Petra Brouwer

DE WITTE RAAF

Editie 78 maart-april 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Het Wilde Wonen/Farmax

Wij, Nederlanders, moeten ons zorgen maken. De Bijlmerflats zijn nog niet afgebroken, of de door ons gekoesterde eengezinswoningen liggen al weer onder vuur. Nederland schijnt te veranderen in één amorfe brij van gelijkvormige rijtjeswoningen. En kennelijk is dit een probleem. In het tijdperk van de individualisering, zo wordt verondersteld, kunnen de architectuur en het landschap geen uniformiteit uitdrukken. In twee recente publicaties, uitgegeven bij 010, wordt het gevecht tegen de ‘zee van middelmatigheid’ aangegaan. Bij Carel Weeber, voormalig voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten, krijgt het individualisme gestalte in keuzevrijheid voor elke bewoner in de vormgeving van de eigen woning. Het wilde wonen is het afscheid van het staatsdenken in de architectuur, zo wordt de lezer reeds vanaf de voorkaft toegeroepen, en de gebezigde terminologie laat inderdaad niets te raden over. Er is volgens Weeber een nieuwe woonconsument opgestaan: onze welvaartmaatschappij heeft de huurder tot koper geëmancipeerd, en de overheid, de bouwondernemers en niet in de laatste plaats, de architecten en stedenbouwers, moeten zich aan deze nieuwe doelgroep aanpassen. Er moet niet langer gedacht worden in kant-en-klare eindbeelden, maar in randvoorwaarden, waarbinnen de consument maximale keuzevrijheid heeft: in kavelgrootte, in woninggrootte en -indeling, in vormgeving. Terwijl de auto-, kleding- en meubelindustrie allang massaproductie leveren, moet in Nederland de emancipatie van de cataloguswoning nog beginnen. Om de beroepsgroep alvast een voorproefje van de nieuwe esthetica te geven, laat Weeber de plekken zien waar bewoners aan de dwingende (beeld)regie zijn ontkomen: in woonwagenkampen, volkstuincomplexen en kampeerterreinen. Weeber, wil, zoals hij al eerder een plek in de geschiedenis van de Nederlandse stedenbouw wist te propageren met de herintroductie van het gesloten bouwblok, nu ook zijn naam verbinden aan de volgende episode: de vrijstaande woning. Weebers onbeschaamde retoriek maakt Het wilde wonen tot een smakelijk en uitdagend pamflet, dat terecht wijst op de noodzaak tot hervorming van de woningbouw. De retoriek wordt pas vervelend in de bijdrage van Wouter Vanstiphout, waarin de boodschap nog eens verteld wordt, maar nu voorzien van een teleologische geschiedschrijving, vol blinden en zieners. Zijn boodschap dat het wilde wonen alleen geslaagd is indien er ook sprake is van wild plannen is schrikbarend gemakzuchtig, omdat het betoog ophoudt – zoals altijd bij teleologische geschiedschrijving – bij de beoogde stelling, en de uitwerking ervan aan de verbeelding van de lezer wordt overgelaten. Het grappigste van wild plannen is nog wel dat in de voorgestelde gelegenheidsconsortia van bedrijven en instellingen de individuele bewoner, om wie het allemaal begonnen was, net zo zeer uit beeld is, als bij de door Vanstiphout vermaledijde overheidsplanning. Een vorm van regie van bovenaf is kennelijk toch nodig. De wilde haren van het wilde plannen zijn er dus alweer af.

In FARMAX, een beelden- en artikelenbundel van het architectenbureau MVRDV, wordt regie van bovenaf als vanzelfsprekendheid ervaren. MVRDV is in de ogen van Weeber waarschijnlijk het prototype architectenbureau oude-stijl: het bemoeit zich met alles, van villabouw tot nationale plannen als Emptyscape, waarin ‘lege ruimte’, een steeds schaarser goed, als volwaardige functie is opgenomen in Holland Town. Het is duidelijk dat met dit soort plannen MVRDV de gelijkschakeling individualiteit-keuzevrijheid abstraheert tot het aanbrengen van ruimtelijke diversiteit. Variatie ontstaat volgens MVRDV door contrasten. En willen we die op nationaal niveau handhaven, dan moeten we, vrees ik, op zoek naar een filantropische dictator die de baas wordt van Holland Town. Het pleit voor FARMAX dat ze de consequenties van hun denken durven te onderzoeken: de bescherming van het ene gebied, zo stelt Winy Maas, betekent dat een ander gebied meer belast wordt; kiezen we voor hogere dichtheden dan zetten we onze wettelijke licht- en geluidsnormen onder druk. Willen we dat? Dat Maas’ antwoord ‘ja’ is, in naam van de vooruitgang (lees: het creëren van een contrastrijk landschap) leidt geen twijfel. In menige bijdrage wordt de FAR (de Floor Area Ratio, de verhouding tussen het totale vloeroppervlak van een gebouw, ten opzichte van de kavel) gemaximaliseerd. Soms levert dit prachtige beelden op, zoals in Gothics, waar Maas de hypothese verkent om de Amsterdamse binnenterreinen vol te bouwen, met inachtneming van de beperking dat deze bouwvolumes niet zichtbaar mogen zijn vanaf straatniveau. Maar meestal, als het op stedenbouwkundig niveau tot een concrete uitwerking komt, zijn de resultaten verwant aan de hellingbanen en cityvorming-retoriek van de jaren ’60.

Wat zo raadselachtig is aan zowel Het wilde wonen als aan FARMAX, is dat individualisme zo vanzelfsprekend als wezenskenmerk van deze tijd wordt gezien, zonder dat de ruimtelijke vertaling daarvan geproblematiseerd wordt. Enerzijds constateert MVRDV dat uniek-zijn in het tijdperk waarin iedereen zijn eigen lifestyle uitkiest, niet meer mogelijk is, sterker nog: het resultaat is een zee van eenvormigheid. Anderzijds wordt onvermoeibaar voortgestreden voor een pluriform beeld, in naam van datzelfde individualisme. Weeber ziet het wilde wonen als sluitstuk van de massaproductie, die de meubel- en kledingindustrie reeds geëmancipeerd heeft. Maar alle voorbeelden die hij geeft van reeds bestaande informele woonvormen, van stacaravans tot woonkeet, geven een merkwaardig uniform beeld. Het lijkt wel of de heren architecten het nog steeds niet kunnen laten. In naam van de tijdgeest wordt consumenten een schijnbaar zaligmakende keuzevrijheid voorgehouden. Maar één keuze wordt hen onthouden, en wel de meest wezenlijke: de keuze gewoon en middelmatig te zijn. Grijs, en niet zwart-wit.

 

• Carel Weeber, Het wilde wonen, met een tekstbijdrage van Wouter Vanstiphout en MVRDV, FARMAX, excursions on density, (eds. Winy Maas, Jacob van Rijs en Richard Koek) zijn beide in 1998 uitgegeven bij 010 Publishers, Watertorenweg 180, 3063 HA Rotterdam (010/433.35.09).