Petra Brouwer

DE WITTE RAAF

Editie 77 januari-februari 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Supermodernisme

Hans Ibelings’ Supermodernisme. Architectuur in het tijdperk van de globalisering is verschenen als zesde deel in de reeks Fascinaties, een initiatief van het Nederlands Architectuurinstituut en NAi-uitgevers om auteurs ruimte te geven voor een eigenzinnige bijdrage aan de discussie over architectuur en stedenbouw. De boekjes houden het midden tussen een uit de hand gelopen essay en een dun boek. Een doorwrochte wetenschappelijke onderbouwing van de stelling staat niet voorop, het betoog moet prikkelen en discussie uitlokken. Hans Ibelings’ meeslepend geschreven introductie van een nieuw ‘-isme’ kan op zijn zachtst gezegd provocerend genoemd worden, in een tijdperk waarin architectuurcritici en -historici de door hen zelfgebruikte indelingen in -ismen veelvuldig ter discussie stellen. Per definitie kunnen grote algemene begrippen de complexe werkelijkheid nooit geheel vatten. Dit besef resulteert in een vlucht naar veilige deelstudies. Dat Supermodernisme zich hier niets van aantrekt, is mijns inziens zowel de grootste verdienste van deze studie, alsook het grootste probleem.

Ibelings’ betoog heeft een opmerkelijke indeling: na de inleiding volgt eerst een uitgebreid hoofdstuk ‘postmodernisme’, daarna ‘modernisme’ en ten slotte ‘supermodernisme’. Het postmodernisme definieert Ibelings als een mentaliteit die het geloof in vooruitgang en het vertrouwen op ratio afwijst. Vooruitgangsgeloof had in de architectuur geleid tot een technocratische, kille vormentaal, die gespeend was van alle verbeelding en overal ter wereld dezelfde blokkendozen opleverde. Postmodernisten wilden gebouwen weer betekenisdragers laten zijn, beeldende symbolen. Een gebouw kon op talloze wijzen referenties bevatten: aan de architectuur zelf, de architectuurgeschiedenis, de omgeving waar het gebouw kwam te staan, de functie van het gebouw, of zelfs aan allerlei niet-architectonische referenties als de filosofie en de exacte wetenschappen. Het postmodernisme begon met de roep om meer verbeelding, maar werd, aldus Ibelings, allengs een uitlaatklep voor persoonlijke obsessies van architecten, die deze belangrijker vonden dan de bouwkundige opgave en het programma. Als bedreven mediastrategen profileerden ze zich tot artistieke individuen met internationale ster-allures, die architectuur gebruikten als een vorm van zelfexpressie.

Een internationaal karakter had het modernisme van meet af aan voor ogen. In de jaren ’50 en ’60 – Ibelings concentreert zich in deze studie op het naoorlogse modernisme – werd de eigenschap internationaal georiënteerd te zijn bewust gecultiveerd als essentie van moderniteit. De moderne wereldburger voelde zich thuis in de architectuur van vliegvelden, hotels en kantoorgebouwen. Het idee dat iedereen in één en dezelfde wereld leeft, werd volgens Ibelings na de oorlog door het idealistische verlangen gevoed dat wereldwijde massacommunicatie een nieuw tijdperk zou inluiden van duurzame vrede. Deze wereldgemeenschap werd bediend van een uniforme beeldtaal, waarin gebruik werd gemaakt van de nieuwste technieken en materialen. De moderne architect fungeerde in eerste instantie als rationele probleemoplosser, die het programma en de opgave centraal stelde.

Deze benadering kwam in de tijd van het postmodernisme in de verdrukking, maar enkele substromingen hielden de moderne architectuur in leven. Bijvoorbeeld de interesse in de jaren ’70 voor de installatietechniek, met als voornaamste speeltje James Bond-achtige bedieningspanelen die met een druk op de knop licht, temperatuur, ventilatie, schuivende wanden enzovoorts konden regelen. Daarna volgde de hightech architectuur van Norman Foster, Richard Rogers en Renzo Piano. Postmoderne tijdgenoten wisten zich volgens Ibelings geen raad met de pragmatische aanpak van hun collega’s en beoordeelden de innovaties op een merite die ze nauwelijks hadden, namelijk op de symbolische dimensie. Ze zochten naar referenties aan auto’s en vliegtuigen, en waren niet in staat de nieuwe techniek te zien als wat het was: nieuwe techniek.

Enige publicaties die in 1995 en 1996 verschenen, markeren volgens Ibelings het begin van het supermodernisme. Men ontwaart een ‘nieuw’ soort abstracte, naar niets buiten zichzelf verwijzende architectuur, rectangular volumes waarvan de ene auteur hun lichtheid en transparantie benadrukt, de ander de gladde façade, het monolithische of minimalistische karakter. Ibelings wil het supermodernisme niet verklaren op ‘strikt kunsthistorische wijze’ als reactie op het voorgaande postmodernisme, maar ziet het eerder als een reactie op het verschijnsel globalisering. Het modernistische ideaal van een wereldgemeenschap lijkt in de westerse wereld in deze tijd gerealiseerd; gigantische welvaart, ongekende mobiliteit, nonstop informatie via cyberspace-netwerken en een uniform gebouwde omgeving van winkelcentra, hotels en luchthavens. In deze zee van non-descripte bouwwerken doen postmodernisten nog vergeefse pogingen gebouwen als bakens te laten functioneren, maar juist daardoor komen ze volgens Ibelings misplaatst over. Ze ontkennen de homogenisering. Bovendien ontkracht het internationale succes van het postmodernisme zijn eigen dogma van de unieke en authentieke relatie met de context. Supermodernisten daarentegen erkennen de feiten. Een footloose wereld krijgt footloose architectuur. Vervolgens stelt Ibelings dat deze neutraliteit wel degelijk betekenisvol kan zijn. Benadrukt wordt dat ingetogenheid en esthetische verfijning een overweldigende indruk maken en de beschouwer aanspreken op emotioneel niveau. De weelde van de eenvoud is opnieuw ontdekt, en we hebben haar hard nodig, aldus Ibelings in zijn conclusie. In een wereld die zichzelf overschreeuwt, moet je luisteren naar degenen die nadrukkelijk zwijgen.

Om op deze conlusie uit te kunnen komen, heeft Ibelings enkele kunstgrepen moeten toepassen. Zijn lijn van postmodernisme naar modernisme en supermodernisme bestaat bij de gratie van het reduceren van genoemde stromingen tot een van hun vele facetten. Zo wordt het postmodernisme geïntroduceerd met een brede, genuanceerde definitie. Maar deze wordt in het vervolg van de studie gereduceerd tot aandacht voor de lokale context van een gebouw, om vervolgens een paradox te kunnen constateren dat postmodernisme een internationaal herkenbare stijl werd.

De bewering dat supermodernisten zich niet bezig zouden houden met formele overwegingen en symbolische verwijzingen, kan alleen standhouden door techniek steeds als neutrale factor op te voeren. Maar neutraliteit is ook een esthetische keuze. Een keuze die Ibelings alleen in zijn conclusie benadrukt, als hij wijst op de evocatieve schoonheid van de supermoderne gebouwen.

Het grootste probleem van deze studie is dat Ibelings belangrijkste stelling, dat het supermodernisme niet als reactie moet worden gezien op het postmodernisme, maar als een verbeelding van de globalisering, nauwelijks wordt uitgewerkt. Ibelings inspiratiebronnen, Marc Augé’s Non-lieux: Introduction à une anthropologie de la surmodernité (Parijs, 1992), en enkele sociologen komen relatief weinig aan het woord. In plaats van uitvoerig de verhouding tussen globalisering en supermodernisme te beschrijven, gaat minstens de helft van deze studie over het postmodernisme. De ‘kunsthistorische methode’ – een stroming als reactie te beschrijven op de voorgaande – wordt door Ibelings volop toegepast. Deze studie stelt dan ook meer dan het supermodernisme, de mogelijkheid van het creëren van een ‘isme’ ter discussie.

 

• Hans Ibelings, Supermodernisme. Architectuur in het tijdperk van globalisering is tevens in het Engels en Spaans verkrijgbaar en verscheen in 1998 bij NAi Uitgevers, Postbus 237, 3000 AE Rotterdam (010/440.12.03).