Erik Eelbode

DE WITTE RAAF

Editie 78 maart-april 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Landschappen, August Sander & Jeff Wall

Het tempo waarmee de Photographische Sammlung van de SK Stiftung Kultur der Stadtsparkasse Köln degelijke tentoonstellingen blijft leveren, is overweldigend. Amper is de voorstelling van de benijdenswaardige privécollectie van Manfred Heiting verteerd, of daar dient zich – als aanloop dan nog tot een nieuwe uitgave van de Menschen des 20. Jahrhunderts – een ander ambitieus project aan: een grondige, exhaustieve studie en presentatie van August Sanders landschappen, met als pendant in een aparte ruimte een selectie van zes landschapsbeelden van Jeff Wall. Voeg daar de twee accurate publicaties aan toe die dit project ondersteunen en je krijgt een meer dan werkbaar profiel van wat een structurele en dynamische omgang met fotografische beelden en hun geschiedenis vandaag zoal kan betekenen.

Ook het doorbreken van al te rigoureuze opvattingen over klassieke oeuvres uit de fotografiegeschiedenis kan daartoe gerekend worden. Zo doet er over de landschapsfoto’s van August Sander een hardnekkige mythe de ronde: de these van de ‘innerlijke emigratie’, zoals Olivier Lugon het noemt in de verhelderende studie bij deze tentoonstelling. Sander zou zich, nadat de portretten van Antlitz der Zeit in 1934 door de nazi’s in beslag waren genomen, gedurende de twaalf jaren van het Derde Rijk veiligheidshalve maar op landschappen zijn gaan toeleggen, noodgedwongen zou hij zijn toevlucht tot de ‘vrije natuur’ hebben gezocht. De resultaten van Lugons onderzoek spreken dit echter (voor het eerst) formeel tegen. Niet enkel heeft August Sander zich in de loop van zijn hele carrière intensief met het landschap ingelaten, het vormde voor hem zelfs het doorslaggevende argument om überhaupt met fotograferen te beginnen. In zijn allereerste tentoonstelling in 1906 waren dan ook al voluit landschapsbeelden opgenomen en zo kwamen in de loop van een periode die reikt van het eind van de vorige eeuw tot de jaren ’50, parallel lopend met de portretten, nog duizenden landschapsfoto’s tot stand. Bovendien schrijft een aanzienlijk deel daarvan zich – net zoals de portretten – volledig in in het globale project dat Sander voor zichzelf had geformuleerd: het realiseren van een ‘exacte fotografie’. Een fotografie die een wetenschappelijke werkwijze beoogde en die via uiterste beeldscherpte en vereenvoudigde compositie, bovenal een hoogst nauwkeurige weergave van de werkelijkheid nastreefde. In het grote ‘portret’ dat hij op die manier wilde realiseren van de samenleving van zijn tijd, wilde hij zich in eerste instantie op de 20ste-eeuwse mens richten, maar toch spreekt hij in een brief van 1925 ook over zijn voornemen om gelijklopend daarmee een verzameling beelden aan te leggen die de ontwikkeling van dorp tot moderne grootstad zou documenteren, om zo “eine wahre Psychologie unserer Zeit und unseres Volkes zu geben”.

Bij het bekijken nu van Sanders landschappen op zich, valt wel meteen de uiteenlopende kwaliteit ervan op. Naast heuse meesterwerken in het genre, vind je er net zo goed doorsnee toeristische opnamen of plaatjes voor heimatkalenders terug. Natuurlijk is dat zo, zegt Olivier Lugon, je mag immers niet uit het oog verliezen dat August Sander een beroepsfotograaf was, die in zijn atelier verschillende mensen tewerkstelde en een behoorlijk deel van zijn tijd met commerciële opdrachten (zoals reisgidsjes of de populaire reeks Schöne Heimat van de fameuze Blaue Bücher) aan de slag was. Al is er tot op vandaag nooit één Sanderopname van de Loreley boven water gekomen…

Ook in dit puur professionele werk schemert niettemin Sanders ambitie door om het landschap als een studieobject – als een ‘fysionomie’ – te beschouwen, die een hele natuur- en cultuurgeschiedenis in zich draagt. In een radiolezing uit 1931 neemt hij in dit verband zelfs het begrip ‘exacte landschapsfotografie’ in de mond, een term waarin tegelijk een flinke notie van de eigentijdse ontwikkelingen van de geografische wetenschap, de meteorologie en topografie, botanica en geologie, als een besef van de vroege 19de-eeuwse romantische landschapschilderkunst meeklinken. Sander wilde een esthetische en een wetenschappelijke - een zakelijk-documentaire - bekommernis met elkaar verbinden. Daarin lag volgens hem precies de opdracht van de moderne fotografie: “die wissenschaftliche und die sogenannte künstlerische Photographie zu einer einheitlichen photographischen Gestaltung zu bringen”. Zo gaan in een aantal van de beste Sander-landschappen inderdaad lyrisch geladen, soms zelfs idyllisch gecomponeerde beelden op in een uiterst precieze, zakelijke setting – de balans slaat echter vrijwel nooit naar het puur pittoreske over.

Wat August Sanders werk echter van de traditionele kunstfotografie en de romantische landschapschilderkunst onderscheidt, en het tegelijk met een wetenschappelijk-geografische benadering van het landschap verbindt, zit hem ook in de methode. Het werken in reeksen, conceptueel, vanuit een typologische en comparatieve blik. Een ‘vergelijkende’ fotografie die, zoals we inmiddels weten, danig school heeft gemaakt. Het blijkt dan ook een op zijn minst geïnspireerde keuze om deze maidenpresentatie van Sanders landschappen niet te laten uitmonden in een inmiddels bijna vanzelfsprekende stamboomtentoonstelling (Sander meets his Becherschüler). De confrontatie met een zestal ‘pure’ landschappen van Jeff Wall houdt in deze meer uitdagingen achter de hand. Voor een reflectie over ‘genre’ en ‘stijl’ bijvoorbeeld. Noch louter documentair, noch puur schilderkunstig is de stijl van Walls landschapsbeelden, hoewel klassieke compositieregels van harmonie en proportie nooit veraf zijn. Walls landschappen zijn, evenmin (en zelfs nog beduidend minder) als die van Sander pittoresk, ze moeten veeleer gelezen worden als mogelijke studies van de wijze waarop een ‘landschap’ geconstrueerd wordt. Over het maken van landschappen is ook de titel van het beknopte essay dat Wall voor de publicatie bij deze tentoonstelling schreef. Ik maak landschappen of soms stadsbeelden, zegt hij, om het proces van zo’n ‘nederzetting’ na te gaan, maar ook om voor mezelf uit te maken om wat voor beeld het nu eigenlijk gaat, wanneer we het over een ‘landschap’ hebben. Om een landschap te kunnen ‘maken’ moeten we volgens Wall, afstand nemen. Ver genoeg om ons aan de aanwezigheid van andere mensen (de figuren, noemt hij ze) te onttrekken, maar toch niet zo ver, dat we hen als ‘actoren in een sociaal veld’ uit het oog verliezen. “Of, preciezer uitgedrukt, juist op het punt waarop we de figuren als actoren uit het oog verliezen, kristalliseert het landschap zich tot genre.”

Opmerkelijk – en tegelijk ook vanzelfsprekend – is dat zowel het boek over Sander als de publicatie over Wall, de beroemde tentoonstelling New Topographics (George Eastman House, Rochester, 1974-75) aangrijpt als vergelijkingsbasis (of lanceerplatform). Met werk van onder meer Robert Adams, Lewis Baltz, Bernd en Hilla Becher, Nicholas Nixon of Frank Gohlke schoof New Topographics kordaat een nieuwe visie op de landschapsfotografie naar voor, die wezenlijk documentair was, afstandelijk, onspectaculair en allesbehalve schilderkunstig. Ook August Sander, zo blijkt uit deze recente studie, streefde in zijn landschappen naar een vergelijkbare precisie en objectiviteit en interesseerde zich – als hij maar even kon – voor complexe landschappen, waarop de mens zijn stempel had gedrukt. New Topographics verbreedde op een fundamentele en systematische manier het begrip ‘landschap’ door zich op topografische thema’s en structuren te concentreren: hoe de industrie of de gestandaardiseerde architectuur het landschap heeft ‘getekend’ bijvoorbeeld. In de vroege jaren ’80 maakt Jeff Wall zijn eerste landschappen en hoewel er thematische parallellen met de Nieuwe Topografen aan te stippen zijn, gaat zijn werk formeel een heel andere richting uit. Wall, zegt Susanne Lange, werkt binnen de regels van het klassieke landschapschilderij (het pastorale, het ideaallandschap, enzovoort) en wil van binnenuit – zij het vanuit een met de New Topographics verwant afstandelijk standpunt – op een ideologisch-kritische manier met het landschap-als-beeld omgaan. Wall: “Voor mij draagt het landschap als genre ertoe bij de afstand zichtbaar te maken, die we tussen elkaar moeten bewaren, om zo bij elkaar te kunnen vaststellen, wat we, onder zich voortdurend wijzigende omstandigheden, lijken te zijn”. Geïsoleerd van de rest van zijn oeuvre, bouwen de ‘landschappen’ van Wall een merkwaardige stilte en een intrinsieke spanning op, die even de groteske luidruchtigheid van andere taferelen uit de herinnering bant.

 

• August Sander: Landschaftsphotographien en Jeff Wall; Bilder von Landschaften tot 28 maart in de Photographische Sammlung SK Stiftung Kultur, Im Mediapark 7, 50670 Köln (0221/226.59.00), www.sk-kultur.de