Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 78 maart-april 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Georges Pompidou et la modernité

De Franse presidenten hebben er sinds de vijfde republiek een gewoonte van gemaakt zich niet alleen politiek, maar vooral cultureel te vereeuwigen. Van François Mitterand is algemeen geweten dat hij de Franse kunst een nieuw elan wou geven. De opera Bastille, de piramide van het Louvre en de Très Grande Bibliothèque, die nu ook zijn naam draagt, zijn voorgoed met zijn presidentschap verbonden. Zijn opvolger Jacques Chirac, die in de hoedanigheid van burgemeester van Parijs als belangrijkste architecturale verdienste het verschrikkelijke winkelcentrum van Les Halles kan voorleggen (het terrein was oorspronkelijk bedoeld voor het Musée national d’art moderne, dat zich nu in het Centre Pompidou bevindt), tracht zich te profileren met het sterk gecontesteerde Musée des arts et civilisations (Mac). Het is voorzien op de quai Branly, het tentenkamp onder de Eiffeltoren, waar na de sluiting van het Grand Palais de jaarlijkse kunstbeurs FIAC georganiseerd wordt.

Ondertussen heeft het Centre Pompidou zich al meer dan twintig jaar een reputatie opgebouwd als centrum voor moderne en hedendaagse kunst, maar weet haast niemand meer wie Georges Pompidou nu eigenlijk was. Daarom organiseert het Centre Pompidou – dat nog altijd verbouwd wordt en pas eind dit jaar opnieuw zijn deuren opent – ter gelegenheid van de vijfentwintigste verjaardag van Pompidou’s overlijden een tentoonstelling over zijn persoon in het Jeu de Paume. Georges Pompidou (1911-1974) studeerde letteren en gaf les in de lycea Saint-Charles in Marseille en Henri IV in Parijs. Na de oorlog werd hij kabinetschef van generaal De Gaulle en directeur-generaal van de Banque Rothschild. In 1961 publiceerde hij bij Hachette zijn Anthologie de la poésie française. Hij was niet alleen eerste minister onder De Gaulle en later president van Frankrijk, maar ook als verzamelaar bracht hij een bescheiden collectie samen.

Het idee voor een cultureel centrum met een bibliotheek en een museum, waarin alle kunsten verenigd werden en voor een groot publiek gratis toegankelijk, was een project waar Pompidou reeds in de jaren ’50 van droomde. Als eerste minister stelde hij dit voor aan De Gaulle en zijn cultuurminister André Malraux, maar zij hadden daar blijkbaar geen oren naar. Deze laatste droomde liever luidop van een Musée imaginaire. Na het aftreden van De Gaulle werd Pompidou in juni 1969 president van de Republiek. Nog geen drie maand later lagen zijn plannen voor een polyvalent cultuurcentrum op het plateau Beaubourg reeds op de tekentafel. Pompidou overleed echter voor het einde van zijn mandaat en heeft de opening in 1977 van het gebouw van Renzo Piano en Richard Rogers, niet meer mogen meemaken. Als president werd hij opgevolgd door Giscard d’Estaing, die ondertussen ook bezig is met een (post)historische inhaalbeweging. Zijn naam is verbonden aan Vulcania, een vulkaanmuseum in een echte vulkaan in de buurt van Clermont-Ferrand in zijn kiesdistrict Auvergne, waarvoor de Weense postmodernist Hans Hollein een megalomaan museum tekende.

Als verzamelaar was Pompidou vooral een amateur van abstracte kunst. In zijn werkkamer hing een schilderij van Soulages. Verder hield hij van Manessier, De Staël, Mathieu en Hartung. Bij Denise René kocht hij bescheiden werkjes (om zich te verontschuldigen zei hij altijd dat hij enkel bij de Rotschilds in dienst was) van Günther Uecker (de schoonbroer van Yves Klein met wie hij bevriend was), Herbin en Vasarely, bij Mathias Fels onder andere Fontana en Jean-Pierre Raynaud. Maar ook het Nouveau Réalisme en de kinetische kunst heeft hij altijd verdedigd, tegen “het conservatieve karakter van de Franse smaak in het algemeen en deze van haar zogenaamde elite in het bijzonder”. Terwijl Pompidou vooral de Franse kunst verdedigde, was zijn beleid erop gericht om Frankrijk opnieuw voor de wereld open te stellen. “Onze kolonies zijn we verloren,” zei hij, “maar de schilderkunst zal blijven.” Het Moderna Museet in Stockholm was een van zijn geliefde musea. Directeur Pontus Hulten aldaar werd dan ook binnengehaald als de eerste directeur van het Département des arts plastiques. Edy de Wilde en Harald Szeemann stonden eveneens op het verlanglijstje.

Dat de herdenking van de vijfentwintigste verjaardag van het overlijden van Georges Pompidou samenvalt met de nakende heropening op 31 december van het centrum dat zijn naam draagt, berust op louter toeval. Dat er een tentoonstelling geopend wordt die het publiek, maar vooral de huidige politieke en artistieke verantwoordelijken eraan moet herinneren wat de filosofie van zijn geestelijke vader was, op een moment dat de bestemming van het gebouw openlijk in vraag gesteld wordt, kan natuurlijk geen toeval zijn.

 

• Georges Pompidou et la modernité nog tot 18 april in het Jeu de Paume, Place de la Concorde, 75001 Paris (01.47.03.12.50).