Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 78 maart-april 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Mark Rothko

Als er een kunstenaar is van wie men, om zijn kunst enigszins te kunnen begrijpen, zijn schilderijen in levende lijve gezien moet hebben, dan is het Mark Rothko wel. Daar zijn werk in Europese verzamelingen niet echt goed vertegenwoordigd is, is de tentoonstelling van negenenzestig schilderijen in het Musée d’art moderne de la Ville de Paris een unieke gelegenheid om met dit bijzondere oeuvre kennis te maken. Wat bij de fysieke confrontatie met deze schilderijen opvalt, is dat voor een schilder, die altijd geassocieerd wordt met een soort van immateriële, lees spirituele kunst, de materiële aanwezigheid van deze werken zeer dwingend is. Uit de onmiddellijke confrontatie met deze werken blijkt ook dat Rothko als vakman een bijzondere belangstelling had voor de techniek, waarmee hij voortdurend experimenteerde. Zijn technische vaardigheid is duidelijk zichtbaar in de oppervlakte-effecten als textuur, toets, coulures en glacis, die in de transparante lagen van sterk verdunde olieverf (op het einde van zijn leven experimenteerde hij eveneens met acrylverf) duidelijk zichtbaar zijn. Maar zijn grootste kwaliteit was ongetwijfeld zijn observatievermogen. Soms kon hij dagen na elkaar bewegingloos naar een schilderij kijken, alvorens de zoveelste nieuwe verflaag aan te brengen. Dit wil geenszins zeggen dat Rothko een spiritueel kunstenaar was; ondanks de opdracht die hij aanvaardde voor de oecumenische kapel van Dominique en John de Menil in Houston (Texas), was hij zeker geen religieus schilder.

De in chronologische volgorde opgestelde tentoonstelling behandelt vooral de periode waarin Rothko, vanaf 1949, tot de ontwikkeling van zijn eigen stijl komt. Hij was toen bijna vijfenveertig jaar oud. Zijn ‘klassieke’ schilderijen worden gekenmerkt door mistige kleurvlekken met een etherisch karakter. Ze vullen de ruimte en absorberen de toeschouwer. Door hun vage vormen, waarvan de contouren constant veranderen, lijkt het wel of ze ademen. Dit creëert een interne spanning, die Rothko zelf definieerde als een dialectische beweging tussen ‘contractie’ en ‘expansie’. Het vroege werk, de jaren ’30 en ’40 waarin hij achtereenvolgens door Amerikaanse kunstenaars als Edward Hopper (Entrance to Subway/Subway Scene, 1937), mythologische thema’s (The Omen of the Eagle, 1942) en het surrealisme van Max Ernst (Slow Swirl at the Edge of the Sea, 1944) geïnspireerd werd, om via zijn Multiforms (1947/49) tot zijn rijpe stijl te komen, werd samengebracht in een soort inleidende tentoonstelling. De overgang naar het rijpe werk, die hier wordt voorgesteld als een breuk, maar in de praktijk waarschijnlijk veel geleidelijker gebeurde, is niet erg duidelijk. Het inlassen van enkele overgangswerken had veel kunnen verhelderen.

Rothko was geen formalist, maar zeker ook geen mysticus. Zijn enige onderwerp is de tragiek. De tragiek die in zijn werk weerspiegeld wordt, is deze van de Russische emigrant. Marcus Rothkowitz werd in 1903 geboren in een joods milieu in Dvinsk. Op zijn tiende kwam hij als praktiserende jood terecht in een gelaïciseerde gemeenschap waarvan hij de taal niet sprak. Zijn oeuvre getuigt van een zoektocht naar een plaats voor zichzelf die hij in zijn kunst dacht gevonden te hebben. Vandaag spreekt men van een environment of van een installatie. Rothko zelf sprak van een ‘gebeurtenis’. Het ruimtelijke karakter van dit werk komt vooral tot uiting in de opdracht voor het restaurant van de Seagram building in New York. Een opdracht die uiteindelijk niet is doorgegaan. Een belangrijk ensemble van de veertig schilderijen die hij hiervoor maakte, kwam terecht in Londen (Tate Gallery), Washington (National Gallery) en het Kawamura Museum of Modern Art in Japan. Een selectie van de Seagram-schilderijen vormt in de tentoonstelling een coherent geheel. Veel intenser nog zijn de laatste zalen met de zogenaamde zwarte schilderijen, die altijd in verband gebracht worden met zijn chronische depressies en zijn nakende zelfmoord. In de vroege morgen van 25 februari 1970 sneed hij beide polsen over. Een bericht heeft hij niet meer nagelaten. Zoals hij vroeger reeds gezegd had, is er “niets nauwkeurigers dan stilte”.

 

• De retrospectieve Mark Rothko loopt nog tot 18 april in het Musée d’art moderne de la Ville de Paris, Avenue du Président Wilson 11, 75116 Paris (01.53.67.40.00).