Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 78 maart-april 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Cinéma Cinéma

Terwijl beelden nogal eens ver te zoeken waren in de beeldende kunst van deze eeuw, de eeuw van de readymade en de abstractie, zorgde de filmkunst voor een ware hoorn des overvloeds. Het lijkt erop of de kunstwereld aan de vooravond van de 21ste eeuw nog snel de wereld van Lang, Hitchcock en Godard wil inlijven: met tentoonstellingen als Spellbound en Hall of Mirrors wordt onderzocht welke dwarsverbindingen er zijn tussen beeldende kunst en de film. De groepstentoonstelling Cinéma cinéma in het Van Abbemuseum omvat werk van elf kunstenaars met naast foto’s en tekstwerken vooral video-installaties. Contemporary Art and the Cinematic experience luidt de Engelse ondertitel van de Franse titel, en die ‘filmische ervaring’ wordt door de betrokken kunstenaars vaak geanalyseerd aan de hand van materiaal uit bestaande (al dan niet klassieke) films. Opmerkelijkerwijs betonen de kunstenaars zich in de toewijding waarmee ze de eigenschappen van het medium ontleden vaak erfgenamen van het modernisme: het medium is geen middel, maar onderwerp van het werk.

Soms leidt dit tot resultaten die nogal ergerlijk zijn door de vanzelfsprekendheid waarmee elementen van de cinema worden opgeblazen en als op zichzelf belangwekkend worden gepresenteerd: Pierre Bismuth toont in Post Script/The Passenger (1996) een projectie waarop woorden verschijnen die worden geschreven door een typiste die van Bismuth de opdracht kreeg om in real time een transcriptie te maken van de geluidsband van Antonioni’s Professione: Reporter. De kijker kan haar arbeid controleren door middel van een koptelefoon waarop de geluidsband te horen is. Het is niet veel meer dan de eenduidige uitwerking van een theoretisch cliché: registratie is altijd ook interpretatie. In aanleg is het interessant dat Bismuth in dit en andere werken de film in navolging van de moderne beeldende kunst zuivert van beelden, maar hij weet dit niet uit te werken in een kunst die meer is dan puur verstandelijk.

Veel geslaagder is het werk van Pierre Huyghe, die in Remake (1995) een aantal acteurs zonder veel voorbereiding Hitchcocks Rear Window liet naspelen. Juist door de dramaturgische en acteertechnische tekortkomingen van deze productie krijgt Huyghes versie van deze klassieker een eigen leven: Hitchcocks voyeurisme-drama met larger than life sterren als Grace Kelly en James Stewart wordt door Huyghe vermenselijkt, in een wereld geplaatst waarin wordt gemompeld en geaarzeld en waarin mensen zich overduidelijk afvragen of ze wel geschikt zijn voor de rol die ze spelen, maar gaandeweg toch steeds overtuigder en overtuigender worden. Prachtig is ook Huyghes recentere werk L’ellipse (1998), dat uit drie ruimtelijk en in de tijd op elkaar aansluitende projecties bestaat. De linkerprojectie bestaat uit een scène uit Wenders’ Der amerikanische Freund, waarin het door Bruno Ganz gespeelde personage de telefonische instructie krijgt om naar een gebouw aan de overkant van de Seine te gaan. De middelste projectie is door Huyghe zelf gemaakt en toont hoe Ganz, inmiddels twintig jaar ouder, de in Wenders’ film niet getoonde wandeling naar dat gebouw maakt. Van deze wandeling wordt uiteindelijk de overstap gemaakt naar het rechterscherm, waar de scène wordt getoond die in de oorspronkelijke film volgde op de cut die de wandeling ‘wegsneed’. Huyghe slaagt erin om de in zijn totaliteit getoonde tocht van Ganz een autonome waarde te laten aannemen. Rustig vervolgt hij zijn pad naar de plek waar hij de film weer binnen zal stappen, onderwijl fietsers ontwijkend en af en toe verpozend en peinzend. Het verhaal is in deze ellips even naar de achtergrond verdwenen.

Van Douglas Gordon is in het Van Abbemuseum het eerder in Münster getoonde Between Darkness and Light (after William Blake) (1997) te zien: op een transparant scherm wordt aan de ene kant The exorcist en aan de andere kant The Song of Bernadette geprojecteerd. Het horrorverhaal en het heiligenleven raken vermengd, en hun visuele retoriek (veel extatische of door afgrijzen getekende gezichten) blijkt wonderbaarlijk veel overeenkomsten te vertonen. Weliswaar kan men vraagtekens plaatsen bij de manier waarop Gordon voortdurend licht en donker, goed en kwaad, Jekyll en Hyde ten tonele voert, maar in dit werk weet hij door een even simpele als doeltreffende ingreep twijfel te zaaien over denken in polariteiten: de heilige en het kind uit The Exorcist blijken even bezeten. Interessant is dat hoewel de twee films volledig worden vertoond – door hun verschillende lengtes vormen ze overigens steeds andere combinaties – de verhaallijnen niettemin nauwelijks te volgen zijn. Dat voor de ‘filmische ervaring’ het verhaal van ondergeschikt belang zou zijn, wordt behalve door Gordons werk en door Huyghes L’ellipse door nog meer werken in deze tentoonstelling gesuggereerd – onder meer door de filmstill-achtige foto’s van Sharon Lockhart, die allerlei mogelijke vertellingen in zich lijken te bergen, zonder ze evenwel expliciet te maken.

Met de Finse Eija-Liisa Ahtila is in Cinéma cinéma ook een rasechte verteller vertegenwoordigd, maar de verhaallijnen in haar video-installaties zijn grillig en vaak gebroken. Bij Montevideo in Amsterdam was onlangs haar recente werk Anne, Aki & God te zien, waarin verschillende acteurs in screentests of in audities de rol aannemen van de schizofrene Aki, zijn denkbeeldige vriendin Anne en van God. De uiteenlopende interpretaties van de spelers maken hun rollen oneindig complex. In het in Cinéma cinéma getoonde Today (1996-1997) hoort bij ieder rol één acteur, maar tegelijkertijd willen de verschillende verhalen die de personages vertellen maar niet één coherente vertelling vormen. Op drie schermen vertellen achtereenvolgens drie gezinsleden hun versie van een traumatisch auto-ongeluk waarbij de grootvader het leven verloor: het is op zichzelf geen origineel procédé, maar Ahtila weet het ten volle te benutten voor een prachtig geacteerd drama, waarbij de Hollywoodachtige smetteloosheid van de enscenering de kloof waarop de relaties van de personages gebouwd zijn nog benadrukt. Terwijl het werk van veel in Cinéma cinéma vertegenwoordigde kunstenaars ondanks de kwaliteiten ervan uiteindelijk toch afhankelijk blijft van de films die zij gebruiken, weet Ahtila met grote vanzelfsprekendheid een vorm van filmkunst te verwezenlijken die op eigen benen staat.

 

• Cinéma cinéma met voorts bijdragen van onder meer Christoph Draeger, Fiona Banner, Joachim Koester en Marc Wilson nog tot 24 mei in het Van Abbemuseum, Vonderweg 1, Eindhoven (040/2755271).