Petra Brouwer

DE WITTE RAAF

Editie 77 januari-februari 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Berlage, ontwerpen voor het interieur

November jongstleden opende na een grondige restauratie en verbouwing het Gemeentemuseum Den Haag weer haar deuren. Directeur Hans Locher verklaarde het gebouw tot voornaamste stuk van de collectie en daarmee richtinggevend voor de wijze van tentoonstellen. Zijn voorganger Rudi Fuchs schreef dit gebouw reeds in de collectie in als catalogusnummer. Berlages laatste meesterwerk glanst en glimt weer. De restauratie is onwaarschijnlijk nauwgezet, tot de letterlijk op de millimeter nauwkeurig gereconstrueerde messing puien toe. De opening verliep even vlekkeloos als het gebouw er uitziet. In het cultuurprogramma van Nederlands derde net mochten Carel Visser en Auke de Vries, als twee éminences grises hun lof zingen op Berlages genie en in een adem door dat van Mondriaan, wiens Victory Boogie Woogie Den Haags nieuwste aanwinst is. Alleen Carel Blotkamp verstoorde het feestje met een artikel in De Volkskrant, door vraagtekens te zetten bij de hagelwitte muren, en de presentatie van het werk als eilandjes in een witte zee. Daarnaast constateerde hij dat het museum door een structureel gebrek aan aandacht voor eigentijdse kunst in feite geen museum voor moderne kunst meer is, maar een museum van de geschiedenis van de moderne kunst, en dat de wijze van tentoonstellen al laat raden wat voor geschiedenis: een modernistische.

De tentoonstelling van Berlages meubels, glas en keramiek bevestigt Blotkamps constatering. Het begeleidende tentoonstellingsgidsje rept van kopieën van Egyptische, middeleeuwse en Hollandse 17de-eeuwse meubelstijlen, maar benadrukt voortdurend hoe verschrikkelijk modern, logisch constructief (stoelen met vijf poten!) en rationeel de meubels zijn, want Berlage had ‘een hekel’ aan historische stijlelementen. Iedereen met ogen in zijn hoofd ziet meubels die voor de eigentijdse museumbezoeker moeilijk toegankelijk zijn: de stoelen zien er zwaar, streng en oncomfortabel uit en de kasten lijken soms kleine massieve kastelen. Wat je met dit werk aan moet, waarom het zo bijzonder is, behalve dat het van Berlage is, blijft onduidelijk. Een vergelijking met en positiebepaling ten opzichte van zijn tijdgenoten had de bezoeker al meer houvast gegeven. Of bijvoorbeeld commentaar van hedendaagse ontwerpers.

Een kritische studie van Berlages werk en de Berlage-receptie lijkt mij hoe dan ook een minimumvereiste, nu het Gemeentemuseum gekozen heeft voor het centraal stellen van Berlages gebouw. Maar de man is met zijn meubels in zijn kunsttempel opgesloten in zijn eigen retoriek. Niets is dodelijker voor een kunstenaar dan dat. Zelfs de geschiedenis van de moderne kunst is in het Gemeentemuseum Den Haag tot stilstand gedoemd.

 

• H.P. Berlage (1856-1934), ontwerpen voor het interieur tot 1 februari in het Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, 2517 HV Den Haag (070/338.11.11).