière op elk moment afhankelijk is van de daarvoor afgelegde route. Deze kijk op de loopbaan van de kunstenaar maakt haar op lange termijn fundamenteel onvoorspelbaar. Het klassieke voorbeeld van een padafhankelijk proces is het weer. Op korte termijn is de weersgesteldheid goed te voorspellen, maar op lange termijn is het niet of nauwelijks mogelijk een voorspelling te doen. Minieme meteorologische verschillen kunnen namelijk enorme verschillen in de weersomstandigheden veroorzaken.

In deze optiek is niemand, kunstenaar noch galeriehouder, subsidiënt noch criticus, in staat om bij voorbaat het kaf van het koren te scheiden. Hierdoor ontstaat een informatieprobleem. Alle betrokkenen wachten op een signaal over hoe de beginnende kunstenaars moeten worden ingeschaald. De nieuwe lichting is ondertussen hard bezig voet aan de grond te krijgen op de onoverzichtelijke expositiemarkt. De startende kunstenaars hebben daarbij doorgaans een open vizier. Zij kunnen het zich in dit stadium van de carrière niet veroorloven om bepaalde opties uit te sluiten. Er zijn immers nog talloze beginnende kunstenaars die op zoek zijn naar erkenning en inkomen.

De startende kunstenaars hebben een portfolio van mogelijkheden en oriëntaties. Het verloop van de eerste jaren van hun carrière wordt daarom sterk bepaald door de start op de markt. Dat kan een subsidie, een expositie of een opdracht zijn. Een dergelijke toekenning fungeert als signaal voor de marktpartijen. Er wordt anders aangekeken tegen een kunstenaar die zijn loopbaan begint met een serie exposities bij kunstenaarsinitiatieven, dan tegen een kunstenaar die een verkooptentoonstelling houdt in een Amsterdamse galerie als eerste landmark in de carrière.

Naderhand beheert de kunstenaar nog steeds een portfolio aan mogelijke activiteiten, maar zijn de rendementen van de verschillende onderdelen veranderd. Zo is een eerste contact met een kunstenaarsinitiatief een goede investering in dit gedeelte van de markt. Een geslaagde expositie in een galerie maakt de kans groter om op deze ingeslagen weg verder te gaan. De start legt de loopbaan echter niet volledig vast. Kunstenaars kunnen op termijn makkelijk van carrièrepad wisselen. De verschillende activiteiten hebben ieder hun eigen dynamiek en zitten elkaar niet in de weg. In veel gevallen is er zelfs sprake van enige wederzijdse beïnvloeding. Kunstenaars die in galeries exposeren, hebben bijvoorbeeld ook een grotere kans op tentoonstellingen in andere circuits.

Op lange termijn zijn er grote verschillen tussen de loopbanen van de kunstenaars. De waterscheiding tussen de carrières is echter niet tussen de kunstenaars die in eerste instantie links- of rechtsaf zijn geslagen, maar tussen de kunstenaars die véél succesvolle deelloopbanen (bijvoorbeeld een reeks exposities in galeries, of een serie tentoonstellingen in musea) hebben, en de kunstenaars die weinig aan de bak komen. Om die reden karakteriseren economen de kunstmarkt als een winner takes all-markt, waarbij de kunstenaars die veel activiteiten ontplooien een steeds grotere voorsprong op de achterblijvers nemen. Opvallend is overigens dat de hiërarchie in de artistieke werkzaamheden onder beeldende kunstenaars wordt gereproduceerd in de overige activiteiten en werkzaamheden. Zo hebben succesvolle kunstenaars meer kans op prestigieuze bijbanen, bijvoorbeeld een lidmaatschap van een adviescommissie.

 

De overheid

De overheid neemt actief deel aan het culturele leven in Nederland, en beïnvloedt het gehele traject van productie, distributie en consumptie van beeldende kunst. De belangrijkste subsidiënten van de beeldende kunst zijn echter de beeldende kunstenaars zelf. Zij werken structureel tegen een lager (uur)loon dan zij in een andere betrekking kunnen verdienen, en maken bovendien lange dagen. Dit geldt niet alleen voor de kunstenaars. Het merendeel van de galeries en expositieruimtes wordt indirect gefinancierd door het feit dat de betrokkenen een gedeelte van hun eigen tijd en elders verworven inkomen aanwenden voor de kunst.

Dit neemt niet weg dat de rol van de overheid moeilijk onderschat kan worden. Bijna de helft van wat de kunstenaars in Nederland verdienen met de verkoop van hun werk, opdrachten, uitleen en subsidiëring wordt direct door de overheid gefinancierd. De overheid is bovendien indirect financier van de andere inkomsten van de kunstenaars, als subsidiënt van de kunstopleidingen waar veel kunstenaars een bijbaan hebben, als verstrekker van uitkeringen – momenteel heeft ongeveer 30% van de beeldende kunstenaars in Nederland een bijstandsuitkering – en als beheerder van kunstenaarscomplexen en ateliers.

Voor de loopbanen van de kunstenaars is met name de rol van de overheid als mecenas interessant. Het ingenieuze Nederlandse systeem van aankoopregelingen, opdrachten, kunstuitleen en subsidies biedt de kunstenaars namelijk een keuze naast een carrière in de marktsector. Critici van de ruimhartige bemoeienis stellen dat de overheid de markt verstikt en haar smaak opdringt. Het systeem, waarin het oordeel over wie in aanmerking komt voor de rijksregelingen gedelegeerd is aan commissies van experts (vooral collega-kunstenaars, aangevuld met critici en kunsthistorici) is kwetsbaar voor dergelijke kritiek. Elk kwaliteitsoordeel dat niet op de markt tot stand komt, draagt immers een zekere mate van willekeur met zich mee. Vaak wordt echter vergeten dat ook het oordeel van de markt buitengewoon willekeurig tot stand kan komen (het is wat de gek ervoor geeft).

De in de vorige paragraaf geschetste situatie van een grote groep kunstenaars die op een krappe markt proberen zoveel mogelijk inkomen en erkenning te verwerven, geeft reeds aan dat specialisatie uit den boze is. Uit panelonderzoek naar de inkomsten van beeldende kunstenaars – een onderzoek waarbij een bepaalde groep kunstenaars (‘het panel’) over de tijd gevolgd wordt –  komt bovendien naar voren dat de verschillen in inkomsten tussen kunstenaars die vooral op de markt actief zijn, en kunstenaars die met name van de overheid geld ontvangen, gering zijn. Het beeld van een kleine groep kunstenaars die zich in het overheidseldorado bevinden, is schromelijk overdreven. Wel is het zo dat kunstenaars die eerder met de overheid in aanraking zijn geweest, een grotere kans op volgende toekenningen hebben. Een dergelijke padafhankelijkheid van inkomsten treedt ook op in de particuliere sector. Overeenkomstig met het in de vorige paragraaf geschetste beeld, kunnen de kunstenaars switchen van het ene carrièrepad naar het andere. De kunstenaarsportfolio kan in een aantal jaar veranderen van een relatief sterke overheidsportefeuille, naar een meer op de markt gerichte portfolio. Ook is het mogelijk dat kunstenaars een aantal succesvolle carrièrelijnen hebben. Deze deelloopbanen kunnen goed naast elkaar bestaan, of elkaar versterken.

 

Deel 3: Het inkomen van de kunstenaar

Ondanks de succesverhalen uit de kunstgeschiedenis, en de exorbitante prijzen die voor kunstwerken van beroemde kunstenaars betaald worden, is het voor de meeste kunstenaars geen vetpot. Vooral de kunstenaars die zich richten op de eigentijdse markt voor beeldende kunst (inclusief de rijksregelingen) hebben lage verdiensten uit het kunstenaarschap. Toegepaste kunstenaars verdienen gemiddeld genomen beter dan hun autonome collega’s.

De lage verdiensten van de autonome kunstenaars zijn een direct gevolg van de omvang van de markt en het aantal actieve kunstenaars. De 223 miljoen NFL moet immers over ongeveer 11.500 kunstenaars verdeeld worden. Gemiddeld is dat nog geen 20.000 NFL per kunstenaar, vóór aftrek van beroepskosten, premies en belastingen. Bovendien zijn de inkomens van kunstenaars zeer scheef verdeeld. De verdiensten zijn te typeren als een ijsberg, waarvan alleen het topje boven het water uitsteekt. Slechts een klein percentage (10% van de kunstenaars) verdient genoeg met het kunstenaarschap om vooruit te kunnen zonder neveninkomsten. Het geschetste mechanisme, waarbij de succesvolle kunstenaars (de winners) er met het leeuwendeel van de inkomsten vandoor gaan, is hier mede debet aan.

Hierdoor ontstaat een spanningsveld tussen enerzijds het werk als beeldend kunstenaar, en anderzijds het inkomen. Beeldende kunstenaars kunnen namelijk – in tegenstelling tot de meeste andere kunstenaars – vrijwel onbeperkt werken. Een acteur heeft een stuk nodig, en medespelers, maar de arbeid in het atelier is aan weinig grenzen gebonden. Ook de verhouding tussen gewerkte uren en inkomsten is ambivalent. Doorgaans produceert de kunstenaar namelijk eerst werk, en brengt het daarna op de markt. De prijs die hij voor zijn werk krijgt (als het al verkocht wordt), is slechts gedeeltelijk te verklaren uit de hoeveelheid tijd en de kosten van de materialen, die de kunstenaar in het werk gestoken heeft. Marktkrachten, die buiten de kunstenaar liggen, verklaren grotendeels de prijs van het werk, en daarmee de beloning van de kunstenaar.

Waarom blijven kunstenaars – ondanks de beroerde financiële perspectieven – in groten getale kunst produceren, en daarmee hun eigen werk subsidiëren? Omdat ze tevreden zijn met hun beroep. Zo geeft 91% van de afgestudeerde autonome beeldende kunstenaars anderhalf jaar na afstuderen te kennen dat zij zeer tevreden zijn met hun studiekeuze. Van alle afstuderende HBO-studenten is ongeveer 80% tevreden met de studiekeuze, wat alvast de grote motivatie van de kunstenaars aan het begin van de loopbaan onderstreept.

Daar kunnen drie redenen voor worden aangevoerd. De keuze voor het kunstenaarschap kan ten eerste worden verklaard door de niet-geldelijke baten. De inkomsten van de kunstenaar zijn weliswaar laag, maar daar staat tegenover dat hij beloond wordt, met een vrijwel onbeperkte vrijheid, een hoge status, en een ruime mate van intellectuele bevrediging. Daarnaast kan de keuze van een aantal kunstenaars verklaard worden door het feit dat zij zich in hun beroepskeuze en -uitoefening weinig zorgen hoeven te maken om de financiële aspecten. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld veel vrouwen, die na de kunstacademie het beroep van huisvrouw met dat van kunstenares combineren, en de (kleine groep) kunstenaars die al vermogend zijn, en zich dus niet hoeven te bekommeren om hun inkomen. De kunstenaar is tenslotte ook een gokker. Hij weet dat de kansen op een werkelijk succesvolle carrière klein zijn, maar hoopt niettemin dat hij tot de winnaars zal behoren.

 

Verantwoording

Het hier gepresenteerde overzicht van het empirische materiaal over de loopbanen van beeldende kunstenaars vormt de afspiegeling van een promotieonderzoek naar loopbanen van kunstenaars, dat over ruim twee jaar wordt afgerond. Het onderzoek, dat in 1996 van start is gegaan, wordt begeleid door Harry Ganzeboom (socioloog) en Jacques Siegers (econoom), en vormt een vervolg op eerder empirisch onderzoek in de kunstsector.

 

 

Literatuur

Irma van der Linden & Merijn Rengers, De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het kunstvakonderwijs, 1999; Kunstenmonitor 1997, Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, Maastricht, 1997.

Heidi Meulenbeek, Tom Poot, met medewerking van Merijn Rengers, De markt voor beeldende kunst. De markt en de financiële positie van beeldend kunstenaars 1996, Stichting voor Economisch Onderzoek der Universiteit van Amsterdam, 1998.

Ineke Nagel, Harry B.G. Ganzeboom, Folkert Haanstra & Wil Oud, Effecten van kunsteducatie in het voortgezet onderwijs, SCO-Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam, 1996.

Wouter de Nooy & Teunis IJdens, Kwaliteit en professionaliteit. Evaluatie van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, Erasmus Centrum voor Kunst- en Cultuurwetenschappen, Rotterdam, 1994.

Merijn Rengers, Beroepspraktijk, inkomsten en kosten, het functioneren van de beeldend kunstenaars aangesloten bij de Kunstenbond FNV, Wetenschapswinkel Amsterdam, 1994.

Merijn Rengers & Heidi Meulenbeek, Ambtenaar of ondernemer? De inkomens van beeldend kunstenaars onder de loep, in: Boekmancahier, nr. 32, 1997, pp. 148-157.

Henk Vinken & Ludo van Dun, Beeldend Kunstbeleid OC&W; Subsidies, opdrachten en aankopen 1990-1993, IVA Tilburg, 1996.

 

Merijn Rengers studeerde in 1996 af als algemeen econoom aan de Universiteit van Amsterdam op de arbeidsmarkt voor beeldende kunstenaars. Hij is momenteel Assistent-in-opleiding bij het ICS aan de Universiteit van Utrecht en docent bij de vakgroep Kunst- en Cultuurwetenschappen van de Erasmus Universiteit (Rotterdam). Daarnaast is hij freelance journalist.